3.5.1. Rheinhessen

In het uiterste zuiden van Hessen, onder Frankfurt, in het Rijndal liggen de plaatsen Crumstadt, Biebesheim en Pfungstadt. Vooral na 1700 groeit het Joodse aandeel in de plaatselijke bevolking. Tussen 1850 en 1940 weten de leden van de hier te behandelen familie op een twaalftal na te ontkomen aan de Jodenvervolgingen. (1)

De familie begint met Moses, genaamd Mosche Crumstadt. Hij wordt tussen 1723 en 1752 genoemd en speelt een bijzondere rol bij de Landjudentagen in Groβ-Gerau.

Zijn zoon is Meyer Moses, genaamd Jud Mosche. Hij koopt een stuk grond in Crumstadt in 1760 en bouwt daar een huis dat tot 1936 familie-eigendom blijft.

Meyer heeft drie zoons: Abraham, Feist Uri Schraga en Michael. De laatste overlijdt kort na zijn geboorte in 1752. De broers Abraham en Feist kiezen na 1808 voor de familienaam Mayerfeld. Feist heeft volgens de belastinggegevens een vermogen van 300 gulden in 1785 en 700 gulden in in 1807.

Feist (1748-1816) houdt zich niet alleen aan de nieuwe regels door met zijn broer een achternaam te kiezen, hij doet – in tegenstelling tot de Joodse traditie – ook aangifte van de geboorte van zijn dochter. Daardoor weten we dat hij zes kinderen heeft, waaronder een (uiteindelijk ongehuwde) dochter.

Er zijn vier zoons die een omvangrijke familie opzetten. De oudste zoon Abraham (1777-1837) trouwt twee maal. Hij krijgt 7 kinderen uit zijn eerste huwelijk en 12 kinderen uit zijn tweede. De volgende zoon Moses (1779-1840) trouwt ook twee maal en heeft totaal 9 kinderen. Michael (1780-1845) trouwt drie keer en heeft totaal 6 kinderen. Jakob (1793-1859) trouwt eenmaal en heeft 7 kinderen.

De oudste zoon van Abraham bouwt in 1826 mee aan de synagoge van Crumstadt. Moses is één van de financiers van de tweede synagoge van Biebesheim. Hij en zijn broer Michael zijn in Biebesheim twee van de drie Schützjuden en hebben al vermogens tot 1.000 gulden.

Een achterkleinzoon van Moses is Arthur Alfred (1892-1952). In 1914 gaat hij in dienst, wordt sergeant, krijgt na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op 23 oktober van dat jaar aan het westfront een schot in elleboog en wordt na een lange herstelperiode in het garnizoen Friedburg geplaatst. Juni 1917 gaat hij weer naar het westfront, raakt onmiddellijk gewond door granaatscherven, herstelt en keert naar het garnizoen terug tot het eind van de oorlog. Voor zijn krijgsverrichtingen krijgt hij later een onderscheiding met een nota bene door Adolf Hitler zelf ondertekende brief.

Arthur Alfred heeft sinds 1927 een eigen lederzaak in Offenbach, die in de Kristallnacht van 1938 in vlammen opgaat. Toch voelen zijn Duitse wortels zo sterk dat hij blijft geloven dat het een incident is. Nadat ook zijn leveranciers zich van hem afkeren, ziet Arthur op het nippertje de noodzaak te vluchten. Hij wijkt met zijn vrouw naar Engeland uit, waar hij de reis met zijn zoons Walter en Ernest voortzet naar de VS.

Walter (1921-1983) zet het werk van zijn vader voort in leerlooierijen in Maine en New Jersey. In 1942 treedt hij toe tot de Militaire Politie van het Amerikaanse leger. Na de oorlog is hij vertegen­woor­diger van een kledingzaak in Chica­go.

Ernest (1925-2001) wordt 1939 klerk op een advocatenkantoormaart en gaat in 1944 in het Amerikaans leger naar Europa. Hij raakt lichtgewond bij Bastogne, Battle of the Bulge. Hij krijgt een Purple Heart. Hij vordert juni 1945 zijn familiehuis in Frankfurt op en brengt op verzoek van zijn vader een bezoek aan een tot ieders verbazing behouden gebleven Krankenhaus der Jüdische Gemeinde in Berlijn. (2)

Na de oorlog is Ernest 20 jaar inlichtingenofficier in Buitenlandse Dienst in Washington, München, Brussel, Istanbul, Frankfurt, Zürich en Helsinki. daarna is hij hoofd Legislative Liaison Office, raadsman CIA-directeur, specialist Freedom of Information Act. In die functie tracht hij publicaties van ex-CIA-agenten te voorkomen, met name in twee beroemde zaken die tot aan de Supreme Court gaan. De eerste is tegen Frank Snepp, die schrijft over het in de steek laten van duizenden Vietnamese collaborateurs. Er zitten geen CIA-geheimen in zijn boek, maar Snepp wordt zwaar belaagd door Mayerfeld die “seemed by far the most likely to whip out a nine millimeter [automatic pistol] and put a bullet through my head.” Philip Agee schrijft in het buitenland (vooral in Nederland) tegen de CIA en tracht tevergeefs zijn paspoort terug te krijgen.

Ernest krijgt de John Marshall Award van het Ministerie van Justitie en de Intelligence Medal of Merit van de CIA. Hij is juridisch adviseur van de National Security Agency, partner bij Cleary, Gottlieb, Steen & Hamilton advocatenkantoor in Washington DC, voorzitter van de CIA Retirees Association en docent bij het Holocaust Memorial Museum.

In de vierde tak heeft Jakob een zoon Emanuel en bij hem zijn twee personen vermeldenswaard. De eerste is diens zoon Ferdinand Uri Schraga (1866-1947), die van Crumstadt met vrouw en kinderen naar Vineland, New Jersey emigreert.

Zittend: Kätchen en Max Staand: Sali, Elly, Max, Clara en Manny
Zittend: Kätchen en Max
Staand: Sali, Elly, Max, Clara en Manny

De andere is kleinzoon Max (1896-1945). Hij is inkoper van pelshuiden. In de jaren ’20 emigreert hij naar Nederland en wordt in 1934 genaturaliseerd. Hij woont in de Warmoesstraat in Amsterdam. Hij is inkoper voor de het warenhuis De Bijenkorf geworden. Het is geen toeval dat hij in 1926 naar Den Haag verhuist, want daar wordt in dat jaar de tweede vestiging aan de Grote Marktstraat geopend. Hij gaat korte tijd terug naar Duitsland (Saarlouis bij Püttlingen), maar woont vanaf 1929 Den Haag en Scheveningen. In 1942 wordt hij met zijn vrouw en zoon geïnterneerd in Westerbork en volgt hun deportatie naar het Nazikamp Bergen-Belsen. Zij overleven en worden op 23 april 1945 bevrijdt. Twee weken later bezwijkt Max aan de vlektyfus. Zijn weduwe moet een rechtszaak tegen de Bijenkorf voeren om zijn pensioenuitkering. De Amsterdamse rechtbank oordeelt in 1952 dat onderduiken leidt tot onvrijwillig verlaten van de dienstbetrekking, waardoor salaris en pensioenpremie hadden moeten doorlopen. Zoon Gert Manfred (1930-2009) vertrekt na zijn huwelijk naar België.

 

  1. Grotendeels gebaseerd op informatie van Alice Josephs and Constant E. Hopkins. [CH-127]
  2. Daniel B. Silver, “Refuge in Hell: How Berlin’s Jewish Hospital Outlasted the Nazis”, New York 2003.