4.1.2. Testament van de graaf

De belangrijkste vondst van Govert is een passage in het testament van de Zweedse graaf Johan August Meijerfeldt jr. (1725-1800) in het Riksarkivet in Stockholm. Een belangrijke passage staat onder 9b waarin bepaald wordt dat Augusta Juliana Meyern 1000 rijksdaalder zal erven.

Omdat het een Zweedse vertaling is, ligt het voor de hand naar het Duitse origineel te kijken dat op 10 juni 1795 in Stralsund is opgemaakt. Het archief van de stad Stralsund antwoord desgevraagd dat haar achternaam niet Meyern maar Mey­ernfeldt luidt. De conclusie dat de graaf een natuurlijke dochter Augusta had is dan snel getrokken. Maar waarom zou er dan zo’n vreemde schrijffout in de Zweedse kopie staan? Ver­wachtte de Zweedse Hof­raad c.q. de weduwe proble­men bij het vermelden van zo’n expliciete naams­ver­bon­denheid? Bij een uitstervend geslacht kunnen plotseling opdui­kende preten­denten de erfenisafwikke­ling immers danig verstoren. Een bezoek aan het Stadsarchief van Stralsund in 1988 maakt aan deze bespie­gelingen snel een einde. Bestu­dering van de origi­nele tekst levert op, dat er wel degelijk Mey­ern in het testament staat.

Testamenten des Grafen von Meijerfeldt, Stralsund 10-06-1795
Testamenten des Grafen von Meijerfeldt, Stralsund 10-06-1795

Veel lettertekens in deze tekst worden tegenwoordig niet meer gebruikt. Met behulp van een paleografische transponeringstabel staat er het volgende:

9b) soll auch Augusta Juliana Meyern, des Inspec­tors und jetzi­gen Pächters in Mec­klen­burg Tilow Ehefrau, wel­che ehemals zu Mederow ge­wohnt hat und beson­ders in ihrer zweiten Ehe mit vielen Kin­dern gesegnet ist, nach dem Tode meiner lieben Gemahlin aus meiner Verlassenschaft ein Vermächtniß von Eintausend Reichsthalern in N. 2/3tel zu 32 f. gerechtnet, ohne einigen Abzug erhalten, so dab ihrem Ehemann das Capital gegen gehörigen Sicherheit zu seiner Pächtung unzinsbar, so lange sie lebet, ausgezahlet weren, hiernächts aber wenn sie stirbet, ihren gesamten Kindern zu gleichen Theilen anheim fallen soll. Auch soll allen bei meinem Absterben in meinem Dienste wirklich stehenden Leuten das Lohn eines ganzen Jahres, auber dem schon verdienten, hindurch vermacht und nach dem Tode meiner guten Gemahlin baar aus dem Meinigen entrichtet werden.

Deze testamentaire passage bevat het volgende interessante elementen:

Augusta Juliana Meyern gehuwd Tilow…
De echtgenote van de Zweedse graaf had ook de voornaam Augusta: zij heette Louise Augusta Sparre. De tweede voornaam Juliana komt niet voor in het Zweedse geslacht. De familienamen Meyern en Tilow zijn nieuw. In de zinsconstructie is Juliana Augusta de ontvangende persoon. Dit is te controleren door de vraag te stellen “Wem soll ein vermächtniβ erhalten?” Dit leidt in de Duitse grammatica tot de Dativ of derde naamval, die een “n” toevoegt. Of haar vadersnaam eigenlijk Meyer is valt niet te zeggen, omdat in de Zweedse vertaling Meyern is blijven staan en in het navolgende haar familienaam nog vaker Meyern luidt.
Gezegd wordt dat Augusta Juliana twee keer gehuwd is geweest en vooral in haar tweede huwelijk – met Tilow dus – veel kinderen heeft gekregen.

…is naast de gravin de enige bij naam genoemde erfgenaam…
Augusta Juliana Meyer moet voor de graaf een bijzondere persoon in zijn leven zijn geweest, omdat hij haar zo openlijk noemt en veel geld geeft. De rest van de alinea maakt enige speculaties mogelijk over haar rol.

…woonde eerder op Mederow en haar man Tilov was daar inspecteur…
Met de plaats wordt ongetwijfeld het Pommerse landgoed Medrow bedoeld. Samen met het aangrenzende Nehringen behoorde het aan het geslacht Meijerfeldt toe. De graaf was tot 1761 eigenaar van Medrow en verbleef daar ook tot die tijd vanwege de Pommerse Oorlog. Bij het noemen van haar naam wordt bij Augusta Juliana precies vermeld dat haar man inspecteur op Medrow was en dat zij er woonde. Het zal ook niet zonder betekenis zijn dat het doorbetalen van één jaarloon aan al het personeel ten tijde van het overlijden van de graaf in dezelfde paragraaf 9.b wordt verordineerd. Het lijkt er op dat de graaf haar noemt en extra bedeelt vanwege bijzondere omstandigheden.

…krijgt na de dood van de gravin een netto bedrag van 1000 Rijksdaalder, of haar kinderen in gelijke delen als zij niet meer leeft.
Het bedrag is zowel voor 1795 als 1817 een aanzienlijk vermogen. Gravin Louise Sparre sterft op 16 september 1817. De scribent van haar Nalatenschapsbeschrijving – de net gepensioneerde Justitieraad Palmsvärd, oorspronkelijk Jan Eric Nibelius, een goede vriend van Meijerfeldt’s huisleraar Kellgren – krijgt bij de afwikkeling inderdaad een bedrag van 1.000 rijksdaalder, maar het is relevant hierbij te vermelden dat de gravin in 1798 een bedrag van hem had geleend. (1)
De graaf regeert niet alleen over zijn eigen graf en dat van zijn echtgenote heen, maar ook over het graf van Augusta Juliana Meyer, omdat hij bepaalt dat haar kinderen haar erfenis ieder in gelijke delen krijgen. Het is niet gewaagd te concluderen dat hij Augusta Juliana noemt vanwege een persoonlijke relatie, maar welke?

 

 

  1. Brief van 4 december 1984 [CH-63]
  2. C. Forsstrand, “De tre gracerna”, Stockholm 1912, pag. 186. Wedberg, Jan “Eric Palmsvärd”, Stockholm 1931, pag. 118.