1.7.3. Een voorname familie

De royalistische houding van Johan August tijdens de Rijksdagen 1769-1770 en 1771-1772 gaat steeds meer reliëf krijgen, als koning Adolf Frederik in 1771 overlijdt en door de 25-jarige Gustaaf III wordt opgevolgd. Deze krachtige persoon wil een einde maken aan de door de Mutsen veroorzaakte onderhorigheid aan Rusland. Als traditioneel lid van de Hofpartij kan Johan August zich tot de vertrouwelingen van de nieuwe koning rekenen. Zo gedraagt hij zich ook aan het hof, vaak tot ongenoegen van anderen. De volgende anekdote illustreert dat: admiraal Tersmeden wacht op 22 juli 1772 met spanning op de dingen die te gebeuren staan. Om de tijd te doden doet hij niet zonder succes mee aan een kaartspel, waarbij gravin Gyldenstolpe en graaf Posse, zijn voogd, aan zijn zijde staan. Als de koning eindelijk arriveert, wordt hem geen blik waardig gekeurd. Als hij dan graaf Meijerfeldt aanklampt, merkt deze slechts smalend op: “Tersmeden heeft goede voogden in het spel!” (1)

Gustaaf III grijpt eerst in de binnenlandse politiek in. Met behulp van het leger en Franse steunbeloften pleegt hij in augustus 1772 een geslaagde coup en herstelt het autoritaire koninklijk gezag. Vervolgens geeft hij de toon aan voor een grote culturele bloei naar Franse snit. Johan August profiteert buitengewoon van deze omwenteling.

IMG_0310                           Koning Gustaaf III (regeert 1771-1792)

Over Louise Sparre doen in toenemende mate de nodige roddels de ronde. Deze worden enerzijds gevoed door het leeftijdverschil met en de voortdurende afwezigheid van haar man, en anderzijds doordat brieven en publicaties uit die tijd haar als uitzonderlijk mooi en frivool afschilderen. De dichter Oxenstierna schrijft: “Ik had geen enkele hartstocht gehad, als ik niet gravin Meyerfelt gezien had, een schoonheid die de oude wereld op zijn knieën had aanbeden en offers aan Venus en Diana had gegeven.” Hertogin Charlotte, schoonzus van Gustaaf III en later koningin, voegt daar in haar dagboek aan toe: “Ze is erg gevat en intelligent, maar uitgekookt en alleen amusant als dat ten koste van een ander gaat. (…) Mensen op zoek naar schandalen beweren dat ze niet zozeer op zoek is naar affaires als wel naar cadeaus.” (2)

Sinds 1772 is Louise staatsvrouw bij de vrouw van Gustaaf III, Sophia Magdalena, maar dat verhindert hem niet zichzelf te onderscheiden tot ridder van gravin Meijerfeldt, met alle vrijheden die daaruit over en weer voortvloeien. (3) Zij stelt de graaf altijd op de hoogte van de pijnlijke liefdesverklaringen, die de jonge cavaliers haar doen. De een ziet dit als uiterst geraffineerd verbloemd overspel, (4) de ander als een bewijs van haar deugdzaamheid. (5) Een aanzoek van de Franse ambassadeur graaf d’Usson wijst zij bijvoorbeeld vriendelijk af, omdat zij geen behoefte heeft aan een nieuwe Franse moeder. (6) Hoe het zij, de graaf geeft er altijd blijk van blind op haar te vertrouwen en laat haar daarom onbeperkte vrijheid van handelen.

Louise’s moeder laat steeds meer haar afkeuring van het frivole Hofleven blijken. Zij geldt als voorbeeld voor het omgangsleven uit de vervlogen jaren, terwijl Louise de omgangstoon en het jargon aan het Gustaviaanse Hof bepaalt. Zij beschuldigt haar dochter er zelfs van, dat zij zich – behaagziek op een sofa uitgestrekt – door aanbidders laat omringen. Louise tracht zich in brieven te verdedigen en neemt steeds meer afstand van haar moeder. Eind 1772 wordt zij naar het nieuwe Buitenhof Ekolsund ontboden, om daar het Kerstfeest en de verjaardag van de koning luister bij te zetten. Zij bereidt zich met groot enthousiasme voor op deze grootse gebeurtenissen, met hun vele sleeritten, lunches, picknicks, diners, soupers en bals. Dan komt het bericht dat haar vader is overleden en dat zij bij haar moeder wordt verwacht. Louise is teleurgesteld dat zij haar pleziertjes zal moeten missen en eenzaam, zonder mannenbezoek, opgesloten zal zijn met haar moeder. “Ingeting för stackars jag!” (niets voor arme ikke), zegt zij zelf. (7)

Graaf Carl Fredrik Meijerfeldt jr is in 1776 betrokken bij de oprichting van de Zweedse Vrijmetselarij in Kristianstad, hoewel zijn naam niet voorkomt bij de aanwezigen van de oprichtingsvergadering. In het najaar van 1777 vraagt hij zijn inspecteur op Ugerup (Henrich Henrichsson) toe te treden, maar hij mag alleen als vrij man toetreden. Carl Fredrik introduceert hem desalniettemin succesvol als bezitter van enig onroerend goed.

De positie van Johan August bereikt in het jaar 1777 een hoogtepunt, dat daarna lang zal voortduren. De graaf meldt zich dat jaar aan als lid van de Muziek Academie. Zijn vrouw Louise gaat op grote voet een eigen hof met veel personeel voeren. Het Meijerfeldtska Palatset bevindt zich in huis nr. 5 en 6 van het kwartier Hästhuvudet (Paardenhoofd), nu Regeringsgatan no. 36-38 in de wijk Hästen. Haar salon wordt de favoriete ontmoetingsplaats van de high-society. (8) Maar ook in het leven van de gravin zijn momenten van eenzaamheid. Zo neemt zij een gezelschapsdame mee, bijvoorbeeld als zij op 7 oktober 1777 alleen naar Stora Sundby gaat om zich niet te hoeven vervelen bij het wachten op haar man, die zijn zaken op Sövdeborg regelt. (9)

In 1776 was Johan August in de Finse hoofdstad Åbo voorgesteld aan een 26-jarige aankomende schrijver Johan Henric Kellgren. Hij trekt hem aan als gouverneur voor zijn 11 en 8 jaar oude kinderen als opvolger van Krafft die tot hofpredikant was bevorderd. Half oktober 1777 begint daardoor het Stockholmse leven van een persoon die één van Zwedens beroemdste dichters zal worden. In haar debuutroman “Min salig bror Jean Hendrich” (1993) laat Carina Burman de broer van Kellgren beschrijven hoe zij samen aankomen: (10)

Zo reden wij naar Meijerfeldts paleis, gelegen in het kwartier Hästhuvudet, midden tegenover Kungsträdgården. Het grafelijke huis was het mooiste dat ik zag, ja, zelfs het bischopshuis in Klara stond er bij in de schaduw. Er waren tapijten aan de muren, glimmende spiegels en vergulde fauteuils. De gangen waren vol met portretten en fresco’s en draperieën in alle kleuren van de hemel. Voor ons leidde een trap omhoog naar de adelsverdieping. Ik stond daar maar met open mond, ik, de 30-jarige priester! Een buitengewoon mooi kamermeisje wees ons naar onze kamer, en het scheen geen verwondering te wekken dat Jean zijn broer had meegenomen.
Er waren veel trappen te gaan, en spoedig verdwenen zowel marmer als vergulsel, en maakten plaats voor grijze steentrappen en matgekleurde gangen. De kamer was schoon en mooi, met lichte kleuren en vierkant gestoelte. Één van de bedden was ruim genoeg voor ons beiden geweest, maar wij hadden inmiddels de leeftijd bereikt waarop ieder zijn eigen verblijf heeft. In Jean’s kamer stond een lessenaar en hij plaatste er meteen zijn boeken op. Ik bladerde er zo’n beetje doorheen, liet Voltaire en La Mettrie terzijde en bleef hangen in enkele heel mooie stukken in Élite des poèsies fugitives.
“Ik geloof dat ik mij ga vermaken”, zei Jean, “Een mooi kamermeisje, daarnet. En de gravin moet goddelijke schoonheid hebben. Heel Stockholm praat over haar, en noemt haar ‘de knappe Meijerfeldt’…”
“In een fraai huis woont niet altijd deugd en godvruchtigheid”.
Jean lachte. “Nee maar, dat was ik toch vergeten! En helemaal herinner ik me dat niet voor gouverneurs en dienstvolk, omdat het hier niet om een dochter des huizes gaat – maar hoe zit dat met de huisvrouw, mag men haar het hof maken?”
(…)
“En, hoe was de graaf?”
“Lang, lelijk en mager, maar vrolijk en gewoon. Wij hebben elkaar getroffen toen ik voor het eerst uit Finland overkwam. De gravin, daarentegen, was een eerste ontmoeting. Niet jeugdig, maar aantrekkelijk – een klein vrouwelijk gezicht, zwarte wenkbrauwen… De kleine graven lijken uiterlijk meer op vader dan moeder, en zijn wel zoals adeljongens gebruikelijk zijn. Gekleed in elegante hemden, één van hen heeft een ladder in zijn kous – moordgeschreeuw van de gravin, wie heeft kleine Adolf kapotte kousen aangedaan? Kinderjuffrouwen geroepen, opgewonden verhoor, tot de graaf zelf op het idee komt Adolf te vragen, die erkende dat hij met keukengerei speelde. Rust weergekeerd. Kleine Johan August stond de hele tijd rustig, boosaardig en gedeisd.”
“Hoe oud zijn ze?”
“De gravin is wel zeker dertig – van jouw leeftijd dus.” Ik fronste, en Jean ging door. “Of waren het de jongens waar je naar vroeg? Johan August is elf en Adolf acht. Ik ga onmiddellijk beginnen de jonge graven in de Franse taal te onderwijzen.”
“Praten zij niet Frans?”
“Nee, ik sprak met het heerschap in goed Westgotisch / Duits. De graven antwoordden in het Zweeds en de gravin in Hofzweeds, hoc est Franse woorden met Zweedse verbuigingen. – Ja, zo gaat het. Het gravenpaar zou het appreciëren om mij en mijn heer frère vanavond aan het souper te zien. Wat kun jij aantrekken?” (…)

Tijdens het souper praat de broer van Kellgren met een wederzijdse vriend Clewberg en een bewoner van Meijerfeldts paleis Carl Petter Lenngren. Hem valt op dat het grafelijke wapen overal staat afgebeeld, zelfs op het porcelein. Later luistert hij het geroddel van de gravinnen af over de nieuwe gouverneur. Enkele dagen later denkt een dienstmeid dat de broer Kellgren zelf is, neemt hem mee naar een geheime kamer in het paleis, waar de gravin in dunne ochtendjapon binnenkomt en na wederzijdse verbazing het tot een harstochtelijk nacht komt. Als hij het aan zijn broer opbiecht, blijkt deze ook dergelijke ontmoetingen te hebben.

Kellgren ontvangt een hoog salaris en volgt de familie naar de verschillende landgoederen. Aanvankelijk komt hij niet erg tot schrijven, maar al snel vloeit het ene meesterwerk na het andere uit zijn pen, onder andere omdat hij als zo velen onder de invloed van de gravin raakt. (11) Een van zijn meesterwerken noemt Kellgren “De gratiën gedoopt“, waarin hij de schoonheid van de drie hofdames Von Höpken, Löwenfels en Meijerfeldt bezingt. Daarnaast maakt hij later een gedicht dat apart aan haar is gewijd. (12)

Gravin Louise was in 1778 officieel hofdame bij de koningin geworden. Over de verhouding van Kellgren tot de graaf is weinig anders bekend, dan dat hij hem na een ruzie beschrijft als een “heel simpel en glad heerschap, die zeer ingenomen is met zichzelf”. (13) De twee kinderen leidt hij drie jaar lang op. Over zijn opleiding van Axel Fredrik zijn twee zaken bekend. Hij liet de 8-jarige jongen een klassieke rede voeren voor het genootschap van een speelgoedorde en publiceerde dit in zijn krant Stockholmsposten. (14) Ter ondersteuning van zijn theorie dat adellijkheid uit verdienste en niet door geboorte bestaat, snijdt hij zowel Axel Fredrik als een zoon van de rentmeester in de vinger. Beide jongetjes blijken rood bloed te bezitten. Medio 1780 vertrekt Kellgren en volgt ene Berger hem op.

Aan het einde van de jaren zeventig dienen zich enkele overlijdensgevallen in de familie aan. Gravin Anna Catharina Meijerfeldt sterft in 1779 op het buiten Hornsberg bij Tryserum in de provincie Kalmar. In 1780 dient de laatste ziekte van Louise’s moeder zich aan. Zij zou naar haar dochter hebben gesmacht en zij zagen elkaar kort voor haar dood. Uit haar laatste uren komt evenwel onbetwistbaar een indruk van isolement naar voren. (15)

 

1. Tersmeden V, pag. 64.
2. C. Forsstrand, “De tre Gracerna. Minnen och anteckningar från Gustaf III:s Stockholm”, Stockholm 1912, pag. 16-17.
3. Forsstrand, pag. 40-41, Crusenstolpe citerend.
4. A. Lyttkens, “Kvinnan”, Stockholm 1977, deel 2, pag. 201.
5. Ristell, “Anekdoter om Konung Gustaf III:s Hof och Regering”, Stockholm 1820. N. von Dardel, “Grefvinnan Louisa Augusta Meijerfelt”, Personhistorisk Tidskrift 1898-1899, pag. 234.
6. De la Gardie 1841, pag. 71.
7. Leijonhufvud II, pag. 92-96 (“Niks voor arme ikke!”).
8. R. Nisbet Bain, “Gustavus III and his contemporaries 1746-1792”, Londen 1894, pag. 271-272: “the favourite rendez-vous of the great and gay world”.
9. Ehrensvärd I, pag. 357.
10. C. Burman, “Min salig bror Jean Hendrich”, Stockholm 1993, pag. 101-102.
11. Nisbet Bain, pag. 272.
12. C. Forsstrand, pag. 172-186. H.Schück, “Kellgrens bref till Rosenstein”, in Samlaren Tidskrift utgiven af Svenska Literatursällskapets Arbetsutskott, Uppsala 1887, blz. 44-47 (bijlage F).
13. S. Ek, “Kellgren, skalden och kulturkämpen”, Stockholm 1965, pag. 104-105.
14. M. Lamm, “Bidrag till kännedomen om Kellgrens journalistika verksamhet i Stockholmsposten”, Samlaren, tidskrift utgiven af Svenska Literatursällskapets Arbetsutskot, Uppsala 1913.
15. Leijonhufvud II, pag. 96.