Zl. Meyerfeldtsches Palais

Op 1 augustus 1726 legt de gouverneur-generaal over Zweeds-Pommeren Johan August Meijerfeldt sr de eerste steen voor zijn residentie. Het gebouw wordt daarom wel het Meijerfeldtska Palatset of het Meyerfeldtsches Palais genoemd, maar het staat ook bekend als Regierungspalais. Omdat Oost-Pommeren na de Grote Noordse Oorlog aan Pruisen toe was gevallen, was de zetel van de gouverneur-generaal van Zweeds- Pommeren van Stettin naar Stralsund verschoven. Er moest dus een nieuw overheidsgebouw komen, maar eigenlijk was daar geen geld voor. Daarom besluit Meijerfeldt uit eigen zak een buitengewoon paleis neer te zetten, dat in Zweeds-Pommeren eigenlijk het enige representatieve overheidsgebouw wordt en al die tijd zal blijven.

IMG_0356

Het paleis op een kopergravure of lithografie uit 1850

Als bouwlocatie wordt een leeg gebied gekozen, waar vier puntgevelhuizen hadden gestaan die in 1678 tijdens de belegering van Stralsund door Brandenburg in brand waren geschoten en sindsdien niet waren herbouwd. Schuin aan de overkant was in 1700 een ander fraai gebouw neergezet door Rotermund – het latere Landständehaus – op de plaats van drie andere verwoeste huizen. Beide gebouwen vormden met de naastliggende gebouwen de vrij smalle (10 meter) Badenstraße. Het plein op bovenstaande lithografie is dus een fictie. De grote dubbele trappen vóór de ingang werden dan ook in 1835 op last van de gemeente verwijderd vanwege het ruimtegebrek op straat.

Het gebouw wordt volgens het ontwerp van Cornelius Loos gebouwd, een Zweedse genieofficier, die dan met de vernieuwing van de vestingswerken van Stralsund bezig is. Meijerfeldt kent hem nog uit Bender, van waaruit hij een rondreis langs de architectonische hoogstandjes van het Turkse rijk had mogen maken. De is geheel in barokke stijl met Mansardwalmdak opgetrokken. Het u-vormige complex met de vleugels naar achteren is in lijn met de laatste Zweedse overheidsgebouwen. De inrichting is voor die tijd exceptioneel luxueus, omdat – naast de privéverblijven van de familie – ruimte is gemaakt voor een brouwerij met bierkelders, een bakkerij en konditorei en een stoombadhuis. In totaal 49 ruimtes zijn op de begane grond, het souterrain en de verdieping ingedeeld.

In 1730 trekt de gouverneur-generaal met zijn gezin in zijn residentie. In de zomer van 1743 brengt kroonprins Adolf Frederik een bezoek aan Stralsund en van 31 juli tot 6 augustus 1744 verblijft hij met diens vrouw Lovisa Ulri­ka in Meijerfeldt’s paleis. De graaf is zo slecht ter been, dat zijn vrouw Brita Barnekow de koninklijke gasten steeds in haar suite ontvangt. Rond de jaarwisseling 1748-1749 legt de graaf zijn ambt neer.

Het gebouw blijft dan privébezit, want is immers helemaal door de oude graaf zelf betaald. Het ligt echter voor de hand dat de nieuwe gouverneur-generaal het ook als zijn residentie gaat kiezen, maar diens benoeming blijft nog even uit. Brita Barnekow verkoopt het paleis uiteindelijk in 1757 aan de Zweedse Kroon voor het voor die tijd erg lage bedrag van 33.000 rijksdaalder. De gravin koopt het Rotermundhaus twee jaar later van regierungsrat Von Bohlen. Het blijft tot 1802 in familiehanden en wordt dan voor 12.300 thaler aan Von Platen verkocht.

In het Meyerfeldtsches Palais blijft de Zweedse regering dus zetelen. In 1797 gaat de Prinses van Baden vanuit het paleis naar de St. Nikolaikerk waar zij met de handschoen trouwt met de Zweedse koning Gustaaf IV Adolf. In 1815 wordt het gebouw aan Pruisen overgedragen. Daarna vervult het veel functies. Op 6 oktober 1944 bombarderen de geallieerden in de Tweede Wereldoorlog de marinehaven van Stralsund en daarbij loopt het gebouw zware schade op. Na herstelwerkzaamheden die de binnenkant geheel veranderen wordt het een overheidsgebouw en dat is het – na een grondige opknapbeurt in 2004-2005 tot op de dag van vandaag gebleven.

IMG_0357

Regierungspalais, Badenstraße 17

 

1. W. Buchholtz, “Öffentliche Finanzen und Finanzverwaltung im entwickelten frühmodernen Staat, Landesherr und Landstände in Schwedisch-Pommern 1720-1806”, Veröffentlichungen der Historischen Kommission för Pommern, V 25, Keulen 1992, pag. 436.