1.6.4. Tweede huwelijk

Johan August Meijerfeldt wordt begin maart gekroond tot graaf en krijgt in lijn met zijn gouverneur-generaalschap landgoederen in Voor-Pommeren toegewezen. Doordat het gebied niet meer in Zweedse handen is, veel andere officieren ook in de adelstand worden verheven en er nog talloze andere maatregelen getroffen moeten worden, duurt het nog vijf jaar voordat de gravenbrief, het nieuwe schild en de landgoederen Nehringen en Medrow in zijn bezit zijn.

Schilderij van Johan August Meijerfeldt

Meijerfeldt bereidt in die tijd de verdediging van Wismar voor, naast Stralsund de enig overgebleven Zweedse stad in de Duitse gebieden. Van zijn regiment landmilitie wordt 300 man voor de verdediging van Stralsund uitgezocht.

Karel XII blijft pogen Pommeren te behouden. Nadat hij hem 6 april 1714 admiraal maakt, geeft hij Meijerfeldt opdracht zich bezig te houden met het uitrusten van de vloot. Karel XII had na het overlijden van de beroemde maar trage admiraal Wachtmeister behoefte aan een goed organisator, niet aan een goed zeeman. Stenbock had bij de Slag bij Helsingborg al bewezen het te kunnen en nu werd het vertrouwen weer aan een landmachtofficier gegeven, namelijk Meijerfeldt. Na een kort verblijf in Gothenburg had hij zich medio 1714 in Karlskrona gevestigd om zich beter om zijn admiraalschap te kunnen bekommeren. Bij de bevolking had hij al enthousiasme weten te kweken en stelt nu voor de adel een voorbeeld door uit zijn eigen vermogen 16.000 Rijksdaalder ter beschikking te stellen. Hij volbrengt zijn taak zo snel en energiek, dat hij dankbaarheid en bewondering van de koning oogst. Met vereende krachten weet hij 800.000 Rijksdaalder op te brengen. (1) 

Vanaf dan gaat Meijerfeldt zich als Koningsraad in de Senaat actief met de politiek bezighouden, voornamelijk in de rol van verdediger van de handelingen van de koning. Bassewitz is inmiddels een goede vriend van hem geworden. Begin augustus 1714 brengt hij een bezoek van een halve dag aan Karlskrona, waar hij adviezen inwint over de houding van de Zweedse Senaat. Bassewitz schrijft later over hem als ein veritabler Freund van mir, die bij het afscheid op de bewuste dag had gewenst: der liebe Gott bringe das unterdrückte Recht ans Licht! (2)

Fabrice, diplomaat voor Holstein bij Karel XII in Demotika, schrijft aan Görtz dat Meijerfeldt de vijand is van generaal baron Horn en kwaad over hem spreekt bij het Hof. Welke Horn bedoelt hij en waar gaat het over? In Stettin was een Horn voor het Zweedse deel van het garnizoen achtergebleven. Dat was niet zijn zwager luitenant-generaal graaf Arvid Bernhard – zoals de geschiedenisboeken ten onrechte schrijven – maar kolonel baron Ture Sigismund. Volgens Fabrice zou het probleem zijn dat Meijerfeldt diens promotie tot generaal-majoor in 1714 niet erkende. Inderdaad was daarvan pas in 1719 sprake. (3)

Waar Johan August Meijerfeldt zo vurig op hoopt gebeurt tenslotte dan toch. Koning Karel XII mag uit zijn Turkse ballingschap weggaan en rijdt incognito in 15 dagen te paard met een grote boog door West-Europa. Medio november 1714 staat hij voor de ongelovige poortwachters van Stralsund. Een kleine maand later arriveert Johan August met een postjacht om dankzij zijn enorme bedrag voor de vloot door een minzame koning in Stralsund te worden verwelkomt. Als hoogste vertegenwoordiger organiseert hij onmiddellijk een feestelijke rondtoer in een lange ceremoniële stoet voor de koning.

Meijerfeldt wordt op 26 januari 1715 tot Kanselier van de Universiteit van Greifswald benoemd. Deze stad is overeenkomstig het verdelingsplan aan Pruisen  toegedeeld, waardoor ook deze benoeming pas waarde kan krijgen na de vrede. Die lijkt verder weg dan ooit als Pruisen op 1 mei zijn neutrale positie opgeeft en toetreedt toe tot de Noordelijke Alliantie. De legers uit Denemarken, Saksen, Pruisen en Rusland verzamelen zich medio 1715 rondom de twee sterkste vestingsteden van Europa: Stralsund en Wismar. Met twee bataljons maakt Meijerfeldt de vruchteloze pogingen van Karel XII tegen de Deense vloot bij de Pommerse Wal mee.

Er is ook nog wel tijd voor vertier. Op 9 juli 1715 schrijft Karel XII een wedstrijd uit met een geldprijs van 300 rijksdaalder voor degene die als eerste een vogel schiet. Johan August wint van de koning en de compagnie en ontvangt een gouden medaille met inscriptie. (4)

In september wordt geheel Amt Tribsees verpacht aan Meijerfeldt, naast Grimmen het enige gebied dat de Zweedse koning tot dan toe aan de Kroon heeft gehouden. Halverwege oktober 1715 steekt de graaf over naar Zweden. Hij is daarom niet meer bij de aanvallen en overgave van Stralsund eind december betrokken. In 1716 raakt Zweden tenslotte ook Wismar kwijt, haar laatste vesting op Duitse bodem.

Vanuit Zweden moet Johan August Meijerfeldt toezien hoe niet alleen de gebieden in Lijfland en Pommeren verloren zijn, maar ook zijn eigen landgoederen. Betwijfeld moet worden of hij er al een bezoek aan heeft kunnen brengen. De in 1709 gestarte politiek van sekwestratie door de Deense koning gaat voort. Veel Zweedse leenmannen weten hun landgoederen op veilingen terug te kopen, Meijerfeldt niet. Zodra hij bij Tribsees tijd probeert te winnen wordt er beslag op gelegd. Omdat de Zweedse koning Nehringen en Medrow in leen had uitgegeven aan zijn gouverneur-generaal, volgde de Deense koning zijn voorbeeld met Franz-Joachim von Dewitz.

In de legerleiding mengt Meijerfeldt zich in de discussie over het herwinnen van de Zweedse suprematie in Noord-Europa. De Zweedse adel wil de Baltische bezittingen heroveren. Nu hij daar geen familieleden meer heeft, pleit Johan August voor een directe veldtocht in Noord-Duitsland, waarhij immers titels en landgoederen heeft. (5) Görtz stuurt aan op een verdrag met Peter de Grote, eveneens om de handen vrij te houden voor Duitsland. Koning Karel XII ziet het allemaal anders: een veldtocht tegen het onder Deense heerschappij zuchtende Noorwegen. Tegen hoge offers van het volk wordt het leger opnieuw uitgerust, geoefend en op weg gestuurd, maar halverwege wordt halt gehouden vanwege gebrekkige aanvoerlijnen.

Kolonel Wolmar Johan Meijerfeldt bevindt zich nog steeds onder het commando van de Oostenrijkse prins Eugenius van Savoye. Hij weet zich tijdens de talloze veldtochten en vooral belegeringen niet in bijzondere mate te onderscheiden. In 1716 neemt hij deel aan de veldtocht van de prins tegen de opdringende Turken. In het voorjaar van 1717 wordt een beleg rond Belgrado geslagen, dat na een verrassingsaanval op de versterkingen van de Turkse sultan op 18 augustus capituleert.

Sinds het overlijden van zijn vrouw in 1710 heeft de 53-jarige Johan August net zo min als zijn broers nazaten. Hij gaat aan een tweede huwelijk denken en laat zijn oog vallen op de jongere zuster van generaal-majoor Christian Ludwig von Ascheberg, gravin Margaretha. Zij is de weduwe van Kjell Christoffer Barnekow, met wie Johan August nog in de Republiek gestaan heeft. Na diens dood heeft zij de rekrutering en verantwoordelijkheid voor zijn geworven regiment overgenomen. Zij is weliswaar jonger, maar toch ook al 45 jaar oud. Daarmee loopt Johan August de grote kans dat haar zoon Christian (gehuwd met een dochter van Magnus Stenbok), haar dochter Magdalena (gehuwd met Wilhelm Bennet, zijn wapenbroeder sinds lange tijd) of haar zoon Rutger zijn erfopvolgers worden. Zover komt het niet, want de gravin slaat het huwelijksaanzoek  af.

Johan August – die dan als oud en lelijk geldt – verbaast een ieder door zijn oog te laten vallen op de jongste dochter van gravin von Ascheberg, de montere 16-jarige Brigitta (Brita) Barnekow. Zij was 12 jaar toen de dochter van de gevluchte Poolse koning Stansilaus en latere koningin van Frankrijk bij hen in huis kwam wonen en haar grote vriendin werd. Dit huwelijksaanzoek weigert de gravin niet. Overigens wordt van de graaf wel gezegd, dat hij zijn ernstig voorkomen met veel minzaamheid tracht te versluieren. Brita zou haar generaal aanbeden hebben.

Op 13 maart 1717 vindt eerst de huwelijksinzeging plaats in de kerk van Vittskövle. (6) Daarna volgt de bruilloft op het Aschebergse kasteel. De koning is uitgenodigd en schrijft excuserend: würde auch daran Theil genomen haben: da ich aber noch keine Zeit habe, so lange von hier fortzubleiben, so kann ich nicht dorthin kommen. (7) Karel XII is op dat moment bij zijn leger in Lund en werkt nieuwe aanvalsplannen uit. Hij staat het wel aan zijn legertop toe naar de brui­loft af te reizen. Door dit huwelijk verstevigt graaf Meijerfeldt zijn positie binnen de adellijke elite. De bezittingen van de families Barnekow en Asche­berg zijn aanzienlijk. Het huwelijk zou uiteindelijk niet erg gelukkig gaan worden, hoewel het met een aantal kinderen zou worden gezegend. (8)

In maart 1718 krijgt Wolmar Johan Meijerfeldt verscheidene maanden verlof naar Lübeck en Zweden. De eerste plaats zal wel zijn oversteekplaats zijn om een bezoek te brengen aan het bruidspaar. Ook voor hem is de oorlog ten einde, want op 21 juli 1718 maakt de Vrede van Passarowitz een einde aan de bijna honderdjarige strijd tegen het Ottomaanse Rijk..

 

1. The Present State of Europe of the Historical and Political Monthly Mercury, The Hague, december 1714, pag. 480-481,, noemt een bedrag van maar 150.000 tot 200.000 kronen. Het hoge bedrag staat in I. Le Long, “Het leven van den heldhaften Carel den XII, Koning der Swe­den, Amsterdam 1721, deel 5, pag. 696,  en E. Carlson, “Die eigenhändige briefe König Karls XII.”, Berlin 1894, pag. 148.
2.
H. Almquist, “Holstein-Gottorp, Sverige och den nordiska ligan i den politiska krisen 1713-1714”, KHVSU Skrifter 21:1, Upsala 1918, pag. 202
3. F.E. von Fabrice, “Zuverläβige Geschichte, Karl des Zwölfte, Königs in Schweden, während seines Aufenthalts in dr Türkey, aus den noch ungedrückten französischen Staatsbriefen”, Hamburg / Leipzig 1759, brief 89 uit Demotika van 17 september 2014.
4. Sundine, 22-07-1830.
5. C. Hutton, “Charles XII of Sweden”, London 1968, pag. 462.
6. Kyrkoarkiv Vittskövle, Lysing- och Vigelseböcker 1688-1751, folio 54v. C.F. Meijerfeldt, “Ode (Sie betrift das vor einigen Jaren erfolgte Ableben der Wolsel. Frau Gräfin von Meyereldten, Excellenze.)”, Pommersches Magazin, Greifswald/Stralsund 1776, deel 2, pag. 18.
7. E. Carlson, “Die eigenhändige briefe König Karls XII.”, Berlin 1894, pag. 169. C. Hutton, pag. 624 noot 29.
8. Personhistorisk Tidskrift 1902, Stockholm 1903, pag. 119.