De affaire Gonsalves

Gerard von Meijenfeldt (1915-1992) kreeg tweemaal nationale bekendheid ten gevolge van de affaire-Gonsalves, eerst toen de affaire zich afspeelde in 1960 en vervolgens postuum toen deze in 1994 werd opgerakeld. Hier wordt de affaire uit de doeken gedaan en hoe deze is afgewikkeld.

Eind 1959 neemt de dan 40-jarige Gerard de functie aan van procureur-generaal van Nederlands Nieuw-Guinea. Het is niet zomaar een gebiedsdeel van Nederland, maar een gebied waarvan de oppositie en de internationale gemeenschap vinden dat het ontruimd moet gaan worden. Hij wordt verondersteld vooral de Indonesische infiltratie aan te pakken en de orde en het gezag te handhaven, waarmee hij de taken van het bestuur moest ondersteunen, maar zelf rekent hij zich primair tot de onafhankelijke rechterlijke macht. Hij ziet een lage juridische moraal bij het bestuur gevoegd door angst dat misstanden naar buiten komen. Hij hekelt de illegale briefcensuur en de financiële, personele en materiële bemoeienis met zijn parket. Deze tegenstelling kent zijn hoogtepunt in de affaire Gonsalves, die hem al na een jaar terug in Nederland brengt. (1)

Begin juni 1960 komen Gerard geruchten ter ore van een ingestelde bestuurlijke onderzoek naar gedragingen van controleur Gonsalves in de Baliemvallei. Op 9 juni vraagt hij gouverneur Platteel om opheldering en deze bevestigt dat het onderzoek gaande is. Gerard acht het onjuist niet vanaf het begin betrokken te zijn geweest, omdat het om beweerde ernstige gewelddadige en mogelijk strafbare feiten gaat en omdat hij hoofd van zowel de justitiële als de bestuurlijke politie is. Platteel verwijst hem naar directeur Binnenlands Zaken Boendermaker om tot verdere afstemming te komen. Boendermaker erkent de ernst van de gewelddadigheden, maar vindt een bestuurlijk onderzoek voldoende. Von Meijenfeldt doet de concessie pas met zijn strafrechtelijk onderzoek te starten zodra het bestuursrechtelijke onderzoek voltooid is.

Baliemvallei 1957-1960

De problemen met Gonsalves hadden zich als volgt voltrokken. De bestuurlijke eenheid Exploratie Ressort Oost Bergland bestond uit een ontoe­gankelijk berggebied waarbinnen de Grote of Baliemvallei lag. De plaatselijke Pa­poe­a-stammen en -clans, de Dani, minimaal zo’n 40.000 mensen, woonden er verspreid in kleine dorpjes. Zij leefden in het stenen tijdperk, maar waren dankzij de vruchtbare rivierbodems wel agrarische ontwikkeld (verbouw van zoete aardappelen, houden van varkens).

In 1957 stichtte de eerste Nederlandse controleur Veldkamp de bestuurspost Wamena en maakte een start met een vliegveld. In opdracht van resident Van der Goot en gouverneur Van Baal moest hij etnologische terughoudendheid door de lokale cultuur in acht te nemen. Die cultuur beschreef hij bij zijn vertrek een jaar later in zijn Memorie van Overdracht, met een opvallend hoofdstuk over de permanente staat van oorlog in het gebied. Veldslagen zagen de Dani als een spannend spel, waarbij iedereen zich zo mooi mogelijk moest uitdossen met berenmutsen, verentooien, varkenstanden door de neus en rood-zwart gemaakte gezichten. Er werd geen acht geslagen op de gevaren. Na het vallen van een dode of zwaargewonde was de strijd ten einde, trokken de strijders zich terug van het neutrale slagveld en vierden de overwinnaars een dagenlange ceremonie. Daarnaast waren er sluipovervallen om een vete uit te vechten vanwege kwesties over varkens of vrouwen, waarbij zo nu en dan gruwelijke moorden werden gepleegd en een enkele keer kannibalisme werd gepleegd. De permanente staat van geweld werd door de voorouders ingefluisterd, zonder welke men blind zou worden. De vijand werd wel eens teruggedrongen, maar verdrijving zou een ongewenst einde aan het oorlogsdoel maken. Veldkamp waarschuwde tegen bestuurlijk ingrijpen: verbieden van oorlogvoeren zou leiden tot een gevaarlijk vacuüm in het bestaan.

De nieuwe aangetreden resident Eibrink Jansen en gouverneur Platteel, beiden opererend vanuit Hollandia, sloegen deze conclusie in de wind. Zij achtten voortdurende stammenoorlogen in een Nederlands gebiedsdeel in het midden van de 20ste eeuw onaanvaardbaar. Zij bevorderden de al twee jaar in Nieuw-Guinea verblijvende 26-jarige bestuursambtenaar Rolph Gonsalves tot controleur en stuurden hem naar het gebied met de opdracht de Baliemvallei met zijn 12 tot 20 mensen in korte tijd te ‘pacificeren’ om Nieuw-Guinea klaar te stomen voor zelfbe­schikking ter voorkoming van overheer­sing door Indonesië.

Gonsal­ves had zelf een andere agenda; hij wilde Nieuw-Guinea blijvend voor Nederland behouden. Als katholiek sloot hij zich daartoe niet bij de Katholieke Volkspartij (KVP) aan, maar bij de extreme Groep Welter resp. Katholieke Nationale Partij. Hij meende dat pacificeren alleen met de harde hand kon. Nadat hij dat een kleine twee jaar had gedaan kwam hij begin 1960 in aanmerking voor verlof naar Nederland.

Tegenstrijdige verklaringen van oorlogvoering door de Dani

Eibrink Jansen vroeg Gonsalves ook een ‘Memorie van Overgave’ te schrijven. Gonsalves leed zoals zo velen aan het eerste-post-syndroom en wilde daar terugkeren. Daarom vond hij een tussentijdse rapportage overbodig. De resident insisteerde, mede ten behoeve van de beoogde waarnemer Broekhuijse. Eibrink Jansen was benieuwd iets lezen over het Pumansilon-incident – zijn eerdere rapport was door Platteel op 1 juli 1959 naar Den Haag gestuurd – en over openbare kastijding die de controleur te Hollandia Lagerberg had bijgewoond tijdens diens driedaagse bezoek in oktober 1959.

Op 25 januari 1960 diende Gonsalves dan toch zijn Memorie in. Hij zette de Dani neer als volk dat eeuwenlang in isolement had geleefd en door gunstige leefomstandigheden een superioriteitsgevoel had ontwikkeld, waarbij moed in gevechten, doden van vijanden, bezit van meerdere vrouwen en veel varkens uiteindelijk tot mannelijk leiderschap zou leiden. Ontdekkingsreizigers, geloofsverkondigers en bestuursambtenaren hadden het isolement doorbroken.

Anders dan Veldkamp poneerde Gonsalves de stelling dat de permanente staat van oorlogvoering werd veroorzaakt door gebrek aan ‘Lebensraum’ en overkoepelend gezag. De komst van vredelievende en behulpzame geloofsverkondigers leidde bij hen tot minachting. Alleen angst voor wraak van hun geesten en voor hun vuurwapens schrokken af om hen te doden. Volgens Gonsalves werd de bevolking door het bestuur geleidelijk ontvankelijk voor de goede Westerse bedoelingen en raakten de gewelddadige jonge leiders geïsoleerd. Het liep positief af omdat hij deze jongeren hard had aangepakt, waardoor er nu in de gehele vallei één rechtsorde was geschapen, de Pax Neerlandica, en de stammenoorlogen met vele honderden doden vrijwel waren verdwenen.

Eibrink Jansen plaatste twee dagen later tal van aantekeningen bij de jubelende passages over het optreden van Gonsalves. “De Dani’s zijn doodsbang van U en zinnen op allerlei middelen het bestuur uit de vallei te verjagen. Geweld wekt geweld op. Vrees is een slechte meester. U zult wel meer geduld moeten opbrengen in Uw omgang met deze nog zeer primitieve Dani’s, die uiteraard niet zonder meer begrijpen waarom u iets wel of niet wilt hebben. Weerstand neerslaan is de makkelijkste weg, maar geeft bepaaldelijk op den duur niet het gewilde resultaat.” Over het beweerde ontbreken van Lebensraum en overkoepelend gezag schreef de resident: “U stelt hier zonder meer dat Uw opvatting de juiste is. Dit getuigt van zelfoverschatting.” De resident wilde de positieve conclusies opschorten tot daarvoor opgeleide personen met jarenlange ervaring in het handelen en denken van primitieven hiernaar een studie hadden ingesteld. In het eindgesprek werden beiden het niet eens. Volgens Eibrink Jansen stelde Gonsalves zelfs voor als afschrikking 50 gevange­nen te fusilleren.

De gewenste studie werd uitgevoerd door de antropoloog Broekhuijse. Hij nam het controleurschap na het vertrek van Gonsalves een paar maanden waar en kon vanaf maart 1960 voltijds aan zijn onderzoek werken. Hij constateerde dat met het vertrek van Gonsalves aan de met geweld afgedwongen wapenstilstand tussen de Dani-stammen een einde kwam. Zij vochten weer gemiddeld twee maal per maand veldslagen uit met krijgsgroepen van 400 tot 600 man. Hij beschreef de veldslagen tussen twee stammen nauwgezet en zag ze net als Veldkamp als een folkloristische en bijna vermakelijk fenomeen, waarbij incidenteel een dode viel, maar meestal gewonden door afgeschoten pijlen en geworpen speren. Daarnaast waren er wel eens overvallen op het vijandelijk terrein of hinderlagen op het eigen terrein. Anders dan Gonsalves veronderstelde was ‘Lebensraum’ geen oorzaak van het geweld, omdat de veldslagen op afgesproken open, droge en marginale gronden werden geleverd. Hoofdoorzaak was het geloof dat de geesten van hun voorouders hen aanzetten de vijand te bestrijden; zonder oorlog geen leven, doch depressie. De door Gonsalves bedachte alternatieve publieke werken werden door de Dani gezien als dwangarbeid ten faveure van de kolonisten. Aanleiding tot de vijandelijkheden was wraak op doden of gewonden uit een eerdere veldslag, op natuurlijke doden en zieken vanwege vijandelijke toverkracht en op verkrachting en varkensdiefstal. (2)

Geweldadigheden

Op 24 mei vroeg Gonsalves vanuit Nederland aan Boendermaker om terugkeer naar de Baliemvallei en 4 maanden buitengewoon verlof vanwege zijn voorgenomen huwelijk. Boendermaker liet hem weten dat een plaatsing in Hollandia de voorkeur genoot boven een terugkeer naar de Baliemvallei en dat 4 weken buitengewoon verlof wel voldoende was.

Boendermaker had zo zijn redenen. Antropologen en geloofsverkondigers (missionarissen, zendelingen) ter plaatse hadden na het vertrek van Gonsalves officiële klachten over zijn gewelddadig optreden naar Hollandia gestuurd. Zij relativeerden de omvang van het geweld tussen Dani’s; van honderden doden door stamoorlogen zou geen sprake zijn. Zij meenden dat de harde aanpak de oorzaken van de stammenoorlogen niet wegnam en opstan­dig gedrag jegens het Neder­landse ge­zag had veroorzaakt. Waarom moest hier een Pax Neerlandia overheen geroepen worden?

Ook was Gonsalves al in maart 1960 opgevolgd door controleur C.J. Schneider, de later bekende schrijver F. Springer. Boendermaker had hem zorgvuldig gekozen vanwege zijn goede relaties met Papoea’s op zijn eerdere standplaats. Eibrink Jansen ging in mei bij hem op bezoek en hoorde daar tal van verontrustende verhalen over Gonsalves, niet alleen van de zendelingen en missionarissen, maar ook van betrokken overheidsbeambten. In de kleine twee jaar die Gonsalves in de Baliemvallei had doorgebracht was hij betrokken bij een reeks gewelddadige confrontaties met de Dani. Het ging blijkens vele getuigenissen om de volgende incidenten:
— 9 april 1959, Pumansilon-incident: Gonsalves kreeg de door hem zelf voorgestelde opdracht in het gebied van de zuidelijke Ibele-rivier “aldaar geëigende maatregelen te treffen en zo nodig Pumansilon te arresteren.” Deze hoofdman zou de lokale stammen tegen de blanken hebben opgehitst, onder andere door een varkensepidemie aan hen toe te schrijven. Bij de confrontatie liep Gonsalves met karabijn in de aanslag op Pumansilon toe, die niet week omdat hij gezegd had onkwetsbaar te zijn en zijn speer hief. Gonsalves zette het op een schieten en doodde de hoofdman en diens lijfwacht Iljakot.
— Geweldsdreiging door het verbranden van hutten van Dani die niet bereid waren de landingsbaan voor het vliegveld aan te leggen.
— 6 december 1959, varkensdiefstal incident: Het doodschieten van een Dani op 6 de­cember 1959 in het achter­hoofd.
— 27 december 1959, tuchtiging met gummiknuppel: Gonsalves geloofde een Dani niet die aangifte deed van een var­kens­dief­stal, liet hem door vier agen­ten aan armen en benen strak ­span­nen, diende hem eigenhan­dig 25 slagen met een gummi­stok op het achterwerk toe totdat de Dani was flauwvallen, liet hem bijbrengen met een emmer water en sloot hem vervolgens in de gevangenis op. Dit was een voorbeeld van stelselmatige ‘tuchtigingen’.

Bestuurlijk onderzoek

Eibrink Jansen­ besloot het gedrag van Gon­salves aan een bestuur­lijk onder­zoe­k te onderwer­pen. Schneider kreeg de opdracht het onderzoek in te stellen. In diens rapport van 12 juni 1960 stonden veel verhalen over stelselmati­ge agressie. Over het incident met Pumansilon verklaarden getuigen dat Gonsalves het had uitge­lokt. Het andere incident waarbij een Dani was doodgeschoten zou vanuit een hinderlaag hebben plaatsgevonden. Eerdergenoemde Broek­huij­se legt belastende getuigen­ver­kla­ringen af. Op 20 juni legt Mark­horst, die een jaar eerder als In­spec­teur van Poli­tie naar de Baliemvallei was ge­stuurd om Gonsalves te temmen, eveneens belastende verklaringen af.

In veel van het latere literaire werk van F. Springer komt het optreden van Gonsalves (onder de naam Brandsen) terug, met name in zijn roman “Met stille trom. Een journaal”, geschreven voorjaar 1962, maar in 2012 gepubliceerd kort na zijn dood. De openingszin luidt: “Brandsen had lelijk geblunderd, dat was iedereen duidelijk.” Zijn bazen waren woedend dat hij zich had laten provoceren tot kastijden in tegenwoordigheid van een pater, een zendeling en een toerist, die het verhaal met foto’s aan een oppositionele krant verkocht. Brandsen behield zijn baan wegens personeelsgebrek. (3)

Eibrink Jansen stuurt het bestuurlijke onderzoek op 4 juli 1960 op naar Boendermaker, die een dag later aan Platteel bericht Gonsalves na diens terug­keer van verlof niet naar de Baliemvallei, niet naar Hollandia maar naar de Vogelkop te willen overplaatsen, vanwege de negatieve sfeer in de kleine gemeenschap in de Baliemvallei over diens “begrijpelijkerwijs overspannen manier van reageren”. Elders zegt Boendermaker dat hij Gonsalves te emotio­neel acht en te zeer een romanticus. Dat hij bijvoorbeeld te pas en te onpas met een pistool rondloopt bevalt hem niet. Uit deze tijd dateert zijn bijnaam “Gunsalvo” en “Godselves” in het circuit van Hollandia. Gouverneur Plat­teel neemt een dag later kennis van het bestuurlijke onderzoek en gaat akkoord met overplaatsing van Gonsalves. Als tegenprestatie wordt hij op voordracht van Boendermaker en Platteel vanwege zijn zichtbaar succesvolle pacificatie geridderd in de Orde van Oranje Nassau, op 28-jarige leeftijd dus.

Diezelfde dag komt een telegram binnen van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken belast met Nederlands Nieuw-Guinea Theo Bot, die van de incidenten heeft gehoord en Gonsalves in Den Haag heeft ontboden. Laatstgenoemde zegt in het Pumansilon-incident uit noodweer te hebben gehandeld, lijfstraffen altijd binnen redelijke grenzen te hebben toege­past en bij het doodschieten van de Dani in een re­flex en zon­der voorop­ge­zette bedoeling te hebben gehan­deld. Gonsalves ontkent tegen Eibrink Jansen te hebben gezegd 50 gevangen Dani te laten fusilleren. Bot roept het landsbelang aan om te voorkomen dat Indonesië munitie krijgt om in media en de Verenigde Naties terugtrekking van Nederland uit het gebied te eisen en vraagt Platteel dat aan de plaatselijke media goed duidelijk te maken en hen af te houden van publicaties.

Strafrechtelijk onderzoek

Als hij het rapport van Eibrink Jansen in handen krijg, acht Gerard von Meijenfeldt voldoende gronden aanwezig om het strafrechtelijk onderzoek aan te vangen. De laatste zin van het telegram van Bot van 6 juli luidt: “Het spreek vanzelf dat indien werkelijk enig misdrijf zou hebben plaatsgehad en het landbelang zich daartegen niet zou verzetten, het recht eventueel zijn loop moet hebben.”

Desondanks geeft Platteel onmiddellijk aan Boendermaker en Eibrink Jansen opdracht aan Von Meijenfeldt te vragen van zijn strafonderzoek af te zien. ­De laatste no­teert in zijn dagboek: “Ik moest toch inzien van welk belang het was dat ik mijn onderzoek zou sta­ken. Een justi­tieel onder­zoek betekende ipso facto publici­teit, in tegen­stelling tot een be­stuursonderzoek.”

Von Meijenfeldt antwoordt zijn onderzoek niet te willen stopzetten zolang daartoe geen opdracht is gegeven door de gouverneur met een beroep op het landsbelang. Hij merkt op dat het politieonderzoek door de bestuurders waar moge­lijk wordt tegenge­werkt. Concreet noemt hij dat commissa­ris Van Klinken en politieman Schülz met ontslag zijn gedreigd in geval van een belastend rapport. Van Klinken zou uiteindelijk zijn gezwicht voor een aanbod van een half jaar studiever­lof. Von Meijenfeldt zegt ook zelf problemen te ondervinden: “Men voer­de vertragende acties, men zette mij onder druk, men kletste over mijn onderzoek, men hield materiaal achter, men loog, men gaf de regering onvolledige en onjuiste inlich­tingen.

Boendermaker poogt vervolgens het Openbaar Ministerie via het Gerechtshof te Hollandia aan banden te leggen. Hij tracht waarnemend president Bor te overreden om met een beroep op het landsbe­lang het onder­zoek op te schorten. De president schrijft hem echter dat de door de procureur-generaal gevolgde werkwijze geheel in overeen­stemming is met de regelen van een goede justitie, dat sommige bestuurders niet in overeen­stem­ming handelen met hetgeen van de rechterlijke macht als geheel mag worden verwacht en dat het nagaan en beoordelen van de werkwijze van de procureur-generaal het aanzien van de rechterlijke macht kan schaden.

Platteel probeert ook zelf het strafrechtelijk onderzoek dagelijks in te dammen. Hij ontbiedt getuigen als controleurs Broekhuijse en Lagerberg om te horen wat zij aan advocaat-generaal Van Vliet of Von Meijenfeldt gezegd hebben. Nadat hij van Eibrink Jansen hoort wat hij weet, bevordert hij hem met terugwerkende kracht tot adviseur. Ook bedient hij zich van informanten en vanwege hun waarnemingen maakt hij bezwaar tegen het opzichtig horen van getuigen in het huis van Von Meijenfeldt. Hij krijgt tegengeworpen dat hij Von Meijenfeldt’s verzoek om kantoorruimte heeft afgewezen. In de soos en de jachtclub worden roddels over de procureur-generaal ingefluisterd.

Op 17 juli ontbiedt Platteel Von Meijen­feldt, Bor en Van Vliet op zijn residentie. Hij zegt het bestuurlijk onderzoek op te schorten, maar vraagt om inzage in de processen-verbaal, teneinde te kunnen beoordelen of stopzetting van het strafrechtelijk onderzoek vanuit het landsbelang gewenst is. De drie leggen de vraag nog diezelfde avond aan het Hof van Justitie voor en krijgen het antwoord dat de gouver­neur noch gerechtigd is de processen-verbaal op te vragen noch bevoegd is het onderzoek te doen staken. De leden van het Hof overwegen zelfs hun functie in verband met de gang van zaken neer te leg­gen. Het Hof heeft er echter geen bezwaar tegen het onderzoek op 19 en 20 juli te bevriezen om een tussen­tijdse rapporta­ge uit te brengen. Von Meijenfeldt verklaart zich daarmee akkoord.

Platteel rapporteert op 18 juli aan Bot. Hij stelt hem gerust dat de correspondenten ter plaatse hebben toegezegd niets te publiceren. Anderzijds wijt hij de hele zaak rondom het strafrechtelijk onderzoek aan maar één persoon: Von Meijenfeldt. Zonder inzage in diens stukken maakt hij het hem onmogelijk te beoordelen of hij op grond van het landsbelang moet ingrijpen. Von Meijenfeldt stelt hier tegenover dat hij de gouverneur al uitvoerig heeft voorgelicht en dat het landbelang omgekeerd dus blijkbaar niet van zoveel gewicht is dat hij zijn onderzoek moet staken. Bot heeft nauwkeurig onderzoek naar de verhouding tussen bestuur en justitie laten doen en schrijft Platteel dat een ingreep in de rechtsmacht van het Hof ongewenst is, maar dat het Hof wel gevraagd moet worden snel een besluit over vervolging te nemen.

Platteel mag dus niet ingrijpen, maar gelast zijn bestuursambtenaren niet aan het strafonderzoek mee te werken. Het Hof zegt wel snel te willen oordelen, maar pas op basis van het afgeronde vooronderzoek van Von Meijenfeldt. Deze ziet een impasse opkomen en besluit de kwestie voor te leggen aan de pro­cu­reur-generaal bij de Hoge Raad in Nederland, zijn leermees­ter Langemeij­er. Naast zijn vraagstelling stuurt hij rapporten mee van Broekhuijse, Schneider, Markhorst en zijn advocaat-generaal Van Vliet (met belastende getuigenissen van de lokale administratief ambtenaren Bongers en Veling), verslagen van Eibrink Jansen, verhoor van Van Klinken en Krijger en de bovengenoemde correspondentie. Platteel is woedend over deze “brutale negatie” van zijn bevoegdheid en eist dat Bot de stukken bij Langemeijer laat weghalen, maar vergeefs. Op 11 augustus schrijft Langemeijer dat hij noch de bevoegdheid noch voldoende informatie heeft om een oordeel over het onderzoek te vellen. Enerzijds heeft Platteel weinig ruimte om het straf­rechtelijk onderzoek zomaar stop te zetten, anderzijds moet Von Meijenfeldt wel alle stukken aan Platteel geven opdat deze kan beoordelen of hij de procureur-generaal in het landbelang tot stopzetting moet brengen.

Nieuw-Guinea 1960, vergadering van diensthoofden G.W. von Meijenfeldt, G.A. Hoekstra, E.L.M. Berretty, G.J. Platerink
Nieuw-Guinea 1960, vergadering van diensthoofden G.W. von Meijenfeldt, G.A. Hoekstra, E.L.M. Berretty, G.J. Platerink

Von Meijenfeldt stuurt hierop alle processtukken naar Platteel en vervolgt het tot dan toe gestaakte onderzoek met een verhoor van Eibrink Jansen. Deze weigert zonder uitdrukkelijke toestemming van de gouverneur te worden verhoord. Platteel is inmiddels door Bot op de hoogte gesteld van de brief van Langemeijer, heeft het verzoek gekregen informatie te verstrekken over het betrokken landsbe­lang en het advies gekregen de persoonlijke relatie met de procureur-generaal te verbete­ren. Platteel vraagt Von Meijenfeldt nog eens drie weken bevriezing van het onder­zoek, teneinde zich nader te kunnen beraden. Von Meijenfeldt wil van geen verder uitstel weten en het gesprek loopt hoog op. Platteel zwicht tenslotte, maar zegt voor zichzelf alle vertrou­wen in de procureur-generaal op. Hij schrijft op 27 augustus een uitvoerige en heel persoonlijke klaagbrief aan Bot met de verzoek Von Meijenfeldt na afloop van het onderzoek te ontslaan.

In september is Von Meijenfeldt toe aan het verhoor van Gonsalves zelf, maar krijgt van Platteel geen toestemming hiervoor naar Nederland te reizen in verband met het aanstaande bezoek van de Minister van Binnenlandse Zaken Toxopeus. Bij dat bezoek kan Von Meijenfeldt in drie gesprekken zijn standpunt uiteen zetten. Hij verneemt van de minister dat Plat­teel had overwo­gen hem als procu­reur-generaal te schorsen, maar daarvan in verband met juridisch-technische onzekerhe­den te hebben afgezien. Von Meijenfeldt schrijft aan Bot: “Wie als hoogste gezags­drager het vertrouwen in justitie opzegt, stort zich zonder­meer in het misdadig avontuur van een autoritair regime.” In een briefwisseling overtuigt hij Toxopeus niet dat de verloven en promoties van getuigen het onderzoek hebben geschaad. De minister belooft wel inlichtingen te zullen inwinnen over zijn beschuldigingen van tegenwerking, spionage en rechteloosheid.

Pas begin novem­ber 1960 komt Von Meijen­feldt in Nederland aan, maar dan is Gon­salves juist voor een huwelijks­reis naar het buiten­land vertrokken. De media hebben intussen lucht van de zaak gekregen door lokale berichtgeving in Hollandia. Op 15 november behandelt Het Parool het verhaal onder de koppen “Mr. Von Meijenfeldt in Nederland”, “Conflict tussen p.g. en gouverneur N.-Guinea” en “Nasleep pacificatie Baliemvallei”. De journalist is goed op de hoogte en bericht objectief. In de navolgende dagen publiceren andere kranten er ook over, de protes­tantse (Nieuwsblad van het Noorden) en socia­listische (Het Vrije Volk) neu­traal, de ka­tho­lieke (Limburgs Dagblad) en conservatieve (de Telegraaf) sterk op de hand van Gonsalves, omdat hij met 3 doden 400 tot 600 doden had voorkomen en met beperkte middelen een geslaagde pacificatie had bereikt. Iedereen noemt het competentiegeschil tussen justitie en bestuur en sommigen menen dat de kleine gemeenschap Von Meijenfeldt gebruikt om de “vredesstichter van de Baliemvallei” ten val te brengen.

Het parlement reageert op de berichten. Al op 16 november 1960 stelt De Kadt (Partij van de Arbeid) vragen aan Toxopeus. Een dag later wordt bevestigd dat een strafonderzoek loopt, dat daardoor een bestuursonderzoek is stopgezet en dat over eventuele hindering van justitie door het bestuur inlichtingen worden ingewonnen. Hij belooft de Kamer uitvoerig in te lichten zodra het strafonderzoek is afgerond. Welter (teruggekeerd bij de KVP) vraagt waarom Von Meijenfeldt zich niet aan de instructies van zijn superieur Platteel houdt. Toxopeus legt uit dat Platteel geen bevel heeft gegeven het strafonderzoek stop te zetten en dat het Hof van Justitie daarnaast een zelfstandige bevoegdheid toekomt. (4)

Gonsalves is bij terugkeer in Nederland geschokt door het tegen hem ingestelde bestuurlijke en strafrechtelijk onderzoek. Eind november verhoort de Rijksrecherche hem eindelijk gedurende drie dagen in het Paleis van Justitie in Den Haag, in aanwezigheid van Von Meijenfeldt. Gonsalves ontkent niets, maar ver­klaa­rt uit nood­zake­lijke af­schrik­king en soms uit noodweer te hebben gehan­deld.

Besluitvorming

In Nederland is er in die tijd al een functiescheiding tussen bestuur en justitie. Dat voorkomt enerzijds machtsmisbruik maar leidt anderzijds zo nu en dan tot competentieconflicten. In Nieuw-Guinea zijn de functies minder goed gescheiden, omdat in de koloniale verhoudingen de gouverneur als hoogste autoriteit geldt, hoewel de procureur-generaal onder het onafhankelijke Hof van Justitie valt. In deze kwestie gaat de gouverneur niet terughoudend met zijn bevoegdheid om, hij probeert dagelijks het strafonderzoek in te dammen en te beëindigen. Omgekeerd komt de procureur-generaal daardoor ook met oordelen over het plaatselijke bestuur.

In zijn eindadvies bij brief van 5 de­cember 1960 aan Plat­teel hakt Von Meijenfeldt op dramati­sche wijze de knoop van het strafrechtelijke onderzoek door. Hij concludeert dat Gonsal­ves zich schul­dig heeft ge­maakt aan eni­ge ge­val­len van dood­slag, zeer vele ge­val­len van mis­han­de­ling ge­pleegd met voorbe­dachte rade en veel geval­len van op­zette­lijke brand­stich­ting. Een be­roep op over­macht, nood­weer(ex­ces), wette­lijk voor­schr­ift of ambte­lijk bevel acht hij uitgesloten. De straf­bare fei­ten waren ernstig genoeg om er een rech­ter over te laten oor­delen. Dat zijn gewelddadige optreden meer doden onder de Dani’s zouden hebben voorkomen noemt hij een “miserabele drogreden”, omdat de Dani’s op zo’n manier dus helemaal geen Pax Neerlandica leren kennen en India en Congo bepaald in een andere richting wijzen. Echter, zelfs een geringe straf zou de eerlijke, hardwer­kende en idealisti­sche Gonsalves oneven­redig zwaar treffen; hij zou hem zelfs graag bij zijn parket inlijven. Von Meijenfeldt adviseert tot sepot, onder voorwaarde dat er iets gebeurt aan de niet minder ernstige bestuurlijke aan­sprake­lijk­heid. De gouver­neur en de resident hadden Gonsalves immers op zijn post gelaten, sinds april 1959 wetende dat hij over­spannen was en teveel geweld gebruikte. Hij meent dat het aan de Rege­ring en het Parlement is om hierover een oor­deel te vellen. Voorts pleit hij voor meer onafhan­kelijkheid van het Openbaar Ministerie, bij­voor­beeld door de politie onder zijn gezag te laten vallen.

Het bestuur bemoeit zich met de strafrechtelijke conclusies van justitie. Bot schrijft: “Het is duidelijk dat Mr. Von Meyenfeldt kriteria aanlegt, welke in primitieve gebieden als het onderhavige niet kunnen en mogen worden aangelegd. (…) Zelfs in het geval, dat de controleur Gonsalves in incidentele gevallen excessief en ontoelaatbaar zou zijn opgetreden – voor welke suppositie de Minister van Binnenlandse zaken en ondergetekende geen afdoende gronden aanwezig achten – dan nog zou hiertegen afgewogen moeten worden het feit, dat het daadkrachtig optreden van deze bestuursambtenaar, vaak met gevaar voor eigen leven, ten gevolge heeft gehad dat op korte termijn het aantal doden in de Baliemvallei, als gevolg van ondelinge moorden en oorlogen, met meerdere honderden per jaar is afgenomen.” Von Meijenfeldt zou niet naar de gebieden zijn gereisd maar alles achter de schrijftafel te hebben bedacht, terwijl Gonsalves met uitputtingsverschijnselen buitengewoon veel dagmarsen heeft ondernomen.

Met betrekking tot de beschuldiging dat getuigen gepaaid zijn met gunsten (studieverlof Van Klinken, bevordering Krijger, promotie Eibrink Jansen) vindt het bestuur dat van haar niet verwacht mag worden mee te werken aan het vinden van bewijs. Bot ziet het bestuur als beklaagde en vindt dat alleen het Openbaar Bestuur met bewijzen moet komen.

De constructie van sepot bij aanvaarding van bestuurlijke aansprakelijkheid wordt door Platteel als “chantage” opgevat. Ook Bot vindt de constructie volstrekt onaanvaardbaar en buiten de bevoegdheid van de procureur-generaal liggen. Hij neemt de aanval van Platteel helemaal over: Von Meijenfeldt is de aanstichter van spanningen tussen openbaar ministerie en bestuur, heeft competentiekwesties buiten alle proporties opblazen, heeft de zaak in de pers gebracht en daarmee schade toegebracht aan het landsbelang doordat Indonesië materiaal werd verschaft om de media en de Verenigde Naties te bewerken. De procureur-generaal handelt onaanvaardbaar en onjuist en erkent in wezen zijn ondergeschiktheid aan de gouverneur niet. “Deze gang van zaken versterkt de reeds eerder gewekte indruk, dat deze procureur-generaal in zijn brieven en rapporten, aan een gebrek aan objectiviteit tevens een gebrek paart aan zorgvuldigheid in zijn formuleringen.

Bot neemt niet alle aanvallen van Platteel over. Dat Eibrink Jansen voor het bestuurlijk onderzoek niets van de harde aanpak van Gonsalves wist wekt verwondering, omdat de resident zelf de opdrachten had gegeven en de verslagen had gelezen en zo niet, in gebreke was gebleven als eindverantwoordelijke. Platteel meende dat met het sepot de kous af is, maar Bot dringt er bij hem op aan de conclusie van Von Meijenfeldt aan te passen en te besluiten dat er in het landsbelang niet tot strafvervolging wordt overgegaan, om het Hof van Justitie de pas af te snijden. Op 6 januari neemt Platteel dat besluit. De nieuw gearriveerde president van het Hof laat het er bij zitten.

In zijn voorwaarde de persoon Von Meijenfeldt niet meer in Hollandia te willen terugzien krijgt Platteel zijn zin. Hoewel ook hijzelf en alle andere Nederlanders nog maar een paar jaar in Nieuw-Guinea zitten, stelt hij dat de procureur-generaal van land, volk en bestuur geen kennis bezit. Hij heeft al een lokale ambtenaar voor hem als opvolger in gedachten, die het werk wel halftijds kan verrichten. Bot concludeert begin 1961 dat Von Meijenfeldt niet langer te handhaven is in zijn ambt als procureur-generaal en op eigen verzoek dan wel op aanzegging met beroep ontslagen moet worden. Aan Von Meijenfeldt wordt in een persoon­lijk gesprek met Toxopeus en Bot geen andere keus gelaten dan vrijwillig eervol ontslag. Hoewel de manier waarop hem veel pijn doet, was Von Meijenfeldt toch al van plan af te zwaaien. Alle betrokkenen krijgen een zwijgplicht opgelegd. Zo wordt een justitiële functionaris dus door een bestuurlijke bewindspersonen uit zijn functie gezet. Minister van Justitie Beerman kan of wil zich niet met de zaak bemoeien.

Op 18 januari komt Bot de toezegging van Toxopeus na door de Vaste Commissies voor Nederlands Nieuw-Guinea van de Eerste en Tweede Kamer uitgebreid over de affaire te informeren. Hij laat zijn ministeriële verantwoordelijkheid voor het handelen van zijn ambtenaren voor wat die is. In plaats daarvan kiest hij voor het middel van een geheime no­ta, waarin hij de bovenstaande persoonlijke aantijgingen van Platteel jegens Von Meijenfeldt zonder terughoudendheid als de zijne opsomt. Het parlement onderneemt geen verdere actie.

Verdere loopbanen

Gonsalves heeft zijn lintje, maar het besluit dat hij niet kan terugkeren naar de Baliemvalei blijft gehandhaafd. Hij moet zeer tegen zijn zin naar de Vogelkop en komt al in 1962 terug naar Nederland. Hij wil graag overstappen naar het Openbaar Ministerie. De Baliemkwestie wordt opnieuw onder­zocht. Een commis­sie onder leiding van mr. Van Gil­se, procu­reur-generaal bij het Ge­rechtshof ‘s-Graven­hage, ziet geen reden tot stafver­volging. In de media wordt overigens vermeld dat de schoonvader van Gonsalves, mr. Van Moorsel, raadsheer bij hetzelfde Hof is. Lan­ge­meijer ziet des­gevraagd evenmin beletse­len; hoewel hij aanvankelijk stelde te weinig informatie te hebben om een juridisch oordeel over vervolging te vellen, acht hij een be­roep op nood­weer(exces) nu toch wel kansrijk. Hij werpt desalniettemin de vraag op of het verstandig is een in opspraak gekomen ambtenaar bij het OM in te lijven. Beerman ziet geen probleem en benoemt Gonsal­ves tot Substituut-Offi­cier van Justitie in Roer­mond. Gonsalves heeft vervolgens een succesvolle loopbaan: hij wordt Officier van Justitie, later Hoofdofficier van Justitie en tenslotte Procureur-Generaal. Bij deze promoties komt de kwestie niet meer aan de orde, onder­meer omdat zijn perso­neelsdossier hierover geen stukken bevat.

Bijzonder is nog wel de persoonlijke verhouding tussen Von Meijenfeldt en Gonsalves. Von Meijenfeldt acht Gonsalves weliswaar op juridische gronden schuldig, maar blijft in alle opzichten positief ten aanzien van zijn persoon. Hij acht hem slachtoffer van het falende bestuur en wil hem graag bij het Openbaar Ministerie hebben. Gonsalves daarentegen heeft – ook 40 jaar later nog – persoonlijke grieven, maar zijn memoires staan dan ook vol grieven tegen de vele mensen waarmee hij in zijn loopbaan in aanvaring komt. Over zijn eerste contact met Gerard schrijft hij: “Het viel mij op dat Von Meyenfeldt over alles een mening had en sprak of hij een groot kenner van Nieuw-Guinea en de Papoea’s was”, ofschoon hij er aan toevoegde dit alles van zijn dienstmeisje te weten. Hoewel Gonsalves erkent dat het oordeel van Gerard in de strafzaak “niet onverdeeld ongunstig” voor hem uitviel, beschuldigt hij hem toch van machtsspelletjes, roddel en lekken naar de pers, waardoor hij niet langer te handhaven was. Dat hij zelf ook niet in de Baliem wordt teruggeplaatst is volgens hem alleen uit opportuniteit overwogen. In de zeker 100 bladzijden van zijn memoires over de Baliem beschrijft hij wel zijn succesvolle opbouwende werk, maar blijft de inhoud van het kritische bestuurlijke rapport achterwege en zegt hij niet te weten of het overplaatsingsbesluit van de gouverneur iets met de affaire te maken heeft gehad. Overigens rept hij nog wel van een ontmoeting met Gerard tijdens de Molukse treinkapingen in 1977, die van beide zijden beleefd was verlopen. (5)

Aan gouverneur Platteel wordt eervol ontslag verleend, maar dan ruim een jaar later als Nederland door buitenlandse mogendheden gedwongen wordt afstand te doen van Nieuw-Guinea. Platteel moet het bewind zeer tegen zijn zin overdragen aan de Verenigde Naties en daarna vrijwel zeker Indonesië. Om Nederland internationaal van alle blaam te zuiveren doet hij moeite de verdwijning van Michael Rockefeller eind 1961 af te doen als een ongeluk en niet volgens twee plaatselijke missionarissen als een represaille van de Asmat tegen de Nederlandse strafexpedities tegen koppensnellerij. Platteel wordt in 1962 burgemeester van Ede, in 1968 van Hilversum en gaat in 1976 met pensioen.

Materieel gebeurt er wat Gerard strafrechtelijk en administratief geadviseerd had. De zaak tegen Gonsalves wordt geseponeerd en hij treedt in dienst van het Openbaar Ministerie. Boendermaker schrijft op aanzegging van Bot op 29 november 1960 aan al zijn residenten dat alleen Nederlandse straffen toelaatbaar zijn en het toedienen van lijfstraffen het risico op strafrechtelijke vervolging inhoudt. De regering overweegt ter begeleiding van jonge bestuursambtenaren een ervaren resident Bergland (de bestuurlijke naam van de Baliemvallei) aan te stellen of een Commissariaat voor Ontwikkelingsgebieden.

Omdat De Groot de nieuwe president van het Hof van Justitie is geworden, kan Bor tot zijn groot verlof die zomer de vacante functie van procureur-generaal waarnemen. Platteel krijgt van Bot niet de kans zijn bestuurlijke kompaan naar voren te schuiven, hij moet meesolliciteren. Von Meijenfeldt zijn oude baan als Substituut-Officier van Justitie in Utrecht terug en wordt kort daarop bevorderd tot Officier van Justitie, maar houdt die baan tot het einde aan toe. Aan de kranten vertelt zijn vrouw Nel dat Gerard er van overtuigd was dat zijn loopbaan door de affai­re geblokkeerd is en dat de «Roomse kliek» er ach­ter zat. Anderen wijzen er in de kranten evenwel op dat enkele hoofdrol­spe­lers in de af­faire (Platteel, Toxop­eus, Van Gilse) niet katholiek maar protes­tant of libe­raal waren. Enkelen die Gerard persoonlijk hebben gekend – zoals zijn neef Carl, de journalist Snijders en zijn oud-collega (voor­malige U­t­rech­tse Hoofd­offi­cier van Justitie) mr. A. Her­stel – dach­ten dat voor­al persoon­lijke eigen­schap­pen van Gerard zijn verdere loopbaan hadden bepaald.

Gerard von Meijenfeldt is nimmer gerehabiliteerd. Wel staan de media thans veel kritischer tegenover het toenmalige Nederlandse gezag. Bovendien wijzen voor­aan­staande juristen als de hoogleraar straf­recht prof.mr. C. Rüter er op dat niet justitie of de rech­ter, maar de poli­tiek Gon­salves destijds van vervol­ging heeft vrij­gesteld. Anderzijds geeft A. Mulder, sinds 1965 secretaris-generaal bij het – bij de affaire aan de zijkant staande – Ministerie van Justi­tie, geeft als reactie dat Von Meijenfeldt “niet hele­maal se­rieus werd genomen omdat hij overal com­plot­ten zag. Hij was een niet-evenwich­tige beoorde­laar.” (6)

Aan het einde van zijn loopbaan in 1979 werkt Gerard aan het zogenaamde Turken­pro­ces. Vanwege het complexe karakter gaat hij wegens stressver­schijnselen met ziekteverlof. De Utrech­tse advocaat mr. G.M. Bots brengt naar buiten dat een «meester X» aan diens cliënt Kees C. – verdacht van uitlok­king tot moord – straf­vermin­dering in ruil voor informa­tie uit de Turkse gemeenschap zou hebben toege­zegd. Bots heeft onmiddellijk spijt: “Ongewild wekte ik de indruk van een grove misstand. Maar daar was geen sprake van. Hij deed wel iets wat volgens mij niet kon, maar dat kwam eerder voort uit impulsiviteit. Hij kon soms wat onbere­kenbaar zijn, maar nooit op de louche tour. Daar was hij veel te eer­lijk voor.” (7) Het kwaad is echter geschied. Hoofdofficier mr. G.H.C. van Dijken en zijn beoogde opvolger Herstel wekken de indruk dat de zaak te gecompli­ceerd was gewor­den voor Gerard en brengen naar buiten dat hij tot zijn pensioen met ziekte­verlof moet blij­ven. Hoewel Gerard zelf ont­kent dat hij enige toezegging had gedaan en zijn ziekte er niets mee te maken heeft, wordt zijn als te lankmoe­dig ervaren optreden tegen de criminaliteit in de media aangehaald. Zijn bijnaam «mr. Sepot» is wel heel zuur in verband met de affaire Gonsalves. Ieder­een spreekt van een achtenswaardige of aimabele man, maar velen menen dat hij te naïef en emotioneel was voor zijn functie.

Opleving van de affaire in 1994

De tweede helft juni­ 1994 was de af­faire-Gon­sal­ves het be­langrijkste onder­werp in de media en de politiek. Eindre­dac­teur Hans Simonse van het VPRO-radiopro­gramma Argos van de VPRO deed in twee afleve­ringen verslag over de affaire. Er waren hem documenten over de zaak ter hand gesteld. De affaire trok zo­veel aan­dacht, omdat Gonsalves kort daarvoor als procureur-generaal in Den Bosch was belast met de belangrijke porte­feui­l­le bestrij­ding zware crimi­na­li­teitsbestrijding.

Wat de media aanvankelijk bezighield was de vraag wie de infor­ma­tie naar buiten had gebracht en waar­om. Over deze vraag ont­ston­den tal van spe­cu­la­ties. Sommigen – zoals La­ger­berg­ – meen­den te weten dat de publi­citeit in verband stond met de binnen de top van justitie en politie woeden­de mac­ht­sstrijd en dat de Amster­damse politie wraak nam naar aanlei­ding van de zoge­naamde IRT-affaire. Anderen – zoals het Alge­meen Dag­blad en de oud-hoofdredacteur van het Utrechts Nieu­wsblad M.L. Snijders – dachten een ve­te van de fami­lie Von Meij­en­feldt tegen Gon­salves op het spoor te zijn gekomen. De media kwamen uitein­delijk tot de meer juis­te conclu­sie dat de stukken afkom­stig waren van een zoon van één van de toen­malige collega’s van Gerard, advocaat-generaal Willem van Vliet of parketmedewerker Jansen. Deze zoon zou uit zijn op eerherstel voor zijn vader die – in tegen­stelling tot Gonsal­ves – nooit meer promotie had mogen maken.

Op zoek naar com­mentaar van Gerard was de VPRO-jour­nalist Hans Simons de achter­naam Von Meijenfeldt in het telefoonboek gaan zoeken en op die manier via de auteur van deze familiegeschiedenis bij Gerard’s neef Carl en Gerard’s weduwe Nel uitgekomen. Carl was in het bezit van allerlei documenten over de affaire en speelde dag­boekaante­kenin­gen van Gerard uit die tijd aan de journalist door. In de radiouitzendingen was een interview met Nel verwerkt. (8)

Bij het naar buiten komen van de affaire in 1994 roept Minis­ter van Justitie Kosto de procureur-generaal terug van vakantie in Frankrijk. Hij ver­klaart aanvankelijk zeer geschokt te zijn. De frac­ties in het parlement spreken van “zeer ernstige aantijgin­gen”. In de media wordt voor een onafhanke­lijk histo­risch onder­zoek gepleit. Na een dossieronder­zoek stuurt de minister al na enkele dagen een brief aan de Tweede Kamer en volgt een Kamerdebat op 22 juni, waarin de volgende aspecten aan de orde komen: (9)

=== De minister meent dat er geen nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen ten opzichte van de geheime en nu in archieven te raadplegen nota van 18 januari 1961. Toch waren die er wel. Ten eerste bleken de gerapporteerde vele honderden dodelijke slachtoffers ten gevolge van stammenoorlogen uit enkele tientallen te bestaan. Ten tweede bleek dat de drie maanden bestuursgeweld in de Baliemvallei niet tot een pacificatie hadden geleid, maar tot een afgedwongen tijdelijke wapenstilstand tussen de Danistammen.
=== De minister stelt dat het verleden van Gonsalves strafrechtelijk en bestuurlijk gezuiverd is door het sepot, nota bene op voorstel van Von Meijenfeldt. Hier zijn nogal wat Kamerleden het niet mee eens. Het gewelddadige optreden van Gonsalves blijft naar de normen van destijds een bewezen feit en het sepot was van bestuurlijke aard. Von Meijenfeldt verbond administratieve consequenties aan het sepot, terwijl Platteel geen ruchtbaarheid wilde omdat Indonesië daar in de Verenigde Naties gebruik van zou maken. Hierboven bleek dat de bestuurlijke hervormingen er wel zijn gekomen. Publiciteit kwam er alsnog via de Nieuw Guinea Koerier, niet door influistering door Von Meijenfeldt die in Nederland verbleef, maar door het in vertrouwen nemen van de pers door Platteel op instigatie van Bot.
=== De minister beroept zich op verjaring en een soort ‘ne bis in idem’ (niet voor de tweede keer voor het zelfde feit vervolgd worden). In het eerste kunnen de Kamerleden zich wel vinden, maar wat het tweede betreft wijzen zij er op dat van een rechtelijk oordeel of vervolging nooit sprake was geweest, het ging om een vooronderzoek. Een heropening van het strafdossier wordt echter door niemand voorgesteld vanwege rechtsverwerking.
 === De minister geeft aan dat Gonsalves persoonlijk niet van zijn positie wil terug­treden; dat respecteert en ondersteunt hij, gelet op diens vlekkeloze 30-jarige carrière. Hoewel een Kamermotie die uitspreekt het te betreuren dat Gonsalves aanblijft als procureur-generaal het bij lange na niet haalt, vindt een meerderheid wel dat het Gonsalves gesierd had zelf terug te treden vanwege het belang onbesproken de misdaad te bestrijden en vanwege recente schandalen bij het Openbaar Ministerie (Commisie Donner, IRT-affaire). Nu hij dat niet doet wordt de vinger aan de pols gehouden, maar tot zijn pensionering 3 jaar later heeft dat geen betekenis gehad, hoewel aangenomen wordt dat Gonsalves door deze publiciteit de nieuw gecreëerde post van Voorzitter van het College van Procureurs-Generaal ofwel Super-PG is misgelopen.
=== De minister geeft geen antwoord op de tot twee maal door zijn partijgenote Kalsbeek gestelde vraag of Von Meijenfeldt niet buiten zijn boekje was gegaan door op de stoel van het bestuur te gaan zitten. Hij citeert wel uitvoerig de beweegredenen van Von Meijenfeldt om tot sepot te komen, maar doorbreekt de toenmalige stilte van de Minister van Justitie De Beer over de bestuurlijke voorwaarde niet.

 

 

  1. De affaire is beschreven op basis van originele stukken. Ten eerste 35 online te lezen documenten op http://resources.hygens.knaw.nl. Daarnaast niet-reproduceerbare documenten in het Nationaal Archief, Archief Gouvernement Nieuw-Guinea (toegangsnummer 2.10.36.13), Hof van Justitie (inventarisnummer 5), Von Meyenfeldt (dossier 53); Archief Ministerie van Koloniën (toegangsnummer 2.10.39), Memorie van Overgave Veldkamp (inventarisnummer 406) en Gonsalves (inverntarisnummer 407);   Archief Ministerie van Koloniën (toegangsnummer 2.10.54), Onderzoek naar het optreden van de bestuursambtenaar R.A. Gonsalves bij de pacificatie van de Baliem-vallei in Nederlands Nieuw-Ginea 1960-1961 (inventarisnummer 8389); toegangsnummer 2.21.298, inventarisnummer 327.
  2. Jan Broekhuijse, “De Wiligiman-Dani”, dissertatie Utrecht 1967).
  3. C.J. Schneider / F. Springer, “Met stille trom. Een Journaal”, Amsterdam 2012.
  4. Kamerstukken II 1960-1961, Aanhangsel 2010 en 2013.
  5. R.A. Gonsalves en G.J. Verhoog, “Mr. Gonsalves. Memoires”, Amsterdam/Antwerpen 1999, pag. 125 e.v.
  6. NRC-Handels­blad, 22-06-94.
  7. Utrechts Nieuwsblad, 22-06-1994.
  8. H. Simonse (red.), “De Doofpot. Een documentaire over Procureur-Generaal Gonsalves, die als bestuursambtenaar aan het begin jaren 60 wordt verdacht van misdaden tegen papoea’s, maar niet wordt vervolgd vanwege het «landsbelang»”, VPRO-radioprogramma Argos, uitgezonden 17 en 24 juni 1994.
  9. Kamerstukken II, 23 400-VI, nrs. 43-45, Handelingen II 1993-1994, 28 juni 1994.
  10. Memorie van Overgave van Veldkamp 1958. Brief van Broekhuijse aan Bot 12 juni 1961 en diens proefschrift 1967. De niet zo fictieve boeken van F. Springer, die nog wel enige bewondering voor Gonsalves had, werpen een zelfde licht op de zaak.