1.1.2. Baltische herkomst

De oudste vermelding van het geslacht Meijerfeldt in de Zweedse wapenboeken is van Erich Kiellberg in 1734. Het wapen staat afgebeeld. Nieuw is de voornaam van de geadelde Meijerfeldt: Hendrich. (1)

Anders Antonius von Stiernman herhaalt in zijn adelsboek van 1754 de voornaam Henric, maar komt ook met nieuws:

Öfwerste Lieutenanten och Öfwerste Inspectoren uti Estland, Hinric Mejerfelt, som blef adlad 1674. d. 24 Nov. kallad fårut Mejer, war barnfödd i Lifland och hade till Fru Catharina Mårtens Dotter Wulf.

De ouders van Meijerfeldt komen dus uit Lijfland, het huidige Zuid-Estland en Noord-Letland. (2) Naast de inheemse bevolking wonen daar Russische, Poolse, Deense, Duitse en Zweedse immigranten. De naam Meijer duidt vooral op de laatste twee.

Honderd jaar later – in 1769 – komt de Duitse leraar in Riga Johann Christoph Brotze met een handgeschreven genealogie. Daar staat als voornaam aan Andreas (volgens andere berichten Hinrich). Zijn vrouw Catharina Wulff was eerder getrouwd met Herman Rötelsdorf. (3)

De daarna uitkomende Zweedse adelsboeken nemen de voornaam Andreas nog een eeuw niet over. In 1861 komt een groot nieuw  adelsboek uit van Gabriel Anrep, die eindelijk de overstap naar de voornaam Anders maakt. Hij komt bovendien met een hele reeks van vader op zoon in de Baltische gebieden, die in 1510 begint. Er wordt een oorspronkelijk wapen beschreven: een zilveren sikkel in een azuren veld.  Dit symbool komt terug in de bovenste helft van het wapen van Hendrich of Anders Meijerfeldt. Vanaf nu heet de Zweedse fami­lie in de wapenboeken ‘van oeroude adel’. (4)

In de navolgende paragrafen wordt de Lijflandse reeks van vader op zoon behandeld en verder onderzocht. Nu volgt eerst een algemene paragraaf over de Baltische geschiedenis tot 1510. Daartoe geven de naam Meijer en de aangetrouwde familienamen alle aanleiding.

 

1. E. Kiellberg, “Sweriges Ridderskaps och Adels Wapnebok”, Stockholm 1734.
2. A.A. von Stiernman, “Matrikel öfver Swea Rikes Ridderskaps och Adel”, Stockholm 1754, deel I, pag. 44-45.
3. J.C. Brotze, “Sammlung verschiedner Liefländischer Monumente”, Riga 1671, deel 1, helft 2, pag. 163v en deel 3, pag. 237v.
4. G. Anrep, “Svenska Adels Ätters-taflor”, Stockholm 1861, pag. 888-889. In diens navolding C.A. Klingspor, “Sveriges Rid­derskaps och Adels Vapen­bok”, 1886, G. Elgen­stierna, “Den introducerade svenska adelns ättertavlor”, 1930, deel V, pag. 226-227 en Hans Gillingstam in Göran Nilzén, “Svenskt Biografiskt Lexikon”, 1986, pag. 470) De laatste meent dat de reeks van vader op zoon niet van Anrep maar van de eerdergenoemde Stiernman, “Svecia illus­tris”, X 18 Universiteitsbiblio­theek Uppsala. Stiern­man noch Anrep hebben bronvermeldingen.