1.11.2. Testament van de laatste graaf

Door eigen verdiensten en strategische huwelijken heeft de familie Meijer­feldt net als de rest van de hoge adel in Zweden grootgrondbezit verkregen en binnen een beperkt aantal families geconcentreerd. Versplintering van grootgrondbezit werd ook voorkomen door uitvoerige testamenten.

Anders Meijerfeldt bezat grondgebied in Lijfland en – via zijn vrouw – een claim in de erfenis Rötelsdorff. Zijn zoon Carl Fredrik stierf in 1709 in de rang van kolonel; vermoedelijk is zijn soldij en de erfenis uit het geslacht Hastfer bij zijn weduwe gebleven. Johan August verkreeg in plaats van soldij en dankzij zijn tweede huwelijk veel landgoederen. Over het soldij van Wolmar Johan ontstond de kwestie van de Meijerfeldtse miljoenen. Na het overlijden van Johan August en zijn weduwe Brita Barnekow vallen de vele landgoederen aan de zoons Carl Fredrik jr en Johan August jr toe, met compensatie van hun zuster. 

Johan August Meijerfeldt jr en zijn vrouw Lovisa Augusta Sparre besluiten in 1795 hun testament op te maken. De burgemeester vaardigt de raadsleden Dinnies en Kühl op 10 juni 1795 naar hun woning af, waar zij ‘s middags om vier uur het echtpaar en Kamerraad PommerEsche aantreffen. In hun aanwezigheid verzegelt de graaf het testament en verzoekt het via de Raad in het Stadsarchief te deponeren Na zijn overlijden in 1800 gaat de afwikkeling van het testament met de nodige formaliteiten gepaard. De Senaat van Stralsund geeft het op 25 juni vrij, waarna de Svea Hovrätt in Stockholm op 10 september 1800 tot executie overgaat.

In het testament zegt het echtpaar van hun gezamenlijke kinderen beroofd te zijn en hun bezit onderling te willen verdelen. Lovisa Augusta Sparre wordt eige­naar van alle roerende bezittingen, krijgt het vruchtgebruik en ook het verkooprecht over het in Nehringen nieuw gebouwde landhuis en het Rotermundhuis in Stralsund, alsmede het vrucht­gebruik over de van Carl Fredrik jr geërfde landgoederen Ugerup en Nehringen. Het testament bepaalt ondermeer nog, dat er een ‘Meyer­feldtschen Armenhaus” moet worden gebouwd in Nehringen, waarin vier vrouwelijke en vier mannelijke behoeftige bejaarden gratis kost en inwo­ning zouden moeten krijgen. Ter plaatse blijkt niet hoe hieraan gevolg is gegeven, tenzij toen pas de kleine vakwerkhuizen zijn gebouwd.

Onderscheid moet worden gemaakt tussen de landgoederen en de financiële verplichtingen daaruit.  Van de schulden aan Anna Catharina Meijerfeldt leeft nog maar één erfgenaam, Claes Julius Ekeblad, de weduwnaar van Brita Horn. Haar broer Johan Gustav had de grafelijke lijn Horn afgesloten. Over de leengoederen beschikt de koning zelf: hij verkoopt Nehringen voor 80.000 rijksdaalder in 1802 aan de Duitse Landgraaf Georg Wilhelm IX, die het vervolgens voor 120.000 rijksdaalder verkoopt aan baron Philip Ludwig Schultz von Ascheraden.

In het  testament staat een bijzondere alinea 9 b).

Testamenten des Grafen von Meijerfeldt, Stralsund 10-06-1795
Testamenten des Grafen von Meijerfeldt, Stralsund 10-06-1795

Leesbaar gemaakt staat hier:

9b) soll auch Augusta Juliana Meyern, des Inspec­tors und jetzi­gen Pächters in Mec­klen­burg Tilow Ehefrau, wel­che ehemals zu Mederow ge­wohnt hat und beson­ders in ihrer zweiten Ehe mit vielen Kin­dern gesegnet ist, nach dem Tode meiner lieben Gemahlin aus meiner Verlassenschaft ein Vermächtniß von Eintausend Reichsthalern in N. 2/3tel zu 32 f. gerechtnet, ohne einigen Abzug erhalten, so dab ihrem Ehemann das Capital gegen gehörigen Sicherheit zu seiner Pächtung unzinsbar, so lange sie lebet, ausgezahlet weren, hiernächts aber wenn sie stirbet, ihren gesamten Kindern zu gleichen Theilen anheim fallen soll. Auch soll allen bei meinem Absterben in meinem Dienste wirklich stehenden Leuten das Lohn eines ganzen Jahres, auber dem schon verdienten, hindurch vermacht und nach dem Tode meiner guten Gemahlin baar aus dem Meinigen entrichtet werden.

Deze testamentaire passage bevat het volgende interessante elementen:

Augusta Juliana Meyern gehuwd Tilow…
De echtgenote van de Zweedse graaf had ook de voornaam Augusta. De tweede voornaam Juliana komt niet voor in het Zweedse geslacht. De familienamen Meyern en Tilow zijn nieuw. In de zinsconstructie is Juliana Augusta de ontvangende persoon. Dit is te controleren door de vraag te stellen “Wem soll ein vermächtniβ erhalten?” Dit leidt in de Duitse grammatica tot de Dativ of derde naamval, die een “n” toevoegt. Of haar vadersnaam eigenlijk Meyer is valt niet te zeggen, omdat in de Zweedse vertaling Meyern is blijven staan en in het navolgende haar familienaam nog vaker Meyern luidt.

Gezegd wordt dat Augusta Juliana twee keer gehuwd is geweest en vooral in haar tweede huwelijk – met Tilow dus – veel kinderen heeft gekregen.

…is naast de gravin de enige bij naam genoemde erfgenaam…
Augusta Juliana Meyern moet voor de graaf een bijzondere persoon in zijn leven zijn geweest, omdat hij haar zo openlijk noemt en veel geld geeft. De rest van de alinea maakt enige speculaties mogelijk over haar rol.

…woonde eerder op Mederow en haar man Tilow was daar inspecteur…
Met de plaats wordt ongetwijfeld het Pommerse landgoed Medrow bedoeld. Samen met het aangrenzende Nehringen behoorde het aan het geslacht Meijerfeldt toe. De graaf was tot 1761 eigenaar van Medrow en verbleef daar ook tot die tijd vanwege de Pommerse Oorlog. Bij het noemen van haar naam wordt bij Augusta Juliana precies vermeld dat haar man inspecteur op Medrow was en dat zij er woonde. Het zal ook niet zonder betekenis zijn dat het doorbetalen van één jaarloon aan al het personeel ten tijde van het overlijden van de graaf in dezelfde paragraaf 9.b wordt verordineerd. Het lijkt er op dat de graaf haar noemt en extra bedeelt vanwege bijzondere omstandigheden.

…krijgt na de dood van de gravin een netto bedrag van 1000 Rijksdaalder, of haar kinderen in gelijke delen als zij niet meer leeft.
Het bedrag is zowel voor 1795 als 1817 een aanzienlijk vermogen. Gravin Lovisa Augusta Sparre sterft op 16 september 1817. De scribent van haar Nalatenschapsbeschrijving – de net gepensioneerde Justitieraad Palmsvärd, oorspronkelijk Jan Eric Nibelius, een goede vriend van Meijerfeldt’s huisleraar Kellgren – krijgt bij de afwikkeling inderdaad een bedrag van 1000 rijksdaalder, maar het is relevant hierbij te vermelden dat de gravin in 1798 een evengroot bedrag van hem had geleend. (2)
De graaf regeert niet alleen over zijn eigen graf en dat van zijn echtgenote heen, maar ook over het graf van Augusta Juliana Meyern, omdat hij bepaalt dat haar kinderen haar erfenis ieder in gelijke delen krijgen. Het is niet gewaagd te concluderen dat hij Augusta Juliana noemt vanwege een persoonlijke relatie, maar welke?