2.5.5. Tweede Wereldoorlog

De leden van de Nederlandse familie Von Meijenfeldt ondergaan de Tweede Wereldoorlog op verschillende wijzen. Achtereenvolgens wordt hier ingegaan op verhuizingenverzetsdaden, (krijgs)gevangenschap en sterfgevallen.

Verhuizingen

Het aantal verhuizingen van familieleden neemt in de Tweede Wereld toe. Voor een deel heeft dat weinig met de oorlog te maken, voor een deel is dat wel een direct gevolg daarvan.

Tot de eerste categorie behoort de verhuizing van Jan een dag vóór het uitbreken van de oorlog. Hij vertrekt met vrouw en twee dochters naar de Rijnstraat 174 III in Amsterdam. Bets verhuist dat jaar met haar man naar Huizen. Haar zus Lien verhuist in 1942 naar de Geuzenstraat in Amsterdam. Carl verhuist in 1943 naar de P.C. Hooftstraat. De weduwe van Evert, Gerritdina van der Bend, verhuist dat jaar binnen Amsterdam naar de Nico­laas Maes­straat.

Tot de categorie verhuizingen ten gevolge van de oorlog behoren in de eerste dagen degenen die aan internering willen ontkomen vanwege hun militaire status. To regelt voor Pieter van Wigcheren een onderduikadres bij haar zus Anna aan de Leidschegracht in Amsterdam, hoewel zij zich twee dagen na de inval heeft laten scheiden. Zij trekt in 1942 weg naar Ermelo, waar zij aan de Vondellaan 44 gaat wonen. Een jaar later keert ze terug naar Amsterdam naar haar zus Anna aan de Leidschegracht, omdat haar ondergedoken ex-man daar is overleden.

Hun broer Carl had ook maar beter meteen kunnen verhuizen, want hij wordt al snel opgepakt vanwege zijn militaire rang. Er zijn twee Duitsers nodig om zijn vrouw Marie van der Straaten in bedwang te houden als hij in de arrestantenwagen wordt geleid. Kort nadat hij al zijn persoonlijke bezittingen moet afgeven, biedt de dienstdoende Gestapo-officier zijn verontschuldigingen aan. Carl krijgt de indruk dat ze hem vanwege zijn achternaam voor een in de jaren ’30 in Nederland gestationeerde Duitse spion houden. Na een overvloedig diner, een overnachting en ontbijt wordt hij met een limousine naar zijn hevig verontruste vrouw teruggebracht.

Dwars door Scheveningen en Den Haag start de Duitse bezetter in 1942 met het bouwen van een een verdedigingslinie van bunkers, afweergeschut en een brede antitankgracht als onderdeel van de Atlantikwall tegen een geallieerde invasie. Frits woont aan de Klimophof in dat gebied. Hij wordt samen met 135.000 anderen geëvacueerd, zijn huis wordt door Nederlandse aannemers met de grond gelijk gemaakt en het bouwmateriaal wordt naar Duitsland afgevoerd. Niet-actieven worden gelast naar het oosten te gaan, maar het lukt Frits zelf onderdak te vinden aan de Mgr. Van Steelaan in Voorburg. Dat is bijzonder, omdat niet-actieven in Voorburg gelast wordt plaats te maken voor economisch aan de regio gebonden personen. Hierdoor moet Carl zijn woning aan de Van Egmondestraat wel verlaten en in Nijmegen gaan wonen. Daar overleeft zijn vrouw Marie van der Straaten een geallieerd bombardement: in de Samatrastraat worden de buurhuizen aan weerszijden getroffen.

Govert negeert in 1941 samen met andere docenten het Duit­se bevel om het Prinses Beatrix Lyceum in Flims-Waldhuis te sluiten. Omdat de geldkraan van het Ministerie van Onderwijs wordt dichtgedraaid, verhuizen zij met 7 wagonladingen naar Glion (bij Mon­treux). Zij nemen ge­noegen met kost en inwoning, een beetje zakgeld en een uit voet­tochten door half Zwit­serland bestaande vakantie. Een be­slag door een deur­waar­der wordt ongedaan ge­maakt ten gevolge van een bedelactie bij alle Nederlanders die in het telefoon­boek worden gevonden. De leerlingen zijn nu kinde­ren van gepensio­neer­de Nederlan­ders of van Engelandvaarders, maar ook vluch­telingen uit ar­beidskampen of van Jood­se afkomst.

Verzetsdaden

Frits helpt veel Joodse vluchtelingen door hen in de kelder van zijn huis en aangrenzende huizen aan het Bachplein in Amsterdam te verbergen.

Zijn zoon Carl doet dienst bij het Koninklijk Marine Instituut en wordt gedemobiliseerd bij de Duitse inval. Hij studeert maar kort geneeskunde, omdat hij de zogenaamde loyaliteitsverklaring aan de Duitse bezetter weigert te tekenen. Na een periode van (krijgs-)gevangenschap gaat hij de Ondergrondse in en later de Binnenlandse Strijdkrachten. Hij commandeert aan het eind van de oorlog een groep, die moet voorkomen dat de Duitsers strategische installaties in Amsterdam opblazen. Hij brengt een periode van herstel door in de tuin van de familie Van der Graaf en huwt hun dochter Hanny direct na de oorlog.

Gerard geeft als politieman aanvanke­lijk gehoor aan de oproep van de Nederlandse regering in ballingschap tot heimelijke tegenwerking. Uiteindelijk duikt hij na een incident over de Jodenvervolging onder met behulp van de illegale groep van prof.dr. Jan Coops. Later doet hij zelf aan het illegale werk mee. Januari 1944 brengt hij heimelijk thuis in Heemstede door om zijn vader te verzorgen, die maagbloedingen en hikaanvallen heeft (zelfs bij de buren Boelhouwer te horen) en tenslotte overlijdt. Gerard heeft zich onder de naam Wim de Ridder vermomd met bril; als hij die bril breekt en zijn vaders bril gebruikt, moet hij deze wegens de sterkte op het puntje van zijn neus zetten.
Op 15 maart 1945 heeft Gerard als Chef-Staf Gemotoriseerde reserve K.P. Amsterdam de leiding over een transport per bakfiets van 103 overalls en 85 helmen, waarbij door toeval gewapend is. Doordat het afleveradres achter de Marnixstraat 202 draalt met het in ontvangst nemen van de goederen ontstaat fatale vertraging. De onderscharleider der Landwacht Berend IJpelaar komt aanlopen, trekt zijn wapen en gelast de vier mannen op een rij te gaan staan. Van een moment van onop­lettendheid maakt Gerard ge­bruik om zijn wapen te trekken. Zij schieten gelijk op elkaar; ook twee van de anderen vuren schoten af. Ge­rard vlucht met de bakfiets­rijder weg en wordt achternagezeten en bescho­ten, waardoor de andere twee kunnen wegkomen. Uiteindelijk blijkt IJpe­laar met vier kogels te zijn neer­ge­schoten; de Sicher­heits­dienst weet de zaak niet op te los­sen.

Chiel is 17 jaar als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. Hij doet eerst in 1942 eindexamen HBS-B en rolt daarna de Ondergrondse in op het moment de Duitse bezetting zich verhardt. Later wordt hij actief in de Binnenlandse Strijdkrachten en krijgt een Engelse opleiding tot reserve-officier. Als de Canadezen begin mei 1945 Voorburg binnenrijden, staat hij in de blauwe overall van de BS de bevrijders op te wachten, stengun op de borst.

Robert van Luijk, de echtgenoot van Elly, neemt op 14 mei 1940 deel aan de lucht­verdediging van de Rot­terdamse Waalhaven tegen de Duitse lucht­macht, waarvoor hij later het Oorlogsherin­ne­ringskruis krijgt. Na de capitulatie duikt hij in Zeeland onder en neemt daar deel aan het verzet, waarvoor hij tientallen jaren later het Verzetsherdenkingskruis krijgt. Na de bevrij­ding van Zee­land wijkt hij via Brus­sel naar Londen uit en wordt officier en in­struc­teur bij de Royal Air Force.

Aan het eind van de oorlog – vermoedelijk op Dolle Dinsdag – wordt Jan in restaurant De Rode Leeuw belaagd vanwege zijn achternaam, maar ontkomt hij door zijn goede uitspraak van de g in plaats van een k in de plaatsnaam Scheveningen.

Govert is betrokken bij de contacten van een aantal docenten van het Prinses Beatrix Lyceum in Glion met een aantal voor­aanstaande Zwit­sers, die onderhandelen met een SS-generaal. Het resultaat is dat in maart 1945 60 kinderen uit het Duitse concen­tratie­kamp There­sienstadt in Glion arriveren en daar worden opgevangen en onderwijs krijgen.

(Krijgs)gevangenschap

Carl is beroepsofficier bij het uitbreken van de oorlog. Hij wordt op die grond in hechtenis genomen en getransporteerd naar het krijgsgevangenkamp Stanislau in Polen. Later wordt hij te werk gesteld in Berlijn. Daar weet hij gedurende de verwarring door de geallieerde bombardementen naar Nederland te ontkomen, waar hij in het verzet gaat.

Frits is na zijn diensttijd reserve-luitenant van de bereden artillerie als de oorlog uitbreekt. Hij wordt na de Nederlandse capitulatie afgevoerd naar een krijgsgevangenkamp in Polen, waar hij na de oorlog uit bevrijd wordt.

Henk is in Nederlands-Indië geen militair maar bestuursambtenaar. Toch wordt hij in 1941 geïnterneerd in een Jappenkamp en overleeft het niet.

Sterfgevallen

In de familie kent sterfgevallen die niets met de oorlog te maken hebben en sterfgevallen die er een gevolg van zijn.

Tot de eerste categorie behoort het overlijden van drie familieleden. Evert sterft in 1941 op 48-jarige leeftijd aan een ziekte. Sinds 1930 woont hij in de M.H. Trompstraat in Amsterdam. Carl overlijdt in 1943. Zijn bijnaam luidt “Kaak”, hetgeen enigszins met zijn gezicht te maken heeft. Zijn weduwe hertrouwt met Gerrit van Zwieten en overlijdt in 1970. Carl overlijdt in 1944 in Heemstede na een langdurige en pijnlijke lijdensweg aan blaaskan­ker.

Henk overleeft het Jappenkamp niet. Hij overlijdt in 1942 ten gevolge van dysenterie. (1)

Een treffend bewijs van de aanhanke­lijkheid der bevolking leverde de begrafenis. Zij werd namelijk opge­merkt door een christelijke, Ambonese onderwij­zer. Door enkele tekens wist een der dames die de droeve stoet naar het op verre afstand gelegen kerk­hof begeleid­de, hem te kennen te geven wie er begra­ven werd. De Ambo­nees verdween ij­lings. Toen de stoet onder bewaking van Japanse militai­ren bij de begraafplaats was aangekomen traden opeens een aan­tal Ambonezen (alle christelijke onderwijzers) te­voor­schijn die zonder dralen de baar uit de handen der Jappen overnamen. Deze waren door het volkomen onver­wachte optreden der Ambonezen dermate onthutst, dat zij zich in het geheel niet verzetten.
Tijdens de gang naar de groeve werd stil op de muur waar­langs de baar gedragen werd een mand met orchi­deeën ge­schoven, welke prachtige bloemen ook later het stoffelijk overschot in het graf dekten.

De dochter van Resident H.J. Jansen schrijft het volgende over de laatste tijd in het kamp:

Bovendien werd ik vaak duizelig van moeheid en ondervoeding en ik betrapte me tijdens het verzorgen van één van onze aardigste kennissen, de heer von Meyenfeldt, een assistent-resident, een keer op de wens: “Ging je maar dood, ik kan je potje bijna niet meer legen.” Ik schrok erg van mijn gedachte. (…) De vrouw, die haar braaksel altijd liet lopen, genas, maar meneer von Meyenfeldt stierf en ik voelde me zo schuldig, dat ik hem een moment had doodgewenst, die lieve, stille, geduldige man, die zich net zo dapper had gedragen als vader.

 

  1. Citaten uit “Libertas ex veritate”, uit­gave van de orga­nisatie van reü­nisten der SSR (Societas Studiosorum Reformato­rum) ter her­denking van haar leden, omgekomen ten gevolge van de Japanse bezetting van het toenmalige Nederlands-Indië, door W.H.C. Knapp, pag 58-61.