3.7.1. Rheinhessen

Grotendeels gebaseerd op informatie van Alice Josephs and Constant E. Hopkins. [CH-127]

In het uiterste zuiden van Hessen, onder Frankfurt, in het Rijndal liggen de plaatsen Crumstadt, Biebesheim en Pfungstadt. Vooral na 1700 groeit het Joodse aandeel in de plaatselijke bevolking. Tussen 1850 en 1940 weten de leden van de hier te behandelen familie op een twaalftal na te ontkomen aan de Jodenvervolgingen.

De familie begint met Moses, genaamd Mosche Crumstadt. Hij wordt tussen 1723 en 1752 genoemd en speelt een bijzondere rol bij de Landjudentagen in Groβ-Gerau. Zijn zoon is Meyer Moses, genaamd Jud Mosche. Hij koopt een stuk grond in Crumstadt in 1760 en bouwt daar een huis dat tot maar liefst 1936 familie-eigendom blijft.

Meyer heeft drie zoons: Abraham, Feist Uri Schraga en Michael. De laatste overlijdt kort na zijn geboorte in 1752. De broers Abraham en Feist moeten na 1808 door Napoleontische wetgeving een familienaam kiezen en het wordt Mayerfeld. Feist (1748-1816) heeft volgens de belastinggegevens een vermogen van 300 gulden in 1785 en 700 gulden in in 1807. Van zijn zes zoons zetten vier een omvangrijke familie op.

De vier takken verliezen elkaar niet uit het oog, aanvankelijk omdat zij in Crumstadt en Biebesheim blijven wonen – zeven kilometer bij elkaar vandaan – later omdat zij in dezelfde Amerikaanse gemeenschappen gaan wonen. Zo trouwen Jetta uit de eerste tak en Jakob uit de derde in St. Louis, Missouri. Een ander voorbeeld zijn Sol en Ella die na hun huwelijk in Crumstadt in 1932 zes jaar later met ouders en kinderen vluchten voor de Nazi-terreur naar Monsey, New York.

Een ander kenmerk van deze familie is de strenge orthodoxie. In de vierde tak gaan de kinderen in Amerika naar bijzondere scholen, dragen kenmerkende kleding, krijgen oude Hebreeuwse namen en brengen vier rabbi’s voort.

De eerste tak

Abraham (1777-1837) trouwt twee maal; deze tak wordt naar de vrouwen Wolf/Mendel genoemd. Er zijn 7 kinderen uit het eerste huwelijk en 12 uit het tweede. De oudste zoon Wolf bouwt in 1826 mee aan de synagoge van Crumstadt. Een jongere zoon Moses is één van de financiers van de tweede synagoge van Biebesheim. Hij en nog een andere zoon Michael zijn in Biebesheim twee van de drie Schützjuden en hebben al vermogens tot 1.000 gulden. Uiteindelijk sterft deze tak uit.

De tweede tak

Moses (1779-1840) trouwt ook twee maal; deze tak wordt Mainzer/Oppenheimer genoemd. Er zijn totaal 9 kinderen en er komt uiteindelijk één zijtak uit voort die nu nog in de Verenigde Staten leeft. Achterkleinzoon Arthur Alfred (1892-1952) gaat in 1914 gaat in militaire dienst, wordt sergeant, krijgt na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op 23 oktober van dat jaar aan het westfront een schot in de ellenboog en wordt na een lange herstelperiode in het garnizoen Friedburg geplaatst. Juni 1917 gaat hij weer naar het westfront, raakt onmiddellijk gewond door granaatscherven, herstelt en keert naar het garnizoen terug tot het eind van de oorlog. Voor zijn krijgsverrichtingen krijgt hij later een onderscheiding met een nota bene door Adolf Hitler zelf ondertekende brief.

Arthur Alfred heeft sinds 1927 een eigen leerzaak in Offenbach, die in de Kristallnacht van 1938 in vlammen opgaat. Toch voelen zijn Duitse wortels zo sterk dat hij blijft geloven dat het een incident is. Nadat ook zijn leveranciers zich van hem afkeren, ziet Arthur op het nippertje de noodzaak te vluchten. Hij wijkt met zijn vrouw naar Engeland uit, waar hij de reis met zijn zoons Walter en Ernest voortzet naar de VS.

Walter (1921-1983) zet het werk van zijn vader voort in leerlooierijen in Maine en New Jersey. In 1942 treedt hij toe tot de Militaire Politie van het Amerikaanse leger. Na de oorlog is hij vertegen­woor­diger van een kledingzaak in Chica­go.

Ernest (1925-2001) wordt 1939 klerk op een advocatenkantoormaart en gaat in 1944 in het Amerikaans leger naar Europa. Hij raakt lichtgewond bij Bastogne, Battle of the Bulge. Hij krijgt een Purple Heart. Hij vordert juni 1945 zijn familiehuis in Frankfurt op en brengt op verzoek van zijn vader een bezoek aan een tot ieders verbazing behouden gebleven Krankenhaus der Jüdische Gemeinde in Berlijn.(1)

Na de oorlog is Ernest 20 jaar inlichtingenofficier in Buitenlandse Dienst in Washington, München, Brussel, Istanbul, Frankfurt, Zürich en Helsinki. daarna is hij hoofd Legislative Liaison Office, raadsman CIA-directeur, specialist Freedom of Information Act. In die functie tracht hij publicaties van ex-CIA-agenten te voorkomen, met name in twee beroemde zaken die tot aan de Supreme Court gaan. De eerste is tegen Frank Snepp, die schrijft over het in de steek laten van duizenden Vietnamese collaborateurs. Er zitten geen CIA-geheimen in zijn boek, maar Snepp wordt zwaar belaagd door Mayerfeld die “seemed by far the most likely to whip out a nine millimeter [automatic pistol] and put a bullet through my head.” Philip Agee schrijft in het buitenland (vooral in Nederland) tegen de CIA en tracht tevergeefs zijn paspoort terug te krijgen.

Ernest krijgt de John Marshall Award van het Ministerie van Justitie en de Intelligence Medal of Merit van de CIA. Hij is juridisch adviseur van de National Security Agency, partner bij Cleary, Gottlieb, Steen & Hamilton advocatenkantoor in Washington DC, voorzitter van de CIA Retirees Association en docent bij het Holocaust Memorial Museum.

De derde tak

Michael (1780-1845) trouwt drie keer en legt de basis voor de tak Neumann/Bodemheimer/Weil. Er zijn totaal zes kinderen. Deze tak gebruikt de familienaam Mayfield en sterft uit.

De vierde tak

Jakob (1793-1859) trouwt met Karolina Geisenheimer en heeft 7 kinderen. Alleen zoon Emanuel (1827-1907) zet deze tak voort met acht dochters en twee zoons: Jakob en Ferdinand Uri Schaga.

Jakob (1859-1941) vertrekt op 17 januari 1881 uit het ouderlijk huis in Crumstadt naar Worms. Daar huwt hij in 1890 Rosalia Simon. Op 1 januari 1897 starten zij een slagerij aan de Rheinstrasse 20-22, hoek Mähgasse, die al snel een goede naam krijgt. Zoon Sally (1901-1976) is voorbestemd zijn vader als slager op te volgen. Hij trouwt in 1932 met zijn nicht Ella en krijgt de zoons Ernest en Henry. In 1938 verkoopt Jakob huis en slagerij onder druk van de nazivervolgingen, verhuist op 23 maart naar de Siegfriedstraβe 40 en vertrek op 9 september van dat jaar met dochter Frederike en zoon Sally en hun gezinnen af naar New York.

Een oudere zoon Max (1896-1945) is inkoper van pelshuiden en emigreert al in de jaren ’20 naar Nederland en wordt daar in 1934 genaturaliseerd. Hij woont in de Warmoesstraat in Amsterdam. Hij is inkoper voor de het warenhuis De Bijenkorf geworden. Het is geen toeval dat hij in 1926 naar Den Haag verhuist, want daar wordt in dat jaar de tweede vestiging aan de Grote Marktstraat geopend. Hij gaat korte tijd terug naar Duitsland (Saarlouis bij Püttlingen), maar woont vanaf 1929 in Den Haag en Scheveningen. In 1942 wordt hij met zijn vrouw en zoon geïnterneerd in Westerbork en volgt hun deportatie naar het Nazikamp Bergen-Belsen. Zij overleven en worden op 23 april 1945 bevrijdt. Twee weken later bezwijkt Max aan de vlektyfus. Zijn weduwe moet een rechtszaak tegen de Bijenkorf voeren om zijn pensioenuitkering. De Amsterdamse rechtbank oordeelt in 1952 dat onderduiken leidt tot onvrijwillig verlaten van de dienstbetrekking, waardoor salaris en pensioenpremie hadden moeten doorlopen. Zoon Gert Manfred (1930-2009) vertrekt na zijn huwelijk naar België, waar zijn nakomelingen nog wonen.

Zittend: Kätchen en Max Staand: Sali, Elly, Max, Clara en Manny
Zittend: Kätchen en Ferdinand Uri Schaga
Staand: Sali, Elly, Max, Clara en Manny

Ferdinand Uri Schraga (1866-1947), de andere zoon van Emanuel, trouwt in 1892 met Kätchen Schott. Hij is meel- en graanhandelaar in Crumstadt. Zij krijgen acht kinderen, waarvan er vijf volwassen worden. In de jaren ’20 vertrek zoon Manfred als jonge vrijgezel op de boot naar de Verenigde Staten en strijkt neer in de Joodse gemeenschap in Vineland, New Jersey.  Moeder leidt 1932 in Crumstadt de Israëlische Vrouwenvereniging (met name ziekenzorg). In de jaren ’30 beweegt Manfred hemel en aarde om zijn ouders, broers en zussen naar Vineland te krijgen, wat hem tussen 1938 en 1940 lukt. De familie werkt in het zuiden van New Jersey  gezamenlijk hard op de kippenboerderij en kan ongestoord de sabbat vieren: “The chicken won’t mind if I keep Shabbos. The hens won’t care if I speak German.”, legt broer Sali uit. In 1978 wordt uiteindelijk de kippenboerderij beëindigd. In Norma worden bouw- en loodgietersactiviteiten gestart.

Sali plumbing

Sali met kleinzoons Moshe en Yehoshua

1. Daniel B. Silver, “Refuge in Hell: How Berlin’s Jewish Hospital Outlasted the Nazis”, New York 2003.