1.10.5. Discussie

De auteur van het Matrikelboek uit 1754 en de handgeschreven Meijer-genealogie van 1765 is een duidelijke bron voor de conclusie dat het Zweedse geslacht Meijerfeldt uit Lijfland komt. Hoewel hij veel wordt overgenomen, blijft hij de enige bron. De  genealogie blijft ruim een eeuw in het archief van de Universiteit van Uppsala verborgen. De auteur van een grote adelsboek uit 1861 is de eerste die de handschriften publiceert. (1)

Een volgend wapenboek voegt toe dat de Meijerfeldts van oeradel en genaturaliseerd zijn.  (2) De oeradel blijkt niet uit de adelsbrief. Als de bewering klopt moet er een akte of leenbrief zijn (waarop soms een renversaal retour volgde) waarin een belening letterlijk werd bezegeld. In de Duitse context is het geslacht dan van vóór 1350 (volgens de Almanach de Gotha) en in de Zweedse zelfs van vóór 1280 (Alsnö Handvest). Op beide lijsten komen de Meijers niet voor. Zij behoorden dus tot de – lagere – landadel, die een leenbrief verwierven, in dit geval van een Orderidder.

Het geslacht Meijerfeldt is dus afkomstig uit de Zweedse buitengewesten (uthrijkes provincierne) en moest inderdaad genaturaliseerd worden. De hoge regeringsfunctionaris Görtz, die afkomstig was uit het Zweedse buitengewest Holstein-Gottorp, bemerkte dat de koning hem gewillig was en hij al lang Senator geweest was indien de regenten in Stockholm niet zoveel gif en gal over buitenlanders zouden uitstorten. Hij merkt op dat ook de zoon van Meijerfeldt – in veel zaken zijn vijand – nog steeds als Lijflandse vreemdeling bejegend wordt. (3)

In een lijvig werk over het geslacht Wrangel staat dat Magdalena met Henric Meijer getrouwd was. Er staat een jaar bij: 1562. De voornaam van de vader is hier Christoph en niet Wolmar Wrangel; de moeder heeft wel dezelfde naam. (4)

In enkele meerdelige boeken in de twintigste eeuw staat ook de Baltische reeks van vader op zoon. De belangrijkste van deze boeken noemt de Stockholmse Ridderhuisgenealogie over het geslacht Wolffensköld ytterst felaktig och ofullständig (extreem incorrect en onvolledig). Op basis van de gegevens van het Ridderhuis van Riga wordt het goede plaatje geschetst. (5) De Matrikels hadden mede tot doel familietwisten op te lossen en werden daardoor wel als lögnare en utrolig  neergezet. (6)

In een grote biografische lexicon uit 1986 zijn de voorouders van Anders weggelaten. Als reden  geeft de auteur op dat hij deze niet in geschriften uit die tijd kan terugvinden. (7) Hij is weliswaar terecht kritisch op de oude adelsboeken, maar maakt zich niet geloofwaardiger door te stellen dat een zoon van Anders Meijer “ondanks zijn nederige afkomst” met een dochter van gouverneur-generaal Hastfer trouwt.

Zweedse tijdgenoten beschouwen de Meijerfeldts als immigranten: Lijflanders of Duitsers. (8) De vaststaande afkomst van Lijfland kwalificeert hen tot adel uit de Zweedse buitengewesten (met Finland lag dat anders). Militaire bevelhebbers houden bovendien rekening met hun oriëntatie op Duitsland, want de eerste graaf krijgt het commando over een Duits bataljon en bestuursfuncties op het Duitse vasteland, terwijl aan de laatste graaf expliciet vanwege zijn “Duitse spraak­zaamheid” een diploma­tieke mis­sie naar de Hertog van Brunswijk wordt toevertrouwd. (9) Ook bij hun huwelijken wordt steeds hun spraakzaamheid als verzachtende omstandigheid van het leeftijdverschil en uiterlijk vermeld.

 

1. G. Anrep, “Svenska Adels Ätters-taflor”, Stockholm 1861, pag. 888-889.
2. C.A. Klingspor, “Sveriges Rid­derskaps och Adels Vapen­bok”, Stockholm 1886, pag. 14:4.
3. D. Fassmann, “Gespräche in dem Reiche derer Todten”, deel 7, Patkul-Görtz, Leipzig 1719,  pag. 502.
4. H. von Baensch, “Geschichte der Familie Von Wrangel vom Jahre Zwölfhundertfünfzig bis auf die Gegenwart”, Berlin/Dresden 1887, deel 1,  pag. 130.
5. G. Elgenstierna, “Den introducerade svenska adelns ättertavlor”, Stockholm 1930, deel 5, pag. 226-227.
6. L. Lindholm, lemma in “Svenska Biografiskt Lexikon”, Stockholm, deel 33, pag. 448. Critici van Von Stiernman waren collega’s Daniël Tilas en Jacob Langebek.
7. H. Gillingstam, lemma in “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, deel 25, pag. 470. Von Stiernman leefde in 1724 in Riga en deed daar onderzoek in de archieven, maar benoemt zijn bronnen niet.
8. G.M. Urndt, “Schwedische Ge­schichten unter Gustav dem Dritten”, Leipzig 1839, pag. 120-121.
9. G.J. Ehrensvärd, “Dagbocksanteckningar förda vid Gustaf III:s Hof”, Stockholm, deel 1, pag. 462-463.