1.1.2. Johan, kasteelheer van Riga

Van de eerst bekende Baltische telg Johan Meijer zijn de geboorte- en overlijdensdata weliswaar niet bekend, maar wel dat hij in de jaren 1480 en 1510 leeft. In dat laatste jaar moet hij redelijk op leeftijd zijn, omdat zijn zoon Wolmar tien jaar later al stadhouder over Wenden is. (1)

Johan Meijer is van adel. Dat blijkt uit de volgende gegevens die bij zijn naam staan: (2)

– herre: In de vijftiende en zestiende eeuw is dit een adellijke titel.
til Babbús of Búbbús: Hiermee wordt niet de geboorte- of woonplaats bedoeld, maar een landgoed verkregen van een leenheer. Dat is de kern van de oeradel. In die tijd was er een Lijflands adellijke landgoed Babbusch.
förde i vapn en hvit skära i blått fält. Het voeren van een wapen is eveneens een teken van adeldom. Dit wapen – een witte sikkel in een blauw veld – duidt op landadel. De sikkel is een instrument om mee te oogsten.

Johan Meijer is getrouwd met Gertrud von Farensbach.  Het Duits-Baltse vazallengeslacht von Farensbach vestigt zich met de Kruistochten in Estland, in eerste instantie op het eiland Ösel, later in Marienland (Märjamaa) in het district Rappel (Rapla), dicht tegen de noordelijke grens van Lijfland (nu Estland). Het wapen van de familie is een rode muur die op zes plaatsen is uitgebouwd op een zilveren plaat en een krijger met Hongaarse muts. In het geslacht Von Farensbach is uit die tijd een  Gertrud te vinden († na 1489, dochter van Dietrich von Farensbach, † na 1478, en Aleit, † na 1460). Zij huwt echter niet met Johan Meijer, maar eerst met Wolmar von Üxküll en daarna met Kersten II von Rosen. (3)

Van Johan Meijer wordt aanvankelijk gezegd dat hij in 1480 Rittmeister van de Lijflandse adelscompagnie cavalerie is, maar al snel volgt de correctie dat dit zijn kleinzoon Henric in 1560 betreft. Vanaf dat moment wordt aangegeven dat Johan Meijer kastelein in Riga is. Niet van een herberg, maar beheerder of kastellan van een kasteel, in dit geval van het slot van de Duitse Orde in Riga.

In het jaar 1480 heeft de Landmeester van de Duitse Orde, Bernd von der Borg, de hegemonie in Lijfland. Deze brokkelt af door de banvloek van paus Sixtus IV over het eigenmachtig benoemen van zijn broer Simon tot aartsbisschop van Riga, door het aan de stad Riga opleggen van burgemeestersbenoemingen, eedafleggingen en geldafdrachten. Steun van de Duitse Keizer en de Grootmeester van de Duitse Orde baten hem niet. Hij meent dat een buitenlands succes zijn reputatie goed zal doen.

Begin 1480 neemt Von der Borg het  besluit om het aangrenzende Pleskau (Pskov) binnen te vallen. Hij verorvert een eerste vesting en laat iedereen doden. Als de volgende stad stand weet te houden, laat hij de omgeving plunderen en platbranden. Pleskau roept de verbonden grootvorst Iwan III van Moskou te hulp, die ondanks een vijandelijke veldtocht van de Gouden Horde en de grootvorst van Litouwen in het zuiden van zijn rijk een leger stuurt. De Lijflandse Orderidders worden tot aan Dorpat (Tartu) teruggedrongen en velen worden gevangen genomen. Na het vertrek van de Moskovieten gaat Von der Borg opnieuw in de aanval, maar weet dat hele jaar geen successen te boeken. Iwan III verslaat zijn vijanden in het zuiden en trekt in 1481 succesvol op tegen de residentie van de Landmeester in Fellin (Viljandi) en achtervolgt hem tot aan de poorten van Riga. Met de nodige concessies sluit Von der Borg een 10-jarige wapenstilstand.

In Riga en omgeving blijven brandstichting, beschietingen en gevechten doorgaan. Op 18 mei 1484 capituleert het garnizoen van Wittensteen, het kasteel of slot in Riga van de Lijflandse Orde. Het gebouw wordt in de weken daarna vrijwel geheel tot aan de grond toe afgebroken en er volgt een wapenstilstand. Onder aanvoering van Wolter von Plettenberg slaat de Orde in 1489 terug en in maart 1491 is het de beurt aan Riga om te capituleren, met de verplichting Wittensteen binnen zes jaar te herbouwen zoals deze tussen 1330 en 1343 was herbouwd na de eerdere plundering van het slot door de stad. De niet al te ijverige stad wordt niet al te sterk achter de broek gezeten door de op rust en welvaart uit zijnde nieuwe ordemeester Von Plettenberg en de nieuwe aartsbisschop Kaspar Linde. Daardoor is het werk pas in 1515 klaar. (4)

1.1.4. Kasteel RigaHet kasteel van Riga in 1515 (5) 

Het kasteel van Riga meet 63 bij 56 meter. Het is een van de Duitse Orde bekende combinatie van vesting en klooster. Twee ronde torens staan op de hoeken in het noordoosten en zuidoosten en in de andere twee hoeken lopen vierkante trappen omhoog. Kelders, souterrain en begane grond zijn er voor munitie, voedsel, paarden en werkkamers. Op de eerste verdieping bevinden zich de meer luxueuze vertrekken met plafonds op 7 meter hoogte met prachtig boogwerk. Hier bevinden zich de kapel, de eetkamer, de oostelijke vertrekken voor de priesters, de westelijke vertrekken voor de Komtur en Meester (als hij op bezoek is) alsook de keuken en de noordelijke vertrekken voor de ridders. De tweede verdieping is ontworpen voor de kruisboogschutters om het kasteel te verdedigen. Dwars op de buitenmuur aan de rivierzijde loopt een op vijf pijlers rustende overdekte balustrade, ook wel de Dansker genoemd. De toren aan het einde hangt boven de rivier voor de afvoer van de latrine. Ook kan het dienen voor de verdediging en bevoorrading.

1.1.4. Kasteel Riga nu

Het kasteel van Riga tegenwoordig

Als kastelein bekleedt Johan Meijer een hoge functie. Hij heeft het commando over het garnizoen, de verdediging van het kasteel en patrouilles in de omgeving. Bovendien is hij verantwoordelijk voor het dagelijkse garnizoensleven, zoals de voedselvoorziening (inclusief het aanhouden van voorraden voor twee jaar om een belegering te doorstaan), munitie en bewapening en onderhoud van het kasteel.

Dat Wolter von Plettenberg uit is op binnenlandse vrede ligt aan vijandelijke acties uit het oosten. De vorst van Moskou heeft de Lijflandse hanzevestiging in Novgorod gesloten en de handelaren gevangen gezet en weigert vrede te sluiten. In 1498 ziet Von Plettenberg zich daarom gedwongen net als zijn voorganger naar Pleskau op te trekken. Met steunzegging van de vorst van Litouwen woedt  tussen 1501 en 1503 een oorlog, waarbij zijn cavalerie en artillerie in verschillende slagen de doorslag geeft. .

 

1. G. Anrep, “Svenska Adels Ätters-taflor”, Stockholm 1861, pag. 888-889.
2. Anrep ontdekt in de Uppsala Universitetsbibliotek 27 handgeschreven delen in folio formaat met genealogische tabellen en biografische opgaven over de adel met de titel “Svecia Illustris”. Deze documenten zijn afkomstig van de ruim een eeuw eerder overleden A.A. von Stiernman, de auteur van het Matrikelboek uit 1754. Onder X 18, M, gaan vier bladen over Mejerfelt.
3. Anrep, ibidem, maakt de schrijffout Farsenbach. O.M. von Stackelberg, “Genealogisches Handbuch der esthländischen Ritterschaft”, Görlitz 1931, pag. 489, zich baserend op bewaard gebleven landakten en rechterlijke uitspraken.
4. O. von Rutenberg, “Geschichte der Ostseeprovinzen Liv-, Est- und Kurland von der ältesten Zeit bis zum Untergange ihrer Sebständigkeit”, Leipzig 1860.
5. Getekend door Peter Dennis, in S. Turnbull en P. Dennis, “Crusader Castles of the Teutonic Knights,  The stone castles of Latvia and Estonia 1185-1560”, Oxford 2004, pag. 46.