1.2.3. Drie jonge officieren

Anders Meijerfeldt is vijf jaar in militair geweest. Alle drie zijn zoons doen er een schepje bovenop en kiezen vanaf het begin voor een militaire carrière bij de landmacht. Zij moeten als vrijwilliger onderaan de ladder beginnen, maar hun  adellijke positie verzekert hen vanaf het begin van een officiersrang. Aangezien hun adel een Zweedse is, treden zij in dienst van koning Karel XI, de enige mogelijkheid om militair hogerop te komen.

In het Zweedse leger dient elke provincie zijn eigen regiment op te brengen. De Baltische provincies brengen gezamenlijk het regiment Österbotten (= oostelijke golf) op de been. Daarnaast blijven de oude persoonsgebonden regimenten in stand, zoals het regiment van de Gouverneur van Riga. Carl Fredrik Meijerfeldt treedt in 1680, op 18-jarige leeftijd, als vaandrig tot laatstbedoeld regiment toe. Zijn broer Johan August treedt in 1684 in dienst bij het in Estland, Lijfland en Ingermanland geworven Baltische regiment cavalerie onder aanvoering van kolonel baron Johan Andreas von der Pahlen. In 1686 wordt hij daarin tot kornet en in 1689 tot luitenant bevorderd. Het is niet bekend wanneer de derde broer Wolmar Johan in Zweedse dienst treedt; pas in 1694 wordt hij voor het eerst genoemd, maar dan al in de rang van luitenant, zonder vermelding van zijn regiment (M. Ranft, “Die Merkwürdige Lebensgeschichte derer vier berümten Schwedischen Feldmarschalle, Grafen Rehnschild, Steenbock, Meyerfeld und Dücker”, Leipzig 1753, pag. 279).