1.2.1. Johan, kasteelheer van Riga

De eerste bekende telg van het Baltische geslacht Meijer is Johan.

Bij zijn naam wordt til Babbús of til Búbbús geschreven. Doorgaans wordt hiermee niet de geboorte- of woonplaats bedoeld, maar de bezitting. Het is in de Baltische gebieden onvindbaar.

De datum van geboorte en overlijden van Johan zijn evenmin bekend, maar wel dat hij in 1480 en 1510 leeft. In dat laatste jaar moet hij redelijk op leeftijd zijn, omdat zijn zoon Wolmar tien jaar later al stadhouder over Wenden is.

Johan Meijer is getrouwd met Gertrud von Farensbach(1) Het Duits-Baltische geslacht von Farensbach vestigt zich met de Kruistochten in Estland, in eerste instantie op het eiland Ösel, later in Marienland (Märjamaa) in het district Rappel (Rapla), dicht tegen de noordelijke grens van Lijfland (nu Estland). Het wapen van de familie is een rode muur die op zes plaatsen is uitgebouwd op een zilveren plaat en een krijger met Hongaarse muts.

Eén bron meldt aanvankelijk dat Johan Meijer in 1480 Rittmeister van de Lijflandse compagnie cavalerie is, maar corrigeert meteen dat het hier zijn kleinzoon Henric in 1560 betreft. Dezelfde bron en vele daarna geven aan dat Johan Meijer  van 1480 tot 1510 of alleen in dat laatste jaar kastellan (kasteelheer, slotvoogd) in Riga is. (1)

Voor het kasteel of slot in Riga is er maar één mogelijkheid: “Wittensteen” van de Duitse Orde. In het jaar 1480 heeft de Landmeester van de Orde – Bernd von der Borg – de hegemonie in Lijfland. Deze brokkelt af door de banvloek van paus Sixtus IV over het eigenmachtig benoemen van zijn broer Simon tot aartsbisschop van Riga, door het aan de stad Riga opleggen van burgemeestersbenoemingen, eedafleggingen en geldafdrachten en door een verwoestende inval van grootvorst Iwan III van Moskou in Lijfland na zijn verovering van de onafhankelijke Hanzestad Nowgorod. Steun van de Duitse keizer en de grootmeester baten hem niet. Ondanks doorlopende vredesbesprekingen en wapenstilstanden vinden vanaf 1481 in de stad en de omgeving branden, beschietingen en gevechten plaats. Op 18 mei 1484 capituleert het garnizoen van Wittensteen, in de weken daarna wordt het gebouw vrijwel geheel tot aan de grond toe afgebroken en wordt een wapenstilstand gesloten. De nieuwe Landmeester Walter von Plettenberg slaat in 1489 terug en in maart 1491 is het de beurt aan Riga om te capituleren, met de verplichting Wittensteen binnen zes jaar te herbouwen zoals deze tussen 1330 en 1343 was neergezet. De niet al te ijverige stad wordt niet al te sterk achter de broek gezeten door de op rust en welvaart uit zijnde Plettenberg en aartsbisschop Kaspar Linde. Daardoor is het werk pas in 1515 klaar. (2)

1.1.4. Kasteel RigaHet kasteel van Riga in 1515 (3) 

Het kasteel van Riga meet 63 bij 56 meter. Het is een van de Duitse Orde bekende combinatie van vesting en klooster. Twee ronde torens staan op de hoeken in het noordoosten en zuidoosten en in de andere twee hoeken lopen vierkante trappen omhoog. Kelders, souterrain en begane grond zijn er voor munitie, voedsel, paarden en werkkamers. Op de eerste verdieping bevinden zich de meer luxueuze vertrekken met plafonds op 7 meter hoogte met prachtig boogwerk. Hier bevinden zich de kapel, de eetkamer, de oostelijke vertrekken voor de priesters, de westelijke vertrekken voor de Komtur en Meester (als hij op bezoek is) alsook de keuken en de noordelijke vertrekken voor de ridders. De tweede verdieping is ontworpen voor de kruisboogschutters om het kasteel te verdedigen. Dwars op de buitenmuur aan de rivierzijde loopt een op vijf pijlers rustende overdekte balustrade, ook wel de Dansker genoemd. De toren aan het einde hangt boven de rivier voor de afvoer van de latrine. Ook kan het dienen voor de verdediging en bevoorrading.

1.1.4. Kasteel Riga nu

Het kasteel van Riga tegenwoordig

Johan Meijer bekleedt een hoge functie. Hij heeft het commando over het garnizoen, de verdediging van het kasteel en patrouilles in de omgeving. Bovendien is hij verantwoordelijk voor het dagelijkse garnizoensleven, zoals de voedselvoorziening (inclusief het aanhouden van voorraden voor twee jaar om een belegering te doorstaan), munitie en bewapening en onderhoud van het kasteel.

 

1. A.A. von Stiernman, “Svecia Illustris”, Uppsala Universitätsbibliotek, X 18, onder M. G. Anrep, “Svenska Adels Ätters-taflor”, Stockholm 1861, pag. 888-889, schrijft ten onrechte Farsenbach.
2. O. von Ruttenberg, “Geschichte der Ostseeprovinzen Liv-, Est- und Kurland von der ältesten Zeit bis zum Untergange ihrer Sebständigkeit”, Leipzig 1860.
3. Getekend door Peter Dennis, in S. Turnbull en P. Dennis, “Crusader Castles of the Teutonic Knights,  The stone castles of Latvia and Estonia 1185-1560”, Oxford 2004, pag. 46.