1.6.5. Ambten neergelegd

Bij graaf Johan August Meijerfeldt sr gaat de leeftijd in de jaren veertig een rol spelen. Daarom stelt hij op 22 juli 1742 samen met zijn vrouw Brita Barnekow een testament op. Daarin is over de land­goederen ondermeer geregeld dat de weduwe het vruchtgebruik krijgt over alle landgoederen. De eigendom zal als volgt worden verdeeld: Sövdeborg, Ugerup en Barnarp in Skåne voor Brita Barnekow en – na haar overlijden – Johan August jr; Nehringen in Pommeren en Gammel Kjøgegård op het Deense eiland Sjæland voor Carl Fredrik jr; Medrow in Pommeren en Näsby boven Stockholm voor Johan August jr. In het testament staan allerlei compensaties en renten, die de erfgenamen elkaar moeten betalen, met name aan hun zuster gravin Anna Catharina Meijerfeldt.

De stoeterij van Nehringen is beroemd geworden om de magnifieke paarden die daar worden gefokt. De oude graaf blijft zijn band met het koninklijk huis benadrukken. Hij is in het jaar 1743 zeer voldaan over de vrede met Rusland.

Johan August sr is ook tevreden met de keuze voor Adolf Frederik van Holstein als toekomstige koning van Zweden. Deze reist via Stralsund naar zijn nieuwe vaderland. Hij overnacht op 20 september 1743 op Löbnitz, het landgoed van baron Schwerin, de commandant van Stralsund. Daar voegt de gouverneur-generaal zich met zijn regering bij hem en een imposante stoet gaat richting Stralsund: een Moorse trompetter voorop, dan in blauw geklede kooplieden, vervolgens de regenten afgesloten door graaf Meijerfeldt en tenslotte de koninklijke garde met de kroonprins en diens broer ieder in een rijtuig met zes paarden. In Stralsund verdringen de soldaten en burgers zich langs de kant en vanaf de drie kerktorenspitsen klinkt trompetgeschal, alsook kanon- en geweervuur buiten de stad. Na een week in Meijerfeldt’s paleis en uitvoerige inspecties en rondgangen zet de kroonprins en hij zich op 27 september op weg naar Rügen voor de oversteek naar Karlskrona. (1)

Nadat de kroonprins Lovisa Ulri­ka van Pruisen tot zijn vrouw kiest, reist ook zij via Stralsund naar haar nieuwe vaderland. Zij verblijft van 31 juli tot 6 augustus 1744 in Meijerfeldt’s paleis. De graaf is zo slecht ter been, dat zijn vrouw Brita Barnekow de koninklijke gasten steeds in haar suite ontvangt. Hij is bovendien doof geworden, want tijdens een diner op slot Karlsburg (Gnatzkov) stelt de prinses hem allerlei vragen over zijn avonturen met Karel XII, maar antwoordt hij op geheel andere vragen. Zijn vrouw beschermt hem met overgave tegen afgunstige kritiek: Sie zwang die Tadler Ihren Greis zu verehren, und zerstörte also die schädliche Rotte. (2)

Sterk verzwakt legt graaf Johan August Meijerfeldt sr rond de jaarwisseling van 1747 op 1748 al zijn ambten neer. Hij is dan meer dan 30 jaar Rijksraad geweest. Vanwege zijn afkomst uit Lijfland zou hij nooit Senator of Koningsraad hebben kunnen worden. (3) Hij trekt zich terug in Zweden op Sövdeborg. Op grond van zijn 84-jarige leeftijd bedankt hij bovendien voor de hem aangeboden nieuwe Serafimer Orde, maar de oud-strijders van Karel XII hebben bovendien weinig op met onderscheidingen. (4)

’s Gravenhaegsche Courant 15 januari 1748

In 1749 bezoekt Linnaeus – de beroemde Zweedse plantkundige en arts, die geruime tijd in de Nederlanden had gewerkt – de graaf in diens kasteel Sövdeborg: (5)

Graaf Meijerfeldt, rijksraad en gouverneur-generaal, heeft zich hier gevestigd, nadat hij zich door deugd, vlijt, verstand, dapperheid tot de hoogste ereplaatsen had opgewerkt, nadat hij koning Karel XII in legertochten was gevolgd, nadat hij vele jaren Pommeren had bestuurd, en nadat hij nu uiteindelijk alle hoge krijgsheren in leeftijd en leven overtreft, omdat hij hier zijn resterende dagen wil slijten; hij had nog immer een flinke buik en redelijke gezondheid, ondanks het door de hoge ouderdom verzwakte gebeente, uitspraak en zenuwen, maar overleed niet lang daarna.

Carl Fredrik jr en Johan August jr nemen enige jaren niet aan oorlogshandelingen deel. Carl Fredrik wordt in 1747 kapitein bij het regiment van Cronhiort en  drie jaar later daarin majoor. Volgens zijn stamboek klopt dat laatste niet, maar ruilt hij als compagniechef met majoor Ferdinand Ernst Carnall in het regiment van Baron von Schwerin. (6)

Na een langdurige ziekte geeft graaf Johan August Meijerfeldt sr op 9 november 1749 de strijd op. Hij overlijdt in zijn kasteel Sövdeborg. Zijn lichaam wordt twee dagen later opgebaard in de kerk van Sövde en daarna verscheept naar Ystad op 23 november. Brita Barnekow neemt dan de leiding over de organisatie van een grootse begrafenis. Bijna een jaar later, op 19 oktober 1750, vindt er een processie plaats in Stralsund en een dag later de begrafenisplechtigheid in de kapel van Nehringen, waar het lichaam in het verfraaide familiegraf wordt bijgezet. (7) Ter nagedachtenis aan haar man schenkt zijn weduwe een zilveren kan aan de dorpskerk van Täby bij Näsby en laat zij in 1770 de grote klok van Sövde omgieten.

 

1. C. Tersmeden, “Admiral Carl Tersmedens Memoarer”, Stockholm 1915, deel III, pag. 199. S. Leijonhufvud, “Omkring Carl Gustaf Tessin”, Stockholm 1918, deel II, pag. 7.
2. Ranft, pag. 337-338.
3. Waerelt, dialoog Patkul-Görtz, december 1723, pag. 681.
4. C.F. Meijerfeldt, pag. 18-19. B. von Beskow, “Karl den Tolfte. En Minnesbild”, Stockhom 1868, deel 1, pag. 276-278.

5. C. von Linné, “Carl Linnaei Skånska resa”, Stockholm 1999, pag. 302. M. Stenbock, “Bref till Carl”, KKD XII, Lund 1918, pag. 280, voetnoot.
6. O. Bäckström, “Officier-, Stamm- und Rangliste des Pommerschen Fühlier-Regiments Nr. 34, 1720-1820”, Berlin 1895, blz. 71.

7. Evangelisches Pfarrambt Glewitz, Kirchebuch Nehringen 1682-1792. [DD/GA/3]. C.F. Meijerfeldt, pag. 19.