3.5. Joden

Verspreid over de wereld wonen tegenwoordig vrij veel Joodse naamgenoten. Vooral de schrijfwijzen Meyerfeld en Mayerfeld komen voor. Zij voeren het voorvoegsel “von” en de middenletter “n” nooit. (1)

Het gaat om Ashkenazische Joden die naar alle waarschijnlijkheid na de Kruistochten vanuit Zuid-Duitsland langs de Rijn noordwaarts naar Hessen en Westfalen zijn getrokken. Van zuid naar noord hebben zij zich vooral geconcentreerd in de Hessische plaatsen Crumstadt, Homburg, Buseck, Angerod en Treysa en in de Westfaalse plaatsen Beverungen en Elberfeld. Dit hoofdstuk zal die plaatsen stuk voor stuk behandelen.

 

De Joodse Meyerfelds wonen in Hessische en Westfaalse stadjes en zijn actief in de hen toegestane beroepen: vee- en vleeshandel en iets later textiel. Ze wonen dus niet in stadsgetto’s, zwerven niet langs de weg als ‘bedeljoden’ en brengen het ook niet tot ‘hofjoden’. Regelmatig zijn zij wel “beschermjoden” of “Schutz Jude”: tegen betaling van een buitengewoon hoge som geld aan de landheer kunnen zij veilig over de weg reizen, toegang tot de gerechten krijgen en bepaalde (tot dan toe verboden) ambachten uitoefenen. De gezinshoofden zijn vaak voorzinger in de gemeente en initiatiefnemers tot oprichting van een synagoge. Bijzonder orthodox in geloof en cultuur lijken ze niet.

Dankzij opkomende tolerantie in de buurlanden eind achttiende eeuw (keizer Joseph II van Oostenrijk-Hangarije, keizer Napoleon Bonaparte in Frankrijk) wordt de officiële situatie voor de Hessische en Westfaalse Joden weliswaar geleidelijk beter, maar neemt de vijandigheid van de christelijke kerken en hun aanhangers toe. Vanaf die tijd is er sprake van een emigratiegolf, vooral naar de Verenigde Staten, met een hoogtepunt in de eerste jaren van het Nazi-bewind; veel achtergebleven Meyerfelds zijn omgekomen in de Nazi-vernietigingskampen.

Het voeren van een geslachtsnaam was in de Joodse gemeenschap – net als bij het grootste deel van de bevolking – niet gebruikelijk. De mogelijkheid voor Joden tot het verkrijgen van burgerschap liep gelijk op met de invoering van familienamen. Met name het decreet van 31 maart 1801 van Koning Jerôme Bonaparte van Westfalen (dat ook Hessen-Kassel omvatte) was van belang. Alle Joden moesten binnen drie maanden een ‘Beiname’ aan de lokale overheid opgeven.

Families waarin de voornaam Meyer traditioneel voorkwam – de Jiddische variant van het Hebreeuwse Me-ir, letterlijk in het Nederlands vertaald “de verlichtende” – wilden dit in de nieuwe achternaam continueren. Ter onderscheiding van vele families die dat deden voegde een aantal families het landbouwkundige woord ‘feld’ toe.

  • Het decreet Jerôme bepaalde dat niet voor plaatsnamen en namen van bestaande families mocht worden gekozen. A contratio kan worden geconcludeerd dat de naam Mayerfeld of Meyerfeld in dat gebied in die tijd niet voorkwam. In andere hoofdstukken van dit deel blijkt dat dit niet juist is. De verklaring is dat een adellijke heer Von Meyerfeld toestemming gaf zijn naam te gaan voeren. Dat zou wel betekenen dat alle Hessische en Westfaalse Joodse Meyerfelds van één familie komen. Hier zijn twee verhalen over bekend:
    — Een Kurhessische heer stond zijn Joodse tuinman toe zijn naam te voeren. (2) Een mogelijk oorsprong ligt dan in Ziegenhain, waar in waterfort de rekruteringsplaats was voor Britse huurtroepen tegen Amerikaanse opstandelingen. Friedrich August von Meyerfeld (H.5) was daar in 1805 kapitein lichte troepen, in 1806 kapitein artillerie en bleef er regelmatig terugkomen.
    — Een Zweedse landheer stond zijn Joodse rentmeester toe zijn naam te voeren. (3) Zweedse landheren leefden alleen in Pommeren of Mecklenburg vóór het jaar 1800, ver van Hessen en Westfalen dus.

Verder kan nog opgemerkt worden dat de adellijke familie Meyenfeldt uit Rösebeck in die tijd op geringe afstand van Beverungen (20 km) leeft. Friedland ligt 30 km van Rösebeck en Meyer Nathan uit het Poolse Korfantow neemt daar de geslachtsnaam Meyerfeldt aan.

Tijl Uilenspiegel

Eerder kwam de Baron von Münchhausen aan de orde, nu Tijl Uilenpiegel. Zijn naam lijkt weliswaar niet op Meijenfeldt, maar de Saksische omgeving van zijn verhalen legt toch een verband. In de stad Brunswijk (Braunschweig) worden Uilenspiegel en het Joodse bankiersgeslacht Meyersfeld met elkaar verbonden door het volgende voorval.

Tot grote waardering van de stadsbevolking wordt in 1906 een Tijl Uilenspiegel fontein opgericht in Brunswijk, op de plaats waar de bakkerij uit de vlegelverhalen in 1510 zou hebben gestaan. Initiatiefnemer en financier is Bernhard Meyersfeld, die samen met zijn vader David leiding gaf aan “D. Meyersfeld Bankgeschäft” aan de Friedricht-Wilhelm Platz 3 in die stad. In 1933 halen de Nazi’s het gedenkplaatje met referte aan Meyersfeld weg bij het fontein. Als het oude centrum van Braunschweig 14-15 oktober 1944 wordt getroffen door een geallieerd bombardement blijft geen steen op de ander staan, maar het fontein blijft gespaard. De bevolking ziet dat als een laatste streek van Tijl.

 

Eulenspiegelbrünn, Braunschweig

Vader David komt uit Einbeck. Of er een relatie bestaat met de zijdefabriek Meyerfeld in die stad uit het begin van de negentiende eeuw is niet bekend. De oudste zoon van Bernhard is Bertold en hij zet het bankiersbedrijf voort. Over diens gezin doet het volgende verhaal de ronde.

Cecile, de vrouw van Bertold Meyersfeld, komt uit Parijs. Zij zorgt voor een fraai ingerichte villa, is het middelpunt van een elegant en kunstlievend gezin en organiseert vaak party’s en – voor die tijd bijzonder – autoritjes. In 1929 is de grote bankcrisis, de oude Meyersfeld Bank wordt 1934 ‘Arisiert’en de familie is haar vermogen kwijt. Alleen het prachtige bankgebouw in de Amsberg Villa  tegenover het station blijft behouden. Cecile heeft tot dan toe nooit een hand uit de mouwen gestoken, maar besluit er nu een Café in te gaan runnen. Al snel wordt het de favoriete publieke ontmoetingsplaats. Op 1 mei 1933 verbiedt zij de Nazi-vlag op het gebouw te laten wapperen. Haar manager is een Nazi en dezelfde dag wordt zij gearresteerd. Pas op 10 september wordt ze vrijgelaten, dankzij de connecties van haar levendige en knappe dochter Annette. Ene Körner is bereid haar te helpen, hoewel hij haar 5 jaar eerder een vergeefs huwelijksaanzoek deed, in de tijd dat Annette omgang had met een groep jonge officieren in Berlijn, onder wie Herman Göring.

 

1. Mede omdat volgens een getuige verschillende naamgenoten tussen de Wereldoorlogen in Zürich zouden hebben gestudeerd, had Frits von Meijenfeldt (Nk.33) in een brief van 14-08-1984 zelfs twijfels over onze Zweedse afstamming [CH-39].
2. Brief van 20 november 1935 van Max Meyerfeld aan Govert von Meijenfeldt [CG-42]. Hij heeft het over zijn overgrootvader. Rond het jaar 1800 kreeg deze in Treysa vijf kinderen, dus zal daar of in het aangrenzende Ziegenhain hebben gewoond.