1.3.6. Oponthoud in Litouwen

Missies in Litouwen van Johan August, met Karel XII en van Carl Fredrik

Johan August Meijerfeldt blijft in Polangen de bezit­tingen van Sapieha in Neder-Litouwen beschermen. Op 15 oktober 1701 komt koning Karel XII met maar weinig begeleiders naar hem toe en gebiedt ieder zijn aanwezigheid geheim te houden. Hij vraagt Johan August hem als enige te vergezellen. In het stadje Repsin bezoeken zij het monnikenklooster. De prior  ontvangt de Zweedse officier met zijn onbekende metgezel en biedt hen een glas wijn aan. Dat wordt niet afgeslagen. Hij proost op de gezondheid van de koning van Zweden. Die proost wordt beantwoord. Zonder zijn identiteit bloot te geven vertrekken ze.   Na zijn korte bezoek reist Karel XII via Polangen noordwaarts naar zijn hoofdkwartier in Würgen (Virga) in Koerland terug. (1)

Eind oktober hoort Johan August dat vlakbij in Rosienie een landdag georganiseerd wordt door de adel die op de hand van Augustus en Oginski is. Hij laat een open brief rondgaan dat de betrokken  landgoederen moeten rekenen op inkwartiering van 3.000 man Zweedse cavalerie. Johan August kan zijn koning schrijven dat de landdag zonder anti-Zweedse besluiten of uitspraken eindigt.

Op 15 november 1701 neemt de koning vier besluiten die Meijerfeldt betreffen. Hij willigt het verzoek in om Sapieha te steunen met meer troepen, namelijk 100 dragonders. Op voorstel van Johan August leveren deze bescherming aan Sapieha’s bezittingen, mits hij een actieve bijdrage levert aan de onttroning van Augustus II. (2) De andere besluiten betreffen de benoeming van Johan August tot overste in het cavalerieregiment van Åbo (Turku) en Björneborg (Pori), beiden aan de Finse westkust, met medeneming van zijn 200 ruiters. Dit Finse regiment was in 1700 naar Lijfland overgestoken om onder Welling aan de Grote Noordse Oorlog mee te doen. Het heeft er zo alle schijn van dat Johan August zich net als zijn oudere broer Carl Fredrik in het Österbotten regiment blijft concentreren op de verdediging van Lijfland.  (3) 

Het infanterieregiment van Carl Fredrik Meijerfeldt valt terug op de noordelijke provincie Österbotten en het cavallerieregiment van Johan August Meijerfeldt op de westelijke provincie Åbo och Björneborg.

Op 27 november heeft Johan August met majoor Siegrot en 160 man een schermutseling met het vliegende korps van Oginski. Aanvoerder Duleffsky en 30 van zijn manschappen vinden de dood en de overige 220 man vlucht met achterlating van veel bagage. (4)

Eind november ontvangt de koning een brief van Johan August dat Sapieha aandringt om Oginski snel te verslaan. Oginski heeft niet veel troepen nodig voor zijn guirrilla-oorlog met hulp van veel sympathiserende Koerlanders. Karel XII heeft er genoeg van en besluit terstond op 1 december met 400 man per slede uit het hoofdkwartier naar Meijerfeldt te vertrekken. (5) Onderweg haalt hij kolonel Hummerhielm met zijn  detachement op en ontmoet Johan August volgens afspraak in Calivaria. Daar bereikt hen het bericht dat de vijand in Skudy (Scadi) is, maar bij aankomst blijkt deze naar Triksel verdwenen. Karel XII laat de infanterie achter om meer snelheid te kunnen maken en hoort in Tirksel dat de vijand 22 kilometer zuidwaarts naar Trysky (Tryškiai) is gegaan, maar ook daar blijkt ze tijdig gevlucht.

Karel XII besluit de mannen van Hummerhielm en Meijerfeldt even op adem te laten komen. Ze worden in de burgerhuizen ingekwartierd en mogen hun gevechtstenue uittrekken, omdat deze na het overzwemmen van de rivier doornat was geworden. De koning slaapt in het fort. ‘s-Nachts sluipen 6 tot 7000 Oginski’s binnen en steken  huizen in brand, maar de overrompelde Zweden weten zich snel in de kleren te hijsen en aanvallers te verjagen. Het gerucht dat de koning dit avontuur niet heeft overleefd doet al snel de ronde.

Op 6 december rijdt Johan August met de Zweedse troepen 22 kilometer naar Lubinski, waar Oginski veel gewonden heeft achtergelaten, de volgende dag 8 kilometer naar Uzwetta (Użventis), waar de achtergebleven Zweedse infanterie per slee uit Skadi aankomt en 8 december naar Kelm (Kelmé), waar het slot wordt geplunderd en geruïneerd. Na een pauze gaat het op 10 december 17 kilometer oostwaarts naar Suttowiani (Tytuvenai) en de volgende dag 22 kilometer naar Grynkiski (Grinkiškis). Op 13 december is de aankomst in Kyedum, waar enkele dagen halt wordt gehouden om inlichtingen over de vijand in te winnen. In deze stad woont Karel XII met Johan August een Lutherse kerkdienst bij.

Op 18 december wordt de mars voortgezet en in een dorpje horen ze dat Oginski in Kovno (Kaunas, Kauen) zit. Karel XII doet er alles aan om zijn komst geheim te houden, maar omdat de rivier de Njemen niet meer bevroren is en maar één praam voor de oversteek beschikbaar is, kan de vijand zich naar Wilna (Vilnius)  terugtrekken. Karel XII blijft nog wat dagen in Kovno en ziet het zinloze van de achtervolging in.

De koning aanvaardt de lange reis terug naar het hoofdkwartier in Würgen, waar hij Eerste Kerstdag arriveert. (6) Hummerhielm krijgt het commando in Kovno en Johan August gaat met 1300 man westwaarts naar Jürburg (Jurbarkas, Georgsburg) aan de Njemen. Op 4 januari 1702 brengt hij rapport aan de koning uit. (7) Al dit oponthoud in Litouwen is te verklaren uit het feit dat Karel XII op aandrang van de grote zeemachten Holland en Engeland serieus onderhandelt met Augustus II. De voorwaarden over en weer blijken echter onoverbrugbaar. Door de spreekwoordelijke chaos in de Poolse Landdag is er geen uitzicht op een vreedzame wisseling van de Poolse troon. De Zweedse koning ziet een militaire inval in Polen als zijn enige alternatief.

Vanuit zijn kwartier in Bielewitz bevordert Karel XII Johan August op 18 februari 1702 tot kolonel van zijn regiment. De zittende kolonel Gustaf Eneskiöld was op 30 december in de Slag bij Erristfer door de Russen krijgsgevangen gemaakt. Een andere kolonel met de naam Hagen wil dit regiment ook wel leiden, maar de koning meent dat hij zelf maar geld moet ophalen in Koerland om een regiment te werven. Eneskiöld zal in 1708 gelukkig uitgewisseld worden en zijn dan vacante baan terugkrijgen. Dit geluk zal hem maar kort gegund zijn vanwege zijn krijgsgevangenschap bij Poltava, ditmaal tot diens dood. (8)

Op 22 februari schrijft de koning brieven aan zijn voorposten Meijerfeldt en Hummerhielm om verder naar de grens op te trekken en laat Axel Sparre de leeggekomen bezetting bij Kovno opvullen. (9)

 


1. J.A. Nordberg,
“Konung Carl den XII:tes historia”, Stockholm 1740, deel 1, pag. 288. M. Ranft, “Die Merkwürdige Lebensgeschichte derer vier berümten Schwedischen Feldmarschalle, Grafen Rehnschild, Steenbock, Meyerfeld und Dücker”, Leipzig 1753, pag. 280.
2. Riksarkivet, 1112.1. Riksregistraturet 1523-1718, B/627, folio 578, “Till öfwerstl: Johan August Meijerfelt swar, ang. Sapiehas begären at rycka längre in uti landet”. E. Carlson, “Sveriges Historia under Karl den tolfdes regering”, Stockholm 1910, deel 7, pag. 43. C. von Rosen, “Bidrag till kännedom om de händelser, som närmast föregingo svensk stormaktväldets fall”, Stockholm 1936, deel 1, pag. 19. Karel XII gebruikt Meijerfeldt als zijn tussenpersoon voor de belangen van het Huis Sapieha.
3. Riksarkivet, 1112.1. Riksregistraturet 1523-1718, B/627, folio 579, “Till öfwerst lieutenant Johan August Meijerfelt avancerende med fullmakt på Õfst Lieutenants chargen under Âbo Lähns Cavalerie”, folio 579v en folio 580. In de maanden daarvóór staat Johan August zonder militaire rang vermeld, maar dat komt wellicht omdat hij op 2 juni 1700 niet bij Koninklijk Besluit maar door Welling tot overste van een squadron ruiters was benoemd. Dat Karel XII daarvan wist blijkt wel uit het feit dat hij hem al drie maanden later tot kolonel bevordert.
4. Dit gevecht leidt tot zijn eerste vermelding in de Hollandse (Franstalige) voorloper van een krant Gazette de Leyde of Nouvelles Extraordinaires de Divers Endroits d.d. 29-12-1701. Verder C.G. Rehnskiöld, “Anteckningar och dagböcker”, Karolinska Krigares Dagböcker jämte andra samtidiga skrifter, deel 9, Lund 1913, pag. 6. en Chr. Kelch, “Liefländische Historia 2, Continuation 1690 bis 1707”, Dorpat 1875, pag. 249.
5. Riksarkivet, 1112.1. Riksregistraturet 1523-1718, B/629, folio 66. Z. Topelius, “The surgeon’s stories”, deel 3, “Times of Charles XII” (vert.), Chicago 1884, pag. 57.

6. G. Adlerfeld,, “Histoire Militaire de Charles XII, Roi de Suède”, Amsterdam 1740, deel 1, pag. 254. M. Ranft,  pag. 280.
7. J.A. Nordberg, deel 1, pag. 193-194. G. Jonasson, “Karl XII:s Polskapolitik 1702-1703”, Studia Historica Upsaliensa deel 27, pag. 13-14. H.E. Uddgren, “Fälttågen 1701-1706”, in S.E. Bring, “Karl XII”, Stockholm 1918, pag. 225.
8. Riksarkivet, 1112.1. Riksregistraturet 1523-1718, B/629, folio 339, “Öfwerste fullmakt för Johan August Meijerfelt”. E. Brunner, “Carolus Rex, Karl XII – hans liv i sanning återberättat”, 2005, biografische roman, pag. 197, noemt hem al bij de verwikkelingen in Riga “överst”, het Zweedse equivalent voor kolonel. Nilsson wijst er op dat de wapenbrief  zijn promotie op 18 februari 1702 dateert. Ook G. Elgenstierna “Den introducerade svenska adelns ättertavlor”, Stockholm 1930, deel V, pag. 227, noemt deze datum.
9. Riksarkivet, 1112.1. Riksregistraturet 1523-1718, B/629, folio 380, “Till Öfwerste Meijerfelt angående Westmanlanz regementens marche och Hummerhielms afmarche samt lifregementes förplägning till fuβ  och Dragonerne”.