Deel 1. HET ZWEEDSE GESLACHT

In de tijd dat de Nederlandse Republiek zich tot de wereldmachten mag rekenen, ligt het overwicht in Noord-Europa en grote delen van Midden-Europa bij het koninkrijk Zweden. In dat enorme land zelf wonen maar anderhalf miljoen mensen, merendeels eenvoudige boeren. Via de snel groeiende en opbloeiende hoofdstad Stockholm worden de belangrijke grondstoffen zilver, koper en ijzer aan de Hollandse en Engelse koopvaardij verkocht. In de zeventiende en achttiende eeuw slagen de Zweden er in de strategisch en economisch belangrijke kusten en havens bij de mondingen van vrijwel alle rivieren die in de Oostzee uitkomen bij het koninkrijk in te lijven.

De expansie is voornamelijk mogelijk doordat Zweden zonder overdrijving het beste offensieve leger van Europa heeft. De achtereenvolgende koningen zijn strategen van groot formaat – Gustaaf Adolf in de Dertigjarige Oorlog voorop – en de adellijke officieren weten door combinatie van godsdienstig fatalisme en voortdurende exercitie koelbloedige en moedige beroepssoldaten in het strijdperk te brengen. De buurstaten moeten daardoor grondgebied prijsgeven: Denemarken (Skåne en invloed in Holstein-Gottorp), Saksen en Pruisen (de havensteden Bremen, Verden, Wismar, Stralsund en Stettin (Sczcecin) – de laatste twee inclusief West-Pommeren), Polen en Moskovië (het gehele Baltische kustgebied vanaf Riga noordwaarts tot en met Finland). Zelfs grote leiders als de Russische tsaar Peter de Grote en de Pruisische koning Frederik de Grote moeten van Zweden grote verliezen incasseren.

Het lijkt er op dat grootmachten mede bloeien dankzij interne conflicten. Nederland heeft de prinsgezinden versus de staatsgezinden. Ook binnen Zweden strijden sterke vorsten met hun trouwe vazallen tegen invloedrijke edelen in de Rijksdag met wisselende kansen om de macht. Vooral de zogenaamde reductie, die koning Karel XI invoert teneinde het economisch doorslaggevende grootgrondbezit van de adel te breken, levert bittere tweespalt op.

Tot de meest vooraanstaande adellijke families in de geschiedenis van Zweden behoort het geslacht met de naam Meijerfeldt. In voor- en tegenspoed is het geslacht Meijerfeldt steeds trouw aan het koninklijke gezag. Via het slagveld verwerft het zich een plaats bij de hoge adel en geniet talrijke voorrechten aan het Hof. De kleine, vermogende familie beleeft haar opkomst en ondergang gelijktijdig met die van het koninkrijk Zweden als grote mogendheid. De geschiedenis van het Zweedse geslacht beslaat de periode 1674-1817, derhalve slechts 143 jaar. Totaal dragen maar 17 personen deze achternaam, waarvan 12 door geboorte. Van de met de naam Meijerfeldt geboren leden blijven er 7 ongehuwd en kinderloos.

In de volgende hoofdstukken wordt eerst de oorsprong van het Zweedse geslacht behandeld. Daarna volgt een chronologisch relaas van de gehele familie, dus niet ingedeeld per familielid. In de bijlagen bij dit deel wordt die systematiek wel gevolgd aan de hand van de genealogie, de portretten, de adelstand, de heraldiek, de landgoederen en de erfenissen.