2.6.9. Conclusie

De bovenstaande paragrafen over de herkomst van de Nederlandse familie Von Meijenfeldt leveren in combinatie met de conclusie over het uitsterven van het Zweedse geslacht Meijerfeldt de volgende conclusie op:

Bewijsstuk 1. Brief naar Helsingfors

In zijn brief schrijft Carl von Meijenfeldt aan de Universiteit van Helsingfors dat zijn vader zonder twijfel een zoon van de laatste Zweedse graaf is. Dat is het meest directe bewijsstuk van een tijdgenoot.

Bewijsstuk 2: Tekening van de grafplaat
Johan August von Meijenfeldt maakt in 1811 in Rotterdam een tekening, die exact gelijk is aan de afbeelding op de afdekplaat van het Zweedse familiegraf in de St. Andreas Kirche in Nehringen. Daarmee is een tweede schriftelijke verbinding gelegd. Een iets minder belangrijke vervolgvraag is hoe hij hij aan de schets voor de tekening kwam: had hij die in zijn jeugd of bij een terugkeer gemaakt of had een overgekomen familielid of vriend die meegebracht?

Bewijsstuk 3: De documenten met betrekking tot Augusta Juliana Meyern, getrouwd Thilo, inspecteur op Medrow.
a. Het testament van de laatste Zweedse graaf Meijerfeldt, die haar 1000 rijksdaalder nalaat.
b. Het kerkboek van Medrow, dat haar huwelijken, haar kinderen en eenmaal haar achternaam  “Meierfeld” vermeldt.
c. Het Pommersches Geschlechterbuch, dat Thilo’s vrouw de natuurlijke dochter van “veldmaarschalk Von Meienfeld” noemt.
d. In de kerkboeken van Amsterdam in 1810 en Rotterdam in 1815 komt zij voor, als getuige bij de doop van de kinderen van Johan August von Meijenfeldt.

Overeenkomsten in naam, plaats, tijd, geloof, taal en beroep
– Meijerfeldt komt in Zweden en Duitsland en Meijenfeldt in Nederland voor, maar die scheidslijn is niet scherp: in het Pommersches Geschlechterbuch staat een in het midden van de naam en in het Hersteld Evangelisch-Lutherse doopboek van Amsterdam in 1801 staat een r.
– Thilo komt voor in het testa­ment van de graaf, in de kerkboeken van Medrow en in geboorteaangiften in Rotter­dam.
– Sparre komt voor in het testament van de graaf en in geboorteaangiften in Rotterdam.
– De doopnamen Johann, August, Carl en Friedrich komen veelvuldig voor in de Nederlandse familie en  in het Zweedse geslacht.
Stralsund is de stad waar graaf Meijerfeldt en huis heeft, waarin hij zijn testament opmaakt, en waar de Nederlandse stamva­der ook vandaan komt.
– Medrow is het landgoed van graaf Meijerfeldt, en ook de plaats waar zijn natuurlijke dochter Augusta Juliana in het huwelijk treedt en kinderen krijgt.
– Tussen 1760 en 1769 vallen de geboor­ten van de echte zonen van de Zweedse graaf en van Carl’s vader (over­eenkomstig diens leef­tijdopgaven in Nederlandse documenten).
– Alle betrokkenen zijn op een enkele na Evangelisch-Luthers. Vooral de vader van Carl is diep gelovig, blijkens zijn tijdelijke lidmaatschap van de Herstelde afsplitsing en een brief aan zijn broer Hendrik. Carl is ook zeer godsdienstig en stapt uiteindelijk over naar de Christelijk-Gereformeerde Kerk.
– Alle familieleden hebben Duits als hoofdtaal, zij het dat de laatste Zweedse graaf zich in familiebrieven vaak van modieus Frans bediende. Carl’s vader schrijft op latere leeftijd een brief in voortreffelijk Nederlands, maar uit de schrijfwijzen van de door hem mondeling opgegeven naam rond 1800 moet worden afgeleid dat hij een Duits accent moet hebben gehad.
– De laatste Zweedse graaf en de Nederlandse stamvader zijn militair.

Als echte vader kwam graaf Carl Fredrik Meijerfeldt jr niet in beeld, maar als natuurlijke vader is hij niet zomaar uit te vlakken. Omdat hij zich per 1 mei 1760 op zijn vaders landgoed Gammel Køgegaard op Sjælland (Denemarken) vestigt, is het zelfs denkbaar dat de zwangere  Meyern hem volgt en twee maanden later een zoon baart. Zij zou hem met haar zoon in 1762 terug moeten hebben volgen, omdat Johan August jr. Medrow aan Carl Fredrik jr. verkoopt vanwege zijn huwelijksplannen het jaar daarop met Lovisa Augusta Sparre. Voor dit scenario zijn geen aanwijzingen 

Er is nog een mogelijkheid, namelijk dat alles uit de fantasie van Carl en/of zijn vader ontsproten is. Bij de inschrijving bij de Amsterdamse marine in 1793 of wellicht al eerder kan Johan August von Meijenfeldt zich zijn nieuwe identiteit hebben aangeme­ten. Hij zou bijvoorbeeld een echte zoon van de Pruisische opperhoutvester Meyern en diens vrouw Anthonetta kunnen zijn geweest. Zijn fanta­sie zou op hol moeten zijn gebracht door de afkomst van zijn halfzus Augusta Juliana, wel een natuurlijke dochter van de graaf. In Rotterdam en Amsterdam zou hij de gegevens regelmatig uitgebreid en gecorrigeerd moeten hebben (zoals de spelling van zijn naam en het tussenvoegel “von” sinds 1810). Hij noemde zich niet alleen een echte zoon van de graaf en gravin, maar voorzag doopgetuigen zelfs van adel­lijke namen of van de naam Thilo. Dit is een nogal speculatieve variant, omdat overtuigende motivering ontbreekt. Hoop op een erfenis uit een uitstervende familie is denkbaar, maar dan heeft hij wel een buitengewoon ingewikkelde constructie bedacht, terwijl hij er toch vooraf vrij zeker van kon zijn dat de onderneming zou stranden, zeker door zijn vertrek uit Stralsund.

Blijft over dat de laatste Zweedse graaf niet de echte maar de natuurlijke vader van Johan August von Meijenfeldt was. Het verwekken van natuurlijke kinderen was in die tijd nauwelijks een schandaal te noemen. De man en zoon van zijn zus Anna Catharina hadden bijvoorbeeld veel natuurlijke kinderen. De natuurlijke dochter en nu ook de zoon van graaf Meijerfeldt werden ‘netjes’ vóór zijn huwelijk verwekt.

De drie schriftelijke bewijsstukken en de reeks  overeenkomsten wettigen het vermoeden dat Johan August von Meijenfeldt (1760-1835) een natuurlijke zoon was van de Zweedse graaf Johan August Meijerfeldt jr (1725-1800) en Anthonetta Meyern op Medrow.