1.1.5. Duitse herkomst

Naast de Baltische herkomst wordt afkomst uit Duitse gebieden genoemd. Die wordt hier behandeld.

Westfalen en Lübeck

Het oudste Duitse wapenboek is van Gauhe en dateert uit 1747. (1) Daar staat over de afstamming:

Meyerfeld, Mayerfeld. Von dieser hochansehnlichen adelichen und izo gräf­li­chen Familie in Westphalen, Liefland u. Schweden findet man, dass sie sich ehe­mals Lin­gen von Meyer­feld genen­net. Ob Lingen der Stamm-Nahme sey, und sie etwa vor alters von dem adelichen Patri­cien-Ge­schlecht zu Lübeck von Lingen, allwo es noch flo­riert, abge­stam­met sey, kön­nen wir nicht bejahen (…). Der erste den wir anführen können, ist Dietrich Hermann von Meyerfeld, Chur-Cöllnischer geheimder Rath und An. 1646 gevollmächtigter Gesandter auf dem Friedens-Congress zu Münster. (…).

De auteur vermeldt onder zijn tekst “Memoi­res”, waarmee hij lijkt te bedoelen dat hij niet uit originele bronnen of eerdere wapenboeken put, maar rechtstreeks uit zijn geheugen. Dat de betrouwbaarheid daar ernstige hinder van ondervindt blijkt uit het volgende. 

Gauhe twijfelt zelf al, maar een familienaam Lingen von Meyerfeld vóór 1646 is lastig te verenigen met de naam Meijer tussen 1480 en 1674. De familie zou de naam komend vanuit Lübeck in de Baltische gebieden moeten hebben verkort tot Meijer. Het zou de oorspronkelijk adel overigens wel verklaren.

De adelsboeken daarna nemen Gauhe zonder discussie over. (2) Honderd jaar later komt een Pruissische adelslexicon er achter dat het wapen van Diet­rich Hermann von Meyer­feld een geheel andere is dan dat van het Zweed­se geslacht. (3) Eigen onderzoek levert ook nog eens op dat de familienaam van Dietrich Her­mann anders luidt, namelijk Von Meerfeld. Lingen en Lübeck zijn met hem verbonden, dus is verder onderzoek hier niet meer nodig. Dat de Baltische Meijers ooit uit Westfalen zijn gekomen is overigens niet uit te sluiten.

Belgard

In een andere bron wordt herkomst uit de stad Belgard genoemd. (4)

Friedrich Meyer 1642 – 1686, ein Belgarder. Sein Vater war der Senator und Kämmerer Andreas Meyer, sein Großvater der unter 4. genannte Jakob Meyer. Er starb im Alter von 84 Jahren. Sein Bruder war in Schweden geadelt worden und von ihm stammen die Grafen von Meyerfeld ab.

Uit deze bron ontstaat de volgende reeks:
Jakob MEYER, 1556-1606 diaken en 1606-1608 pastor Marien Kirche Belgard, zoon:
1. Andreas, 1570 Stadtkämmerer (wethouder) Belgard, 1597 Senator Belgard, overleden vóór 1645 als weduwe  in tweede kwartier Belgard woont, twee zoons:
11. Friedrich, † 84 jaar oud, 1642–1686 pastor Marien Kirche van Belgard, tijdens zijn pastorschap grote kerkbrand in 1667.
12. (Andreas), eerste van het Zweedse geslacht.

Marien oder Pfarr Kirche
Marien oder Pfarr Kirche

Belgard (Białogard) ligt dicht bij de Oostzee. De stad ligt ten oosten van Stettin in Achter-Pommeren. Van 1181 tot 1637 vormen Voor- en Achter-Pommeren één hertogdom dat een rode griffioen in een wit veld als wapen voert (het hertogdom Lijfland voert ook een griffioen, maar dan een witte in een rood veld). In de stadswapens van Belgard en Stralsund is deze terug te vinden. Ook in latere familiewapens van de Meijerfeldts staat de rode griffioen. De Vrede van Westfalen van 1648 brengt Voor-Pommeren in Zweedse handen en Achter-Pommeren in die van Brandenburg. De inwoners van Voor-Pommeren zijn hierdoor tegelijk Pommers, Zweeds en Duits (Heilige Roomse Rijk), die van Achter-Pommeren zijn Pommers, Brandenburgs en Duits. Tijdens de Zweeds-Poolse Oorlog (1655-1660) kiest Brandenburg aanvankelijk de Zweedse zijde en zo is het mogelijk dat Andreas Meijer in die tijd in Zweedse dienst treedt, maar hij moet al eerder in dienst van de Zweedse gouverneur-generaal Carl Gustaf Wrangel hebben gestaan omdat hij zijn halfbroers naar de universiteit mag begeleiden. De Zweedse Meijerfeldts hebben zelf Brandenburg genoemd als gebied van oorsprong van de familie, wat met Belgard overeen kan stemmen. (5)

In woord en geschrift

Zweedse tijdgenoten beschouwen de Meijerfeldts ook als immigranten: Lijflanders of Duitsers. (6) Militaire bevelhebbers houden rekening met hun oriëntatie op Duitsland, want de eerste graaf krijgt het commando over een Duits bataljon en bestuursfuncties op het Duitse vasteland, terwijl aan de laatste graaf expliciet vanwege zijn “Duitse spraak­zaamheid” een diploma­tieke mis­sie naar de Hertog van Brunswijk wordt toevertrouwd. (7) Ook bij hun huwelijken wordt steeds hun spraakzaamheid als verzachtende omstandigheid van het leeftijdverschil en uiterlijk vermeld.

De Meijerfeldts zelf lijken zich eveneens als Duitsers te hebben gezien. Het Hoogduits in Midden-Europa is dan geen onge­brui­ke­lijke voertaal, maar het is toch opvallend dat zij het Duits – getuige hun onderlin­ge cor­respondentie – al die tijd als onderlinge ­taal gebruiken, met een korte Franse onderbreking onder Gustaaf III. Ook hun voorkeur voor landgoederen op het Duitse continent (Pommeren) en daar veel te verblijven boven die in Scandinavië getuigt hiervan. Zelfs zou hieraan kunnen worden toegevoegd de pleidooien van Johan August sr om in 1710 prioriteit te geven aan de herovering van Lijfland op de Russen en om in 1716 en 1718 geen campagne te voeren naar Noorwegen maar naar Noord-Duitsland.

 

1. J.F. Gauhe, “Des Heil. Röm. Reichs Genea­logisch-Histo­rischen Adels-Lexici” Leipzig 1747, deel 2, pag. 727-728, L. von Ledebur,  “Adelslexicon der Preussischen Monar­chie”, Berlijn 1855, deel 2, pag. 103, gecorrigeerd in deel 3, Nachtrag, pag. 310.
2. M. Ranft, “Die Merkwürdigen Lebensgeschichte derer vier berümten Schwedischen Feldmarschalle, Grafen Rehnschild, Steenbock, Meyerfeld und Dücker”, deel III. Leben und Thaten des Feld-Marschalls Graf Meyerfeld” , Leipzig 1753, pag. 279 e.v, spreekt van een afgesloten geslacht uit Westfalen en Neder-Saksen (grenzend aan de Nederlandse noordelijke provincies).
3. L. von Ledebur, “Adelslexicon der Preussischen Monarchie”, Berlin 1855.

4
.
D. Schimmelpfennig, http://www.belgard.org/Kirchenbuch/Pastoren_Belgard.htm.
5. Buchholz en in diens navolging Kohlhaas noemen ook Brandenburg, echter zonder bronvermelding.
6.
G.M. Urndt, “Schwedische Ge­schichten unter Gustav dem Dritten”, Leipzig 1839, pag. 120-121.
7.
G.J. Ehrensvärd, “Dagbocksanteckningar förda vid Gustaf III:s Hof”, Stockholm, deel I, pag. 462-463.