1.1.3. Vazallen van de Zwaardbroeders

De Duitse of Teutoonse Orde is in 1190 gesticht tijdens de derde Kruistocht naar Jeruzalem. Deelnemers uit Bremen en Lübeck hadden aanvankelijk het doel hun gewonde en behoeftige Duitse ridderbroeders bij te staan. De schutsvrouw is Maria. In de officiële naam Ordo Domus Hospitalis Sanctae Mariae Teutonicorum in Jeruzalem komt dit allemaal terug. Zowel de Paus als de Keizer erkennen de Duitse Orde, waardoor ze naast de kerkhiërarchie komt te vallen en eigen grondbezit en bestuursmacht mag verwerven. De Ordeleden zijn tegelijk ridder en geestelijke: zij leggen de geloften af van armoede (aardse zaken zijn van de Orde, ook paard en zwaard), van kuisheid (geen seksuele activiteiten) en van gehoorzaamheid (weinig praten en spel, veel oefenen, vechten en martelaarschap).

Naast het bevrijden van de heilige stad Jeruzalem en de herovering van het Iberisch schiereiland op de Moren gaat de aandacht van de Paus uit naar de enige enclave in Europa die nog heidens is, namelijk de gordel gebieden ten zuiden en oosten van de Oostzee, van Holstein tot de Finse Golf. In 1171 stelt hij oorlogen tegen deze heidenen gelijk aan de Kruistochten naar het Heilige Land, niet zozeer omdat zij heilige plaatsen bezet zouden houden, maar omdat ongedoopte mensen dood en verderf zouden zaaien. Zowel de Koning van Denemarken als de Aartsbisschop van Bremen geven gehoor aan de oproep van de Paus en met kleine stapje oostwaarts worden de gebieden van de heidense Wenden en daarna de Pruisen voor het Christendom gewonnen.

De monding van de noordelijker gelegen Duna wordt omstreeks 1186 eerst door kooplui uit Bremen betreden. Kort nadat de handelaren zich weten te vestigen komt de geeste­lijk­heid, ook om de wedloop met zich daar al vestigende Mosko­vische orthodox-christelijke broeders te winnen. Lijfland wordt daar­door niet Ortho­dox maar Rooms. Pas de derde poging van de Domheer van Bremen slaat aan. Aanvankelijk komt de bejaarde monnik Meinhard met één van de eerste schepen van de kooplui aan en sticht een neder­zet­ting bij Üxküll (Ikškile). Hij weet de inheemsen tot het Christendom te bekeren. Dat doen zij slechts om aan de invloed van de naburige Russische vorst van Polotsk te ontkomen. Na de doopplechtig­heid springen zij in de rivier om het doopwater af te spoelen en worden de geestelijken na Meinhard’s dood uit het gebied verjaagd. De opvolger Bert­hold probeert het ook eerst vergeefs vreedzaam, maar keert in 1198 terug aan het hoofd van een duizendkoppig leger van Kruisrid­ders uit Westfalen. Hij wint de slag om de stenen brug bij Üxküll, maar sterft omdat hij te ver voor zijn troepen uit de achtervolging inzet. Daarna onderneemt Albrecht von Buxthöven, neef van de domheer van Bremen, in 1200 een meer succes­volle Kruistocht. Zijn leger is met behulp van een pauselijke brief opgetrommeld uit Nedersaksen en Westfalen. Hij heeft de beschikking over 1600 kruisvaarders (ridders, priesters en vazallen) die met 23 schepen worden aangevoerd. In 1201 wordt in de monding van de Duna een vesting gemaakt voor de Kruisridders en dit is het start­punt van de stad Riga. Albrecht reist wel 13 keer naar Bremen en Rome terug, enerzijds met het doel in Noord-Duitsland missionarissen en kruisridders te werven voor 2 of meer jaar, anderzijds om zijn geestelijk en zelfs wereldlijk gezag over Lijfland uit te breiden. Hij wordt niet alleen door de Paus erkend als bisschop over Lijfland en mag een Dom in Riga bouwen, maar krijgt ook vorstelijke status van de Duitse keizer.

Daar staat tegenover dat Duitse vorsten en ridders maar mondjesmaat bereid zijn naar het hoge noorden te reizen. Daarom besluit Albrecht een blijvende aanwezigheid van de ridder-monniken te organiseren. Omdat bestaande orden als de Tempeliers en zelfs de Duitse Orde hun krachten niet willen verdelen, sticht Theoderich von Treyden met 180 adellijke officieren in 1202 de nieuwe Orde van de Zwaard­broeders (Fratres militae Christi de Livonia). Zij dragen witte mantels met een rood kruis, het zwaard verticaal daaronder. In 1204 bevestigt de paus de nieuwe orde volgens dezelfde regels als de Tempeliers. In 1206 zijn alle Lijflandse stammen gekerstend ofwel onderworpen. De Orde weet zijn militaire gezag slechts te handhaven met een dicht netwerk van 60 kleinere stenen burchten, want het koude of natte platteland met dichte bossen en wateren zonder wegen is leeg of in handen van opstandige stammen. In het oosten dringt de Orde de vorsten van Novgorod en Polotsk terug op hun eigen grondgebied. Met succes worden de stammen in het zuidelijke Koerland en Semgallen onderworpen.

1.1.4. Zwaardbroeder

Ridder in de Orde van de Zwaardbroeders

De Zwaardbroeders werken daarna stap voor stap naar hun eigen val toe. Zij willen in navolging van de Duitse Orde de door hen veroverde gebieden besturen, maar daar gaat Bisschop Albrecht niet mee akkoord, ook niet met de helft; na bemiddeling van een pauselijke gezant accepteren zij een derde van het grondgebied, maar de basis voor een lange machtsstrijd met de bisschop is daarmee wel gelegd.

Een tweede machtsstrijd wordt met de Deense koning aangegaan: hij had op verzoek van Albrecht in 1219 de vesting Reval gesticht en de Esten overwonnen, maar de Zwaardbroeders dulden niet dat hun Deense broeders het omliggende gebied koloniseren. Nadat zij zelfs Reval hebben overgenomen en veel wreedheden hebben begaan, oordeelt de Paus dat de Orde het gebied moet teruggeven en de enorme schade moet vergoeden. Een volgend probleem is dat de Zwaardbroeders niet de steun van de lokale bevolking weten te winnen, omdat zij veel van de oogst opeisen en andere belastingen opleggen. Het einde wordt ingeluid als 2.000 nieuwe onervaren Kruisridders tegen de Litouwers willen vechten en ondanks waarschuwingen de moerassige (niet bevroren) en bosrijke gebieden van Samogitia binnentrekken. De daar aanwezige Litouwers brengen het gehele leger van de Zwaardbroeders in 1236 in de Slag bij Saule (Siauliai) een vernietigende slag toe. De gedecimeerde Ordebroeders weten nog maar net Riga te behouden. Vanuit het zuiden spoelen de Litouwers over het land, in het noordelijke Estland zijn de Denen heer en meester en het oosten wordt grotendeels weer door de vorsten van Novgorod en Polotsk ingenomen.

1.1.4. Lijfland verdeeld

De (blauwe) gebieden van de Orde van de Zwaardbroeders

De Zwaardbroeders realiseren zich te kleinschalig te zijn voor deze strijd en vragen opnieuw steun van de krachtiger Duitse Orde. Er komen 60 Kruisridders over naar Riga. In 1237 roept een pauselijk gezant in Viterbo de leiders van de beide Orden bijeen en plotseling worden witte mantels met zwarte kruisen bij de Zwaardbroerders omgehangen. Het is te laat om te voorkomen dat hun Orde al na 35 jaar in de Duitse Orde opgaat, maar zij weten zich nog wel als onafhankelijke Lijflandse tak met eigen Landmeester te handhaven. Noord-Estland blijft Deens en op het bevroren Meer van Peipus roept Alexander Nevski – de beroemde Vorst van Novgorod – vanuit Finland opererende Zweedse kruisridders een halt toe.

1.1.4. Duitse Orderidder

Ridder van de Duitse Orde

Hoewel de Duitse Orde zich al tot in Oost-Pruisen heeft uitgebreid, zal het niet lukken een verbinding met Lijfland te forceren. Dat komt niet alleen door de hardnekkige Litouwers, maar ook door de interne rivaliteit. De Kruisridders nemen nu alleen nog maar orders van hun Grootmeester en de Paus aan, waardoor de Bisschop van Riga eerst bij de Deense koning en daarna zelfs bij de heidense Litou­wers steun zoekt. Een andere tegenstander wordt de stad Riga met zijn sterke beroepsgroepen verenigd in Gilden en sinds 1282 lid van de Hanzebond, die de eigen handel van de Orde bestrijdt. De burgers van Riga steken de bezittin­gen van de Orde in de stad in brand en hangen de plaatselijke leider aan zijn baard op (alle Ordebroeders moeten een baard dragen). De Kruisridders nemen tegenmaatregelen: zij ontvoeren Johannes II – sinds 1252 zelfs Aartsbisschop van Riga – en plunderen zijn Residen­tie. Verder bouwen zij een muur rondom hun bezittingen en blokkeren de haven van Riga. Na een heuse binnenlandse oorlog van een jaar capituleert het uitgehongerde Riga in 1330 en moet als zoenoffer weer een kasteel voor de Orde in de stad bouwen (zie boven).

Daarna beleeft Lijfland een sterke bloei. Vazallen zijn uit Nedersaksen, Westfalen en de Nederlanden overkomen. Plattdeutsch is daardoor in Lijfland tot 1700 de overheersende taal. Mede omdat de monnik-ridders geen eigen bezit mogen hebben, doen zij de vazallen genereuze aanbiedingen, zoals landgoederen van 100 tot 1000 hectare, inclusief meerdere nederzettingen. Ook wordt hen jarenlang uitstel aangeboden van hun militaire diensten en tienden van hun oogstopbrengst. De vazallen weten hun rechten uit te bouwen tot erfgoederen en adellijke titels. De vazallen op hun beurt laten de sociale landbouwstructuur van de inheemse bevolking intact. Dat is ingegeven uit eigenbelang, omdat er bijna geen agrarische kolonisten kunnen worden aangetrokken en de Letten, Esten en Koeren hun relatief lichte verplichtingen blijken na te komen. De verplichtingen voor het lokale hoofd van de landbouwgemeenschap zijn – afhankelijk van de omvang van het gebied – meestal het leveren van een aantal man voor hervart (offensieve ondernemingen), lantwern (verdediging) en borchbuunge (fortificatie) en soms het inleveren van een deel van de oogst.

In de vijftiende eeuw verliest de Duitse Orde grondge­bied aan Litouwen-Polen in de verloren Slag bij Tannen­berg (1410) en bij Zarno­witz (1462), maar Lijfland blijft steeds vrij van Poolse overheersing en komt nog wat onafhankelijker van het Pruisische deel van de Duitse Orde te staan. In het binnenland blijft de Orde verzwakt door het sle­pend conflict tussen de Meester en de Aartsbisschop van Riga. De Reformatie na 1500 luidt het einde van de Orde in.

De Meijers zijn leden van een Lijflands vazallengeslacht. Dat is uit twee feiten op te maken, hun functies (kasteelheer, stadhouder, rentmeester) en de aangetrouwde families van ‘Landes­rit­ter’ met familiewa­pens (Fa­rens­bach, Tiesen­hausen, Wran­gell, Bremen, Taube, Wulf en Hastfer).

 

  1. L. Fenske en K. Militzer, “Ritterbrüder im Livländischen Zweig des Deutschen Ordens” (Baltische Historischen Kommission, “Quellen und Studien zur Baltischen Geschichte”, Band 12), Köln/Weimar/Wien 1993. A. Fahne von Roland, “Geschichte der Westphälischen Geschlechter unter besonderer Berücksichtigung ihrer Übersiedlung nach Preußen, Kurland und Liefland”, Köln 1858. Von Transehe-Roseneck t.a.p.
  2. Anrep noemt onder andere als bron de geschie­de­nis van de oude Lijf­land­se en later Zweedse familie Wran­gel, die door H. von Bänsch is opgete­kend.
  3. A. von Transehe-Roseneck, “Die ritterlichen Livland­fährer des 13. Jahrhunderts”, Würzbach 1960.