1.2.1. Adelsbrief

In de adelsbrief van 24 november 1674 zwaait de koning de loftrompet over Anders Meijer: (1)

Alzo hebben Wij thans in Genade besloten ten aanzien van de Overste en tegenwoordig Hoofdinspecteur, onze Getrouwe Meijer, die zich vanaf zijn jeugd heeft beijverd voor eer en deugd, die zowel in vreemde landen als thuis heeft getracht zich in onze dienst op allerlei loffelijke wijzen capabel te betonen, die de plicht en het ambt van een goed ingenieur heeft vervuld in de zware en dappere door wijlen onze hooggeëerde Heer vader Roemwaardigst gevoerde oorlogen en in het bijzonder in alle voorgevallen gebeurtenissen, terwijl hij daarin geschiktheid en kennis heeft verworven, (…). Aangezien hem een goed lofwoord is gegeven voor zijn dappere en bereidwillige houding en Wij nog steeds goede en trouwe diensten van hem hebben te verwachten, en in verband met alle aldus aangevoerde woorden om hem onze Kon. welwillendheid en genegenheid en daardoor gunst en Genade alsmede Kon. macht en doorluchtigheid te betuigen, wensen Wij hem met hoge en aanzienlijke stand te bekleden, en met adellijk wapenschild en privileges, geschenken en giften.

Een aantal aspecten van de Zweedse adeldom vraagt om nadere aandacht:

Wapenschild. Meijerfeldt wordt toegestaan een wapen te voeren zoals in de brief beschreven staat: twee horizontaal verdeelde velden. Het bovenste veld bevat een sikkel,  het onderste een vesting met vier hoektorens. Dergelijke symbolen zeggen vaak iets over de voorouders: de sikkel verwijst naar de boerenstand en de vesting naar het slotheerschap, het ingenieursschap en/of de vier zijden van het Christelijke kruis. Het wapen mag worden gevoerd in adellijke en ridderlijke zaken. Hieronder worden verstaan samenkomsten, veldslagen, bestormingen, toernooien, ringsteken en andere vermakelijke en ernstige aangelegenheden.

Familienaam. Zoals vaak gebeurt bij adelsverkrijging wordt de achternaam gewijzigd. Meijer wordt in de Zweedse taal geschreven met een losse i en j met losse puntjes gebruikt, geen ÿ, ȳ of y. In de brief wordt afgekondigd dat zijn achternaam vanaf dan wordt uitgebreid met felt tot Meijerfelt. Als reden wordt gegeven: “till en åtskilnad aff andre familier i rijket”. Vertaald: “om onderscheid te maken met andere families in het rijk”. Een uitstapje naar de andere families volgt.

Erfelijkheid. Zowel de verlener als de ontvanger zijn door erfelijkheid aan de adellijke titel gebonden. De opvolgers van de Zweedse koning Karel XI zijn er aan gebonden, tenzij zij de adeldom intrekken vanwege ernstige misdaden als landverraad. De 12-jarige Carl Fredrik, de 10-jarige Johan August en de 7-jarige Wolmar Johan worden van adel en ook hun echte nakomelingen. Bij hen is het het niet zoals bij Anders Meijer uit verdienste, maar vanwege hun afkomst. 

Rechten en privileges. Het gezin krijgt een hoge sociale status. De zoons Meijerfeldt hebben automatisch toegang tot de officiersrang in het Zweedse leger. Hun vader en voorouders waren ook officieren in Zweedse dienst, maar dan dankzij hun oudere Baltische adel. Voor het verkrijgen van belastingvrijdom en het uitoefenen van bestuursfuncties is een extra handeling noodzakelijk: immatricularisatie (inschrijving) en/of introductie bij het Ridderhuis te Stockholm. Vaststaat dat dit bij Meijerfeldt in 1675 heeft plaatsgevonden. (2)

Lijflandse Landdag. De adel van het ‘eigenlijke’ Zweden wordt vertegenwoordigd in de Rijksdag te Stockholm. De Zweedse adel in de buitengewesten (uthrijkes provincierne) in de Landsdag, in dit geval van Lijfland. Bij het toepasselijke recht is er niet zoveel verschil, omdat de absolutistische vorst Karel XI in beide gevallen het Zweedse kerkrecht en teruggave van landgoederen aan de Kroon (reductie) oplegt. Het eerste roept geen spanningen op bij de overwegend Lutherse elite, ook van Estland en Lijfland, maar het tweede des te meer. Anders Meijerfeldt is weliswaar leenman op Festen en Laisholm, maar een grootgrondbezitter is hij niet; zijn loyaliteit ligt nergens anders dan bij zijn Zweedse heren en meesters. Hij tekent dan ook een manifest van de Landdag in Riga in 1700 tegen de verraderlijke operaties van Johan Reinhold Patkul. (3)

Landgoederen. In de adelsbrief worden geen onroerende of roerende zaken aan Meijerfeldt geschonken. Vastgoed als weilanden, akkers, bossen, waterlopen, watermolens en uiteraard landhuizen, alsook daaruit voortkomende roerende zaken (melk, oogst, hout, jachtopbrengst, bronwater, pachtsom) kunnen aan de adel worden verleend. De koning kan dat in de adelsbrief zelf vermelden, het kan in het matrikelboek staan, maar meestal zal de koning deze rechten in een aparte akte schenken.  Expliciet wordt in de brief gesproken van privileges, geschenken en giften, zonder deze precies te benoemen. Bij de naam van Anders staat niet alleen het landgoed Festen van zijn vader, maar ook Laisholm (Jõgeva), 30 kilometer ten oosten van Oberpahlen. Het ligt op het landgoed rondom het riddergoed Lais, ook eigendom van de familie Wrangel.

 

1. Sköldebref (SE/RA/RR/B/412 folio 310).
2. Een afbeelding van het adelswapen op een plaat in het Ridderhuis  geeft hier blijk van. Bovendien meldt het Matrikelboek van het Ridderhuis van 1731 dat de introductie destijds in 1675 onder het volgnummer 864 heeft plaatsgevonden. A.W. Hupel, “Herrn J.B. Fischer’s Beyträge und Berichtigungen zu Hernn F.K. Gadebusch livländischer Bibliothek”, deel 4, Riga 1782, pag. 103-103. A.W. Hupel, “Topographische Nachrichten von Lief- und Ehstland”, deel 3, Riga 1782, pag. 251. J.F. von Bohlen, “Die Erwerbung Pommern durch die Hohenzollern”, Berlin 1865, pag. 59. Vermoedelijk in navolging van de laatste bron R. Marsson, “Die Schwe­dischen General­statthalter in Stralsund”, Stralsundische Zeitung 9-9-1923. Een aanbeveling voor hem staat al in een brief van 01-07-1646 van Axel Oxenstierna aan Gabriel Bengtsson Oxenstierna, Kansli original in Tuarte Historiska Arkivit 278-1-XVIII:14).
3. G. von Budberg, “
Der Liefländischen Ritterschafft, Wie auch, Des Magistrats, und der Bürgerschafft, zu Riga, über des Infamen und Verrähterischen Johan Reinhold Patkuls Auffrührisches Verfahren und Calumnieuse Beschuldigungen; Bey dem in Riga Anno 1700. gehaltenen Landt-Tage, Auffgesetzte, und an Ihro K. Majest. von Schweden Raht, Feld Marschal und General-Gouverneur in Liefland, Den Hochwohlgebohrnen Herrn, Grafen Erich Dahlberg überreichte Declarationes Und Erklärunge”, Riga 09-07-1700.