1.1.3. Baltische landadel

Voordat hij in de Zweedse adelstand verheven wordt is Anders Meijer al van adel, meer precies van Baltische landadel. Dat blijkt niet uit de adelsbrief, maar uit de nagelaten handschriften, genoemd in de vorige paragraaf. Deze vermelden een stamvader al in 1480. (1)

Dat de eerste Meijer van adel is volgt uit de volgende drie aantekeningen :
herre: In de vijftiende en zestiende eeuw is dit een adellijke titel. 
til Babbús of Búbbús: Hiermee wordt niet de geboorte- of woonplaats bedoeld, maar een landgoed verkregen van een leenheer. Dat is de kern van de oeradel. In Lijfland lag in die tijd een adellijke landgoed Babbusch.
förde i vapn en hvit skära i blått fält. Een witte sikkel in een blauw veld staat ook in de bovenste helft van het Zweedse wapen dat in 1674 aan Meijerfeldt werd verleend.

De reeks van vader op zoon met hun uit Duits-Baltische vazalgeslachten stammende echtgenotes luidt als volgt:

Johan Meijer van Bubbus
k
asteelheer Riga, leeft 1480 en 1510

Gertrud Farensbach
Wolmar Meijer
s
tadhouder Wenden 1520-1532
Agnes von Tiesenhausen
van Odense
Henric Meijer
r
itmeester Lijflandse adelscavalerie en landrechter 1560-1562
Magdalena Wrangel
van Ellistfer
Wolmar Meijer
stadhouder Padis 1592-1599

Margaretha Bremen
van Engdes
Johan Meijer
van Festen
s
lothoofdman Fellin 1620
Dorothea Taube
van Fyr
Anders Meijer
van Festen
ingenieur 1654, overste
hoofdinspecteur Oberpalen 1662
Anna Catharina Wolffenskiöld

Deze reeks van vader op zoon in de Baltische gebieden blijft in het archief van de Universiteit van Uppsala verborgen, totdat de auteur van het grote adelsboek van 1861 de handschriften vindt en publiceert. (2)

Een volgend wapenboek gaat nog een stap verder en noemt de Meijerfeldts van oeradel en genaturaliseerd. De eerste term betekent dat er een akte of leenbrief was (waarop soms een renversaal retour volgde) waarin een belening letterlijk werd bezegeld. In de Duitse context is het geslacht dan van vóór 1350 (volgens de Almanach de Gotha), in de Zweedse zelfs van vóór 1280 (Alsnö Handvest). Op beide lijsten komen de Meijers niet voor. Zij behoorden dus tot de – lagere – landadel, die een leenbrief verwierven, in dit geval van een Orderidder. Voor de Zweden waren de Meijers dan van buitenlandse adel en moest naturalisatie plaatsvinden. (3)

In 1887 bevestigt een lijvig werk over het geslacht Wrangel dat Magdalena met Henric Meijer getrouwd was. Er staat een jaar bij: 1562. De voornaam van de vader is hier Christoph en bij Von Stiernman Wolmar, de moeder is dezelfde persoon. (4) 

In enkele meerdelige boeken in de twintigste eeuw blijft de reeks van vader op zoon staan. De belangrijkste van deze boeken noemt de Stockholmse Ridderhuisgenealogie over Wolffensköld – die op Von Stiernman gebaseerd is – ytterst felaktig och ofullständig (extreem incorrect en onvolledig). Op basis van de gegevens van het Ridderhuis van Riga wordt het goede plaatje geschetst.  (5) Von Stiernman had met zijn Matrikel familietwisten moeten oplossen en werd daardoor wel als lögnare en utrolig  neergezet. (6)

In een nieuwe grote lexicon uit 1986 wordt de reeks Meijers vanaf 1480 verlaten en start het Zweedse geslacht pas weer bij Anders. Als reden wordt gegeven dat diens voorvaderen niet in geschriften uit die tijd kunnen worden teruggevonden. (7) Deze auteur is ook kritisch op een Duitse bron. 

Hoe onbetrouwbaar en onvolledig Von Stiernman ook geweest moge zijn, het schrappen van zijn reeks Meijers gaat te ver:
– Waarom zouden de jonge graven Meijerfeldt de opvallende leemte in het Matrikelboek van 1754-1755 met Baltische adellijke voorouders laten opvullen, als dit nog een eeuw ongepubliceerd bleef?
– Het Wrangelboek waarin Henric Meijer uit 1562 wordt gelinkt aan de Meijerfeldts is wel op oorspronkelijke bronnen gebaseerd.
– Het is onduidelijk hoe grondig de auteur van de lexicon uit 1986 gezocht geeft.

 


1. A.A. von Stiernman, Svecia Illustris, 27 handgeschreven delen in folio formaat met genealogische tabellen en biografische opgaven over de adel, Uppsala Universitetsbibliotek, X 18, M, 4 bladen.
2
. G. Anrep, “Svenska Adels Ätters-taflor”, Stockholm 1861, pag. 888-889.
3. C.A. Klingspor, “Sveriges Rid­derskaps och Adels Vapen­bok”, Stockholm 1886.
4. H. von Baensch, “Geschiechte der Familie Von Wrangel vom Jahre Zwölfhundertfünfzig bis auf die Gegenwart”, Berlin/Dresden 1887.
5. G. Elgen­stierna, “Den introducerade svenska adelns ättertavlor”, Stockholm 1930, deel V, pag. 226-227.
6. L. Lindholm, lemma in “Svenska Biografiskt Lexikon”, Stockholm. Critici van Von Stiernman waren collega’s Daniël Tilas en Jacob Langebek.

7. H. Gillingstam, lemma in “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, pag. 470. Von Stiernman leefde in 1724 in Riga en deed daar onderzoek in de archieven, maar benoemt zijn bronnen niet.