1.8.1. Het Anjala-verbond

Koning Gustaaf III landt op 8 juni 1788 bij Borgå (Porvoo) in Finland. Hij verklaart de oorlog aan tsarina Catharina de Grote van Rusland met behulp van een in scène gezet grensincident. Hij rukt op naar Sint Petersburg op drie fronten: de vloot onder zijn broer hertog Karel, het zuidelijk leger onder generaal-majoor baron Carl Gustav Armfelt (1724-1792) en het noordelijk leger onder Meijerfeldt.

De vloot heeft weinig succes, maar de legers aanvankelijk wel. Generaal Meijerfeldt voert aan het hoofd van een brigade van 3.600 man van Helsingfors (Helsinki) een overrompelende opmars uit naar de Russische vesting Frederikshamn (Hamina). Tekorten in uitrusting, ammunitie en voorraden en onvoldoende samenhang en voorbereiding in de hoogste krijgslagen, dwingen Meijerfeldt halt te houden, eerst bij Forsby, later bij Lovisa. Hij uit zijn misnoegen over de onvoldoende en nalatige uit­rusting van het Zweedse leger op krachtige wijze. Hij zou bij deze gelegenheid – zoals hij wel vaker deed – met zijn ontslag hebben gedreigd. (1)

Door een veelheid van oorzaken weigert een groep Zweedse officieren de grens tussen het Zweedse Finland en het Russische Karelië over te steken. De groep stelt een note verbale op, die Armfelt ook tekent.  Officier Jägerhorn brengt het document naar Catharina de Grote en als hij haar schriftelijk antwoord terugbrengt verzwijgt hij haar mondelinge condities. Gustaaf III leest met grote ergenis de note verbale en vraagt van alle officieren een verklaring om tot de laatste man te vechten. Als tegenreactie ondertekenen 113 officieren het zogenaamde Anjala-verbond.

Meijerfeldt tekent niet. Hij staat weliswaar afstandelijk en kritisch ten opzichte van de buitenlandpolitiek van de koning, maar staat geheel vreemd tegenover de rebellie over de grens en de  positie van Finland. In de binnenlandse politiek steunt hij de autocratische lijn van de koning en windt zich op over de protesterende Rijksdag. Armfelt krijgt op zijn verzoek ontslag als bevelhebber vanwege zijn “zwakke gezondheid”. Op 13 augustus volgt de benoeming van Meijerfeldt tot enig bevelhebber van de Zweedse legers. De twee generaals worden overigens als elkaars gelijken gezien, in militair inzicht, verstand en evenwichtigheid. (2)

Johan August krijgt opdracht twee regimenten gereed te houden om eventueel rumoer om het ontslag van Armfeldt de kop in te drukken. Dit blijkt onnodig. Nog op 3 september drukt hij aan de koning de hoop uit dat de afvalligen hun verplichtingen alsnog nakomen. Ook de koning neemt een afwachtende houding aan. (3)

In de laatste dagen van 1788 weet generaal Meijerfeldt beslag te leggen op een voorraad van ongeveer 1.500 manifesten van het Anjala-verbond, gestuurd vanuit Rusland. Hij laat de papieren door zijn scherprechters op een schavot verbranden en vaardigt een waarschuwing uit aan zijn soldaten om zich niet door de verraders te laten misleiden. Dat hij op oppositie rekent blijkt uit de formulering van zijn waarschuwing, waarin het gaat om strijd tegen de Russen waar ook in het land. Het woord ‘grens’ wordt zorgvuldig vermeden. (4)

De koning is zeer ingenomen met Meijerfeldt’s maatregelen. In een brief van 25 november schrijft hij over zijn militaire verrichtingen: (5)

pour vous marquer mon parfait contentement sur la conduite noble et ferme que vous avez tenu pendant tout le temps que vous avez commandé les troupes d’Anjala, et surtout de la fermeté avec laquelle vous avez persisté à ne pas quitter le poste de Högfors, dans un temps où les gens les plus fermes balancèrent.

De generaal antwoordt dat zijn handelwijze meer door militaire dan door juridische argumenten was ingegeven. (6)

De koning acht de fase van dreigementen voorbij en voelt zich geruggensteund door de publieke opinie, die de geheime onderhandelingen met de Russen sterk veroordeelt. In een brief van 1 december ontvouwt hij zijn instructies, die tot een snelle en geheime arrestatie van de meest schuldigen moet leiden. (7)

La nation entière demande vengeance, mais au milieu de ces cris elle sail aussi distinguer les officicrs généreaux, qui, comme vous, mr. le comte, sont restés fidèles à leur devoir.

Generaal Meijerfeldt antwoordt op 21 december in voorzichtige bewoordingen. De verraders zijn of op reis of bij hun regiment, waar zij een onderlinge wapenbroederschap hebben gesloten om elkaar op leven en dood te verdedigen. Hij stelt voor het Kerstfeest voorbij te laten gaan, omdat in die tijd de officieren bij hun chefs zouden zijn verzameld. Op 2 januari 1789 komt er weer een brief van Meijerfeldt, waarin hij meldt dat hij 7 januari, 8.00 uur ’s ochtends, heeft bestemd voor de arrestatie. Van de arrestatie-eenheid heeft iedere officier slechts één onderofficier bij zich (of een korporaal als de naast-ondergeschikte niet betrouwbaar is) en drie soldaten. Om geen opzien te baren luidt de opdracht van de eenheid officieel het ophalen van monteringsstukken uit Åbo (Turku). De samenzweerders worden allen gegrepen en per schip naar Zweden gevoerd om voor de krijgsraad te verschijnen. De koning laat vervolgens niet minder dan 140 exemplaren van een koninklijke boodschap verschepen, waarin hij een verklaring omtrent de arrestaties aflegt. Meijerfeldt verzorgt de distributie naar de officieren. (8)

 

 

1. G. Rein, “Kriget i Finland åren 1788, 1789 och 1790”, Helsingfors 1860. In het voorwoord staat hoe in het jaar 1817 aartsbisschop Tengström een dossier met brieven aan de universiteit van Åbo (nu Alexanders-universiteit van Turku) overhandigt. De aanwijzing op de omslag van het dossier om het niet voor 1856 te openen is opgevolgd, want pas in 1858 vond de ontzegeling plaats. Op de tweede omslag met het zegel van Teng­ström staat: “Fältmarskalken grefve Meyerfelts enskilda correspondence med K Gustaf III och Hertigen af Södermanland åren 1788-1790, skänkte af Gravinnan Meyerfelt till Universität i Åbo”. Op de derde omslag met de zegels van Meijerfeldt en Sparre staat: “Privata Brefver ifrån Generalarna m.m. som vidare böra genomses”. Zie verder onderzoek in deel 4.
2. S.G. Adlerbeth, “Historiska Anteckningar”, Lund 1892, deel I, pag. 45.
3. F. Almén, “Gustav III och hans Rådgivare 1772-89”, Uppsala 1940, pag. 346-347.
4. B. von Beskow, “Om Gustav den tredje såsom Konung och Menniska”, Svenska Akademiens Handlingar 1796, Stockholm 1864-1869, pag. 284-285.
5. Von Beskow, pag. 287.
6. S. Boberg, “Kunglig Krigspropaganda”, Göteborg 1967, pag. 63 (brieven van 25 december 1788 en 5 januari 1789 aan Gustaaf III in Universiteitsbibliotheek Uppsala, F 458).
7. Von Beskow, pag. 287.
8. Boberg, pag. 47 (brief van Gustaaf III van 22 februari 1789 en antwoord van 3 maart 1789).