3.5.5. Adellijke naamgenoten

Dieterich von Meyenfeld bezit leenrechten op de burcht Wied, een kleine 30 km van Bonn. Het gaat om Altniederwied dat aan de graven van Wied toebehoort. Hij bezit de rechten enkele aaneensluitende perioden, in elk geval vanaf 1319 en uiterlijk tot 1329.  Graaf Wilhelm I von Wied trouwt dat jaar met Agnes von Birneburg, wier vader Dieterich’s leen afkoopt en als huwelijksgift aan zijn dochter meegeeft, waardoor het leengoed (weer) in één hand valt.

In Hannover wonen rond 1500 zus en broer Adelheid en Hans von Meyenfeldt.  Van Adelheid is bekend dat zij in die stad circa 1484 huwt met Diet­rich vom Sode sr, Raads­heer en Gezworene van de stad. Zij overlijdt daar in 1505. Haar broer Hans is dan al overleden en zijn weduwe Gesche Gock­holt overlijdt dat jaar ook in Hannover. Misschien is Hans van de gilde van de schoenmakers, die in 1445 een protocol opmaakt van de discussie tussen de Raad en de oppositie over de politieke macht in de stad Hannover. (1)

In de stad Wismar treedt een notaris Von Meyenfeld op inzake mandaten van 9 en 28 juli 1745 van het Tibunal tegenover bewindvoerder Stübner. (4)

Anthon von Meijernfeldt is in 1736 tabakshande­laar en moet opboksen tegen het Pommerse monopolie van de Kramer Kompagnie. Hij is 1750 burgemeester van Damgarten, een kuststadje 40 km ten westen van Stral­sund. (2) Johann von Meyenfeld is in 1784 boekhouder bij het Tabaksbestuur in Dam­garten, in 1796, 1801 en 1806 tweede luitenant in de Koninklijke Pruisische Armee, eerst in Erlangen in een compagnie jagers onder majoor Von Tümpling in de Ansbach-Bayreuthische Inspection onder luitenant-generaal Erfprins van Hohenlohe, daarna in Westfalen. (3) In 1809 wordt hij op verzoek afgedankt, nadat zijn regiment jagers te voet is opgeheven in verband met de Franse bezetting. Hij wordt in verband ge­bracht met bovenstaande burgermeester en met het Hessi­sche ge­slacht, en met het Amerikaanse geslacht uit Rösebeck zou ook nog kunnen.

In de bijlage staan gedetailleerde gegevens.

  1. W. Ollrog, “Niedersächsisches Geschlechterbuch”, deel 12, Limburg a/d Lahn 1971, pag. 344 en 351. Stadtarchiv Hannover B8273, Jürgens Chronik, pag. 86-92, Meyenfeld’sche Bericht (verloren gegaan boek).
  2. EvangelischesPfarrambtStralsund, St. Marien 1778/203. Stadtarchiv Wismar, Procesakten des Tribunals 1653-1803, nr. 2291 (7).
  3. O.T. von Hefner, “Stammbuch des blühenden und abge­stornbenen Adels in Deuts­chland”, Regensburg 1865, deel II, pag. 45, met verwijzing naar Von Hellbachs Adelslexicon.
  4. J.F. Gauhe, “Des Heil. Röm. Reichs Genea­logisch-Histo­rischen Adels-Lexici”, Leipzig 1747, deel II, pag. 727-728.