3.7.3. Hessen-Kassel

Deels gebaseerd op onderzoek van Nathan M. Reiss bij de Mormon Church. [FA/CH-118]

Hessen-Kassel of Kurhessen was in de achttiende en negentiende eeuw een zelfstandig landgrafschaft respectievelijk keurvorstendom, met een onderbreking tussen 1807 en 1813 toen het onderdeel uitmaakte van het door Napoleon gecreëerde koninkrijk Westfalen. Na een verbond met het verliezende Oostenrijk-Hongarije werd het in 1866 als provincie in het koninkrijk Pruisen opgenomen. In dit gebied liggen de stadjes Treysa en Ziegenhain aan de rivier de Schwalm, tegenwoordig samen Schwalmstadt, en de stadjes Spangenberg en Melsungen aan de rivier de Fulda. In deze stadjes is een familie met de naam Meyerfeld bekend. (1)

De eerste Meyerfeld in Treysa is naar alle waarschijnlijkheid tuinman van kolonel Friedrich August von Meyerfeld (1762-1830), die hem toestaat zijn familienaam te gebruiken. Hij heeft vijf kinderen.

Veel van de kleinkinderen van het tweede kind Isaac (1800-1880) overleven de Tweede Wereldoorlog niet. Zo deporteren de Nazi’s de gezusters Rosalie – verpleegkundige – en Sofia Meyerfeld en hun vriendin Johanna Ziegelroth-Oppenheimer van hun woning aan de Uhlandstraβe 10 in Halle naar een zogenaamd “Judenhaus” aan de Hindenburgstraβe 34 (nu Magdeburgerstraβe 7) en van daar samen met 153 andere Joden op 1 juni naar Sobibor bij Lublin in Polen. Daar worden zij twee dagen later op 65- resp. 63-jarige leeftijd vergast.

Stolpersteine voor de Uhlandstraβe 10, Halle/Saale
Stolpersteine, Uhlandstraβe 10, Halle/Saale

Hun broer Max vindt zijn einde in een Nazikamp in Riga in 1941. Voor de oorlog is hij fabrikant in olie, benzine, vetten in Keulen. Zoon Randolph weet tijdig naar Amerika te ontkomen.

Het vierde kind van de stamvader is Susmann. Hij heeft tien kinderen. Veel leden van deze tak overleven de oorlog ook niet. Sommigen wijken uit naar het Engeland of Canada. Zijn vijfde kind Max (1842-1904) Max is eigenaar van de textielfabriek Meyerfeld & Levy in Aken. Diens zoon Otto is eigenaar van de textielfabriek Meyerfeld & Herz en andere zoon Julius hoogleraar chemie in Bonn. Zoon van de laatste Fritz zet de textielfa­briek Meyer­feld & Herz van zijn oom voort. Zesde kind Levi heeft een kleindochter Liss die in 1911 met Hugo Stokvis trouwt, directeur van de Nederlandse handelsmaatschappij Stokvis. Zij wonen in Brussel in het kasteel “Viola Cornuta” en wijken in 1939 naar New York uit.

MM

Levi overleeft zijn vrouw en als hij zelf overlijdt is zijn zoon Max pas 12 jaar oud. Deze zoon wordt warm opgenomen in het gezin van zijn vader’s jongere zus Sarchen en moeder’s broer Max met de familienaam Friedberger. Max studeert in Giessen, Straatsburg en Berlijn Engelse letterkunde, wint in 1896 een prijs van 253 Rijksmark met een scriptie over Robert Burns, promoveert 30 juli 1898 op dezelfde auteur.

Vanaf 1899 schrijft Max boeken, artikelen, recensies, vertalingen (Burns, Galsworthy, Moore, Synge en Wilde) en krantenartikelen (Neue Zürcher Zeitung). Hij verhuist in 1902 van zijn studentenflat aan de Charlottenstrasse 81 naar een huis aan de Lützowufer 29 in Berlijn om zich in het mondaine Berlijn te storten. Hij verwerft van een aantal Britse schrijvers de rechten om te vertalen, uit te geven en in theaters op te voeren. Omdat er in Engeland moralistische problemen zijn, krijgen deze schrijvers soms meer inkomsten uit Duitsland, zoals Oscar Wilde. Max heeft een uitvoerige correspondentie met al deze Britse schrijvers en bezoekt hen elke zomer in Londen.

Max Meyerfeld
Max Meyerfeld

Tegenover anderen schermt Max zijn rechten sterk af, zoals tegen de Oostenrijkse componist en dirigent Alexander von Zemlinsky, die daardoor Wilde’s opera “Een Florentijnse Tragedie” niet kan opvoeren. Hij beleeft zelf een financieel debâcle als hij de door hem uitstekend vertaalde “Hertogin van Padua” na drie voorstellingen in Hamburg in december 1904 moet beëindigen vanwege wanprestaties op het toneel.

Max is inmiddels een bekende schrijver als hij op één van zijn bezoeken aan Londen aan executeur-testamentair Ross (die hij in 1904 in Dresden voor het eerst ontmoet had) vraagt naar Wilde’s in gevangenschap geschreven apologie. Na aanvankelijke weigering en een enkele jaren durende correspondentie, krijgt hij de wereldprimeur. In 1905 verschijnt in het januari- en februarinummer van de Neue Rundschau de Duitse vertaling van het door Ross samengestelde excerpt van het manuscript, getiteld “De Profundis, Aufzeichnungen und Briefe aus dem Zuchthaus in Reading“. Spoedig verschijnt het in boekvorm en volgen vertalingen in vele wereldtalen in een voor die tijd onvoorstelbaar hoge oplage van een miljoen exemplaren. In 1909 verzorgt Max een nieuwe Duitse editie.

In 1914 wordt Max vanwege het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in dienst opgeroepen. Hij krijgt een schrijversbaan. Als hij het voorstel doet het mogelijk Duits-kritische werk “Britling sees it through” van H.G.Wells te vertalen, leidt dat uiteindelijk tot zijn ontslag in 1915 wegens duurzame ongeschiktheid.

In 1924 overhandigt de zoon van Oscar Wilde het originele manuscript aan Max, onder voorwaarde dat hij het na vertaling zal teruggeven. Zo heeft hij opnieuw een wereldprimeur met de Duitse uitgave van de volledige tekst van “De profundis, Epistola in carcere et vinculis”, terwijl het originele Engels pas in 1960 mag worden gepubliceerd. Op de voorpagina van de New York Times Book Review van 21 december 1924 doet hij zelf uitgebreid verslag van de gang van zaken. (3)

Deze primeur komt voort uit de belangrijke plaats die Max geleidelijk in de Engelse literatuur heeft verworven. Hij hoopt ook de Duitse literatuur onder de Engelse aandacht te brengen, maar vraagt zich wel af “whether any notice had been taken in Oxford of Gerhart Hauptman’s 60th birthday”. (4)

Osbert and Sacheverell Sitwell en Siegfried Sassoon zijn de Engelse vrienden die Max heeft in de jaren ’20. Op 8 september 1927 komen de drie mannen vanwege Sassoon’s 41ste verjaardag samen met Nellie Burton, de legendarische huishoudster in Londen, naar Berlijn en de foto van hun bijeenkomst bestaat nog.
In 1933 krijgt Max een Berufsverbot van de Nazi’s. Hij denkt door overgang naar het protestantisme de problemen op te lossen, maar vergeefs. In de gedachte dat Hitler slechts een voorbijgaand kwaad is, wuift hij zijn nicht Edith Mosenthal-Meyerfeld met dochters Ellen en Alice uit naar Engeland in 1938. Op 3 oktober 1940 sterft hij een natuurlijke dood in de Bavariakliniek in Berlijn-Schöneberg en een dag later wordt hij begraven op Berlijn-Wilmersdorf, oorlogsbegraafplaats Güterfelde (blok J, rij UR, graf 151).

 

 
2. Correspondentie met biograaf dr. Horst Schröder. [FA/CH-481]
3. FA Kranteknipsels Jt.462.
4. Brief 28-12-1922 van Lilian Sauter (1864-1924) aan Mrs. Fiedler.