2.5.5. Tweede Wereldoorlog

De leden van de Nederlandse familie Von Meijenfeldt hebben de Tweede Wereldoorlog op verschillende wijzen ondergaan.

De dag vóór de inval van de Duitsers op 10 mei 1940 verhuist Jan (van Leusden) met vrouw en twee dochters naar de Rijnstraat 174 III in Amsterdam. Twee dagen na de inval laat zijn zus To zich scheiden van Pieter van Wigcheren, maar regelt voor hem vanwege zijn militaire status nog wel dat hij bij haar zuster Anna aan de Leidschegracht in Amsterdam kan onderduiken. Hun broer Carl had dat om die reden ook beter kunnen doen, want hij wordt al snel opgepakt vanwege zijn militaire rang. Er zijn twee Duitsers nodig om zijn vrouw Marie van der Straaten in bedwang te houden als hij in de arrestantenwagen wordt geleid. Kort nadat hij al zijn persoonlijke bezittingen moet afgeven, biedt de dienstdoende Gestapo-officier zijn verontschuldigingen aan. Carl krijgt de indruk dat ze hem vanwege zijn achternaam voor een in de jaren ’30 in Nederland gestationeerde Duitse spion houden. Na een overvloedig diner, een overnachting en ontbijt wordt hij met een limousine naar zijn hevig verontruste vrouw teruggebracht.

Of het iets met de oorlog te maken heeft is niet bekend, maar Bets verhuist in 1940 met haar man naar Huizen.

In 1941 overlijdt Evert (de Koe) in de M.H. Trompstraat in Amsterdam, waar hij sinds 1930 woont, op 48-jarige leeftijd aan een ziekte, niet aan oorlogsgeweld. Zijn weduwe Gerritdina van der Bend verhuist in 1943 naar de Nico­laas Maes­straat. Zij hebben geen kinderen.

De Duit­sers verklaren in 1941 het Prinses Beatrix Lyceum in Flims-Waldhuis voor gesloten. De docen­ten waaronder Govert volgen die verklaring niet op en besluiten zonder geld uit Nederland door te gaan. Zij ver­huizen met 7 wagonladingen naar Glion (bij Mon­treux) en nemen ge­noegen met kost en inwoning, een beetje zakgeld en een uit voet­tochten door half Zwit­serland bestaande vakantie. Een be­slag door een deur­waar­der wordt ongedaan ge­maakt ten gevolge van een bedelactie bij alle Nederlanders die in het telefoon­boek worden gevonden. De leerlingen zijn nu kinde­ren van gepensio­neer­de Nederlan­ders of van Engelandvaarders, maar ook vluch­telingen uit ar­beidskampen of van Jood­se afkomst.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog helpt Frits (de Haas) in de kelder van zijn huis en aangrenzende huizen aan het Bachplein in Amsterdam veel Joodse onderduikers te helpen.

Hendrik (de Koe) wordt als bestuursambtenaar in 1941 geïnterneerd in een Jappenkamp en overlijdt daar in 1942 ten gevolge van dysenterie. (a)

Een treffend bewijs van de aanhanke­lijkheid der bevolking leverde de begrafenis. Zij werd namelijk opge­merkt door een christelijke, Ambonese onderwij­zer. Door enkele tekens wist een der dames die de droeve stoet naar het op verre afstand gelegen kerk­hof begeleid­de, hem te kennen te geven wie er begra­ven werd. De Ambo­nees verdween ij­lings. Toen de stoet onder bewaking van Japanse militai­ren bij de begraafplaats was aangekomen traden opeens een aan­tal Ambonezen (alle christelijke onderwijzers) te­voor­schijn die zonder dralen de baar uit de handen der Jappen overnamen. Deze waren door het volkomen onver­wachte optreden der Ambonezen dermate onthutst, dat zij zich in het geheel niet verzetten.
Tijdens de gang naar de groeve werd stil op de muur waar­langs de baar gedragen werd een mand met orchi­deeën ge­schoven, welke prachtige bloemen ook later het stoffelijk overschot in het graf dekten.

De dochter van Resident H.J. Jansen schrijft het volgende over de laatste tijd in het kamp:

Bovendien werd ik vaak duizelig van moeheid en ondervoeding en ik betrapte me tijdens het verzorgen van één van onze aardigste kennissen, de heer von Meyenfeldt, een assistent-resident, een keer op de wens: “Ging je maar dood, ik kan je potje bijna niet meer legen.” Ik schrok erg van mijn gedachte. (…) De vrouw, die haar braaksel altijd liet lopen, genas, maar meneer von Meyenfeldt stierf en ik voelde me zo schuldig, dat ik hem een moment had doodgewenst, die lieve, stille, geduldige man, die zich net zo dapper had gedragen als vader.

Dwars door Scheveningen en Den Haag start de Duitse bezetter in 1942 met het bouwen van een een verdedigingslinie van bunkers, afweergeschut en een brede antitankgracht als onderdeel van de Atlantikwall tegen een geallieerde invasie. Frits (de Koe) woont aan de Klimophof in dat gebied. Hij wordt samen met 135.000 anderen geëvacueerd, zijn huis wordt door Nederlandse aannemers met de grond gelijk gemaakt en het bouwmateriaal wordt naar Duitsland afgevoerd. Niet-actieven worden gelast naar het oosten te gaan, maar het lukt Frits zelf onderdak te vinden aan de Mgr. Van Steelaan in Voorburg. Dat is bijzonder, omdat niet-actieven in Voorburg gelast wordt plaats te maken voor economisch aan de regio gebonden personen. Hierdoor moet Carl (van Leusden) zijn woning aan de Van Egmondestraat wel verlaten en in Nijmegen gaan wonen. Daar overleeft zijn vrouw Marie van der Straaten een geallieerd bombardement: in de Samatrastraat worden de buurhuizen aan weerszijden getroffen.

Lien verhuist in 1942 naar de Geuzenstraat in Amsterdam. Zij blijft ongehuwd. To trekt in 1942 weg naar Ermelo, waar zij aan de Vondellaan 44 gaat wonen, maar keert een jaar later terug naar Amsterdam naar haar zus Anna aan de Leidschegracht, omdat haar ondergedoken ex-man Pieter van Wigcheren daar overleden is.

Carl (de Haas) verhuist in 1943 naar de P.C. Hooftstraat. Daar overlijdt hij korte tijd later. Zijn bijnaam luidt “Kaak”, hetgeen wel enigszins uit de foto te herleiden is. Zijn weduwe hertrouwt met Gerrit van Zwieten en overlijdt in 1970.

Carl (de Koe) overlijdt in 1944 in Heemstede aan blaaskan­ker.

Aan het eind van de oorlog – vermoedelijk op Dolle Dinsdag – wordt Jan (van Leusden) eens in restaurant De Rode Leeuw belaagd vanwege zijn achternaam, maar ontkomt hij door zijn goede uitspraak van de plaatsnaam Scheveningen.

Govert is betrokken bij de contacten van een aantal docenten van het Prinses Beatrix Lyceum in Glion met een aantal voor­aanstaande Zwit­sers, die onderhandelen met een SS-generaal. Het resultaat is dat in maart 1945 60 kinderen uit het Duitse concen­tratie­kamp There­sienstadt in Glion arriveren en daar worden opgevangen en onderwijs krijgen.

 

(a) Citaten uit “Libertas ex veritate”, uit­gave van de orga­nisatie van reü­nisten der SSR (Societas Studiosorum Reformato­rum) ter her­denking van haar leden, omgekomen ten gevolge van de Japanse bezetting van het toenmalige Nederlands-Indië, door W.H.C. Knapp, pag 58-61.