Ze. Wolmar Johan

In de negentiende eeuw ontstaat in Zweden belangstelling voor de nooit uitbetaalde erfenis van graaf Wolmar Johan Meijerfeldt. Deze kwestie staat in Zweden en Finland bekend als “de Meijerfeldtse miljoenen”. In het onder­staande wordt de zaak uit de doeken gedaan.

Het door Wolmar in 1739 nagelaten vermogen bestaat ondermeer uit uitstaande leningen, vorderingen in Lijfland, baar geld in zijn huis (5.286 gulden) en zijn achterstallige gage (3.763 gulden). Veruit het be­langrijkste gedeelte wordt gevormd door enkele jaren voor zijn dood afgesloten leningen aan het Weense Hof.

Op 23 april 1736 leent Wolmar 70.000 Rijnlandse guldens aan de Duitse keizer Karel VI ter dekking van de oorlogsverplichtingen. Het is niet helemaal uitgesloten dat de keizer zijn 9 jaar achterstallige soldij omzet in deze lening. Tegen zekerheid van de Silezische domeinop­brengsten in het algemeen en die van het domeingoed Strehlen (Stre­zelin, 44 km. ten zuiden van Breslau) in het bijzonder, zou het bedrag uiterlijk 1 mei 1742 worden terugbetaald, exclusief zes procent rente per jaar. (4)

Op 10 september 1736 leent hij onder dezelfde condities nog eens 15.000 Rijnlandse guldens tot 1 november 1742 aan de Duitse kei­zer. Er bestaan twee schuldbrieven van dit bedrag, zodat het mogelijk is dat het totaal om 30.000 gulden gaat. (5) Op 7 en 26 januari 1739 wordt hieraan nog eens 15.000 gulden toegevoegd. (6) Tegen deze achtergrond lijkt nog relevant aan te halen dat Wolmar drie jaar vóór deze lening in Wenen nog tot generaal-majoor wordt bevorderd, maar aan zijn verzoek om te velde te worden ingezet wordt geen gehoor gegeven vanwege zijn 66-jarige leeftijd.

Georg Christoph Haffner, die door Johan August sr op 25 mei 1739 als diens gemachtigde is aangewezen, dient op 28 juli een ver­zoek tot vrijgave van de erfenis in bij de Hofkammer (een soort Minis­terie van Financiën van de Neder-Oostenrijkse regering). De Hofkammer beslist op 10 augustus als volgt: Von des Herrn Grafen Vollmayr von Mayrsfeld ausständiger Obristengage und anderer bei dem Aerario haftenden Geldern, ist den Erben nicht auszuzahlen bis nicht die Abfahtsgelden bezahlt sind. (7)

In november werd de erfenis vrijgegeven, nadat een bedrag van 5.500 gulden aan belasting op gelduitvoer is betaald. Daarna volgde een lange strijd om teruggave van de lening van 100.000 gulden. In 1740 overlijdt de keizer en breken de Oostenrijkse Successieoorlogen uit. De Eerste Silezische Oorlog verhindert de uitbetaling van schulden. In het vredestractaat van Breslau uit 1743 wordt evenwel een artikel opgenomen, dat Pruisen verplicht alle in de domeinen niet uitbetaalde schulden over te nemen. Noch dit artikel, noch de militaire dienst die Johan August jr in de periode 1745-1748 onder de Duitse keizer vervult, brengen schot in de zaak.

Na het overlijden van Johan August sr in 1749 doen zijn weduwe en drie kinderen een nieuwe poging via gevolmachtigde graaf Von Barck, die hiertoe op 19 april 1754 opdracht krijgt. (8) Een jaar later dient deze graaf de claim in, welke op 1 juni 1755 in behandeling wordt genomen. (9) Blijkbaar komt daar niets uit, want 40 jaar later neemt Johan August jr nog in zijn testament op, dat hij een erfenis van 200.500 rijksdaalder Friedrich d’Or van het Weense Hof tegoed heeft. Daarna stuurt hij zijn vertegenwoordiger PommerEsche nog naar We­nen voor een rechtszaak of schikking. Bij de erfstukken bevindt zich een brief gedateerd 18 juni 1796 afkomstig van S. Silferstolpe, waarin staat dat de agent Stahl een proces in Wenen voorbereidt om van de inhoud van de obligaties te vernemen en de bewaring in het Zweedse Gezant­schap te eisen.

Na de dood van Johan August jr. doet zich in 1814 een nieuwe ontwikkeling voor. De Oostenrijkse regering tracht de schuld op Pruisen af te wentelen op grond van de eerdergenoemde Vrede van Breslau. Pruisen erkent zijn betalingsver­plichting, echter voor zover schuldvorderingen legitiem kunnen worden bewezen. Ten aanzien van dat bewijs blijven de erfgenamen van Johan August jr in gebreke. (10) Bij een latere poging stelt de Oostenrijkse regering voor samen met Pruisen een gerechtelijk onderzoek te laten verrichten, maar het komt niet eens tot de benoeming van commissiele­den.

Tussen 1828 en 1857 onderneemt de familie Barnekow nog nieuwe pogingen, onder andere in 1834 via de Zweedse gezant in Wenen, graaf Löwenhielm. De Finse Kamerheer Von Knorring, wiens vrouw een achterkleindochter van Brita is, reist in 1838 naar Wenen om van de bekende Oostenrijkse kanselier Von Metternich te vernemen dat de vordering van de erfgenamen weliswaar niet bestreden wordt, maar dat het onderpand (door het verlies van Strehlen aan Pruisen) nu bestaat uit 100.000 bajonetten. In 1841 vordert de Finse graaf Boije, ambassadeur voor Rusland, de gehele schuld op als één van de erfgenamen van graaf Meijerfeldt. Het gezag van zijn functie zou de Oostenrijkers tot mede­werking hebben bewogen, doch het plan zou zijn mislukt, omdat het Zweedse Gezantschap de onder hem berustende schuldbekentenissen van Keizer Karel VI zou hebben verduisterd.(11) Uit een brief uit 1847 van Von Metternich aan de Zweedse buitengewoon gezant Hochschild blijkt dat de Weense regering gewoon volhardde in haar standpunt, met de stelling dat er nooit een hypotheek op Strehlen gevestigd is, dat het recht van het koninkrijk Pruisen daarop overigens van toepassing is, dat Keizer Karel VI in zijn publieke functie handelend geen persoonlijke verbintenis is aangegaan en dat er geen melding van is gedaan bij de – door hem zelf geregelde – overdracht van Silezië aan Pruisen in 1821.(12)

Later verneemt de Zweedse ambassadeur Sparre nog dat keizer Franz Josef wel bereid zou zijn de vordering te erkennen en de helft daarvan aan de Finse erfgenamen uit te betalen. Eind januari 1857 regelt Von Knorring (Boije was 3 jaar eerder overleden) de instemming van de erfgenamen met dat compromis via de Russische ambassadeur Korshakov.(10) Of de Meijerfeldtse miljoenen – uitgaande van rente op rente gedurende meer dan 250 jaar – daardoor zijn uitbetaald blijkt echter nergens uit.

1. Riksarkivet Stockholm, Svea Hovrätts Huvudarkivet, EX:5: Testamente för Johan August Meijerfeldt, litt F [DZ/RD/7].
2. Testament, excutie [DZ/RD/1].
3. C.C. Bonde, “Hedvig Elisabeth Carlottas Dagbok”, Stockholm 1908, deel VII, pag.
4. Österreichisches Staatssarchiv, Haus-, Hof- und Staatsarchiv, Staatskanzlei, Schweden Korrespondenz, Konvolut Notenwechsel 1755 (Karton – neu – 52)[DO/HS/11].
5. Idem [DO/HS/12-13].
6. Österreichisches Staatsarchiv, Finanz- und Hofkammerarchiv, Kameralzahlamts­buch 1739 folio 43v. Assignationsbuch 1739 roi. 176v, Hoffinanz-Protokoll E folio 171 [DO/FK/1].
7. Österreichisches Staatsarchiv, Finanz- und Hofkammerarchiv, Gedenkbuch 270, folio 245v en 409 en Assignationsbuch 1739, folio 340 en 1740, folio 110, 228 en 348 [DO/FK/1-2].
8. A. Barnekow, “Anreckningar om släkten Barnekow”, Kristianstad 1908, pag. 61 e.v.
9. Riksarkivet Stockholm, Biographica M 8 b [DZ/RB/1].
7. Österreichisches Staatsarchiv, Haus-, Hof- und Staatsarchiv, etc. etc. [CH/67].
10. Barnekow, pag. 61 e.v.
11. Deze brief bevindt zich in het in 1858 ontzegelde dossier van Johan August jr. (zie blz. 97, noot 159) en is er toen vermoedelijk aan toegevoegd. Helsinki University Library, Manuscripts, Coll. 144.2. Brieven van Anna Alakallaanvaara, Helsinki University Library, Helsinki 15 april 1998 [CH/306].
12. Helsingfors Tidningar 18 februari 1857, pag. 3.