1.7.5. De tweede poging

De royalistische houding van Johan August tijdens de Rijksdagen 1769-1770 en 1771-1772 gaat steeds meer reliëf krijgen, als 12 februari 1771 koning Adolf Frederik van Zweden overlijdt. Zijn 25-jarige oudste zoon Gustaaf III volgt hem op. Deze krachtige persoon wil een einde maken aan de door de Mutsen veroorzaakte onderhorigheid aan Rusland.

Als traditioneel lid van de Hofpartij kan Johan August zich tot de vertrouwelingen van de nieuwe koning rekenen. Zo gedraagt hij zich ook aan het hof, vaak tot ongenoegen van anderen. De volgende anekdote illustreert dat: admiraal Tersmeden wacht op 22 juli 1772 met spanning op de dingen die te gebeuren staan. Om de tijd te doden doet hij niet zonder succes mee aan een kaartspel, waarbij gravin Gyldenstolpe en graaf Posse, zijn voogd, aan zijn zijde staan. Als de koning eindelijk arriveert, wordt hem geen blik waardig gekeurd. Als hij dan graaf Meijerfeldt aanklampt, merkt deze slechts smalend op: “Tersmeden heeft goede voogden in het spel!(1)

In de Zweedse kranten van die tijd zijn de reisbewegingen van de graven Meijerfeldt tussen hun landgoederen goed te volgen. Zo reisde Johan August eerder op 30 juni 1770 van Karlskrona naar Skåne en maakt Carl Fredrik dezelfde  reis op 30 mei 1772. Op 8 juli van dat jaar komt Johan August in Ystad aan na een oversteek van Stralsund en herhaalt Carl Fredrik dat op 16 juni 1774. (2)

Voor de tweede maal is Johan August Meijerfeldt jr betrokken bij een koninklijke couppoging. Met behulp van het leger en Franse steunbeloften pleegt Gustaaf III in augustus 1772 een geslaagde coup, herstelt het autoritaire koninklijk gezag en geeft de toon aan voor een grote culturele bloei naar Franse snit. Johan August profiteert buitengewoon van deze omwenteling.

IMG_0310Koning Gustaaf III (regeert 1771-1792)

Over Louise Sparre doen in toenemende mate de nodige roddels de ronde. Deze worden enerzijds gevoed door het leeftijdverschil met en de voortdurende afwezigheid van haar man, en anderzijds doordat brieven en publicaties uit die tijd haar als uitzonderlijk mooi en frivool afschilderen. De dichter Oxenstierna schrijft:

Ik had geen enkele hartstocht gehad, als ik niet gravin Meyerfelt gezien had, een schoonheid die de oude wereld op zijn knieën had aanbeden en offers aan Venus en Diana had gegeven.

Hertogin Charlotte, schoonzus van Gustaaf III en later koningin, voegt daar in haar dagboek aan toe: (3)

Ze is erg gevat en intelligent, maar uitgekookt en alleen amusant als dat ten koste van een ander gaat. (…) Mensen op zoek naar schandalen beweren dat ze niet zozeer op zoek is naar affaires als wel naar cadeaus.

Sinds 1772 is Louise staatsvrouw bij de vrouw van Gustaaf III, Sophia Magdalena, maar dat verhindert hem niet zichzelf te onderscheiden tot ridder van gravin Meijerfeldt, met alle vrijheden die daaruit over en weer voortvloeien. (4) Zij stelt de graaf altijd op de hoogte van de pijnlijke liefdesverklaringen, die de jonge cavaliers haar doen. De een ziet dit als uiterst geraffineerd verbloemd overspel, (5) de ander als een bewijs van haar deugdzaamheid. (6) Een aanzoek van de Franse ambassadeur graaf d’Usson wijst zij bijvoorbeeld vriendelijk af, omdat zij geen behoefte heeft aan een nieuwe Franse moeder. (7) Hoe het zij, de graaf geeft er altijd blijk van blind op haar te vertrouwen en laat haar daarom onbeperkte vrijheid van handelen.

Louise’s moeder laat steeds meer haar afkeuring van het frivole Hofleven blijken. Zij geldt als voorbeeld voor het omgangsleven uit de vervlogen jaren, terwijl Louise de omgangstoon en het jargon aan het Gustaviaanse Hof bepaalt. Zij beschuldigt haar dochter er zelfs van, dat zij zich – behaagziek op een sofa uitgestrekt – door aanbidders laat omringen. Louise tracht zich in brieven te verdedigen en neemt steeds meer afstand van haar moeder. Eind 1772 wordt zij naar het nieuwe Buitenhof Ekolsund ontboden, om daar het Kerstfeest en de verjaardag van de koning luister bij te zetten. Zij bereidt zich met groot enthousiasme voor op deze grootse gebeurtenissen, met hun vele sleeritten, lunches, picknicks, diners, soupers en bals. Dan komt het bericht dat haar vader is overleden en dat zij bij haar moeder wordt verwacht. Louise is teleurgesteld dat zij haar pleziertjes zal moeten missen en eenzaam, zonder mannenbezoek, opgesloten zal zijn met haar moeder. “Ingeting för stackars jag!” (niets voor arme ikke), zegt zij zelf. (8)

Johan August ontkomt er niet aan zich zo nu en dan bij zijn regiment te voegen, zoals op 20 oktober 1773. De ingetreden kou laat zich dan in Piteå aan de Botnische Golf, 139 km van de poolcirkel, extra gelden. Op 1 november promoveert de koning hem tot generaal-majoor in het leger.

De 28-jarige Louise bevindt zich voor de derde keer zwanger in Stockholm. Op 29 november 1773 bevalt zij. Het kind is dood bij de geboorte en wordt nog dezelfde dag begraven in de Jakobs- en Johanneskerk in Stockholm. (9)

Brita, de dochter van Anna Catharina Meijerfeldt, trouwt 4 mei 1775 met graaf Claes Julius Ekeblad op Stola. Blijkens hun uitgebreide correspondentie is het één van de weinige adellijke huwelijken in Zweden waar liefde in het spel is. Er zijn geen kinderen. Claes verblijft meestal aan het Hof in Stockholm en Brita op Stola, omdat zij niet zoveel vergevingsgezindheid kan opbrengen weer een rol aan het Hof te aanvaarden.

Een onderscheiding als Commandeur in de Zwaar Orde (C.S.O.) valt Johan August ten deel tijdens een plechtigheid in de Ridderzaal van het Koninklijk Paleis op 27 november 1775.

 

1. Tersmeden V, pag. 64.
2. Carlscronas Wekoblad, Politie- och Commerce-Tidningar, 30-06-1770 en 30-05-1772. Inrikes Tidningar, 16-07-1772 en 27-06-1774.

3. C. Forsstrand, “De tre Gracerna. Minnen och anteckningar från Gustaf III:s Stockholm”, Stockholm 1912, pag. 16-17.
4. Forsstrand, pag. 40-41, Crusenstolpe citerend.
5. A. Lyttkens, “Kvinnan”, Stockholm 1977, deel 2, pag. 201.
6. Ristell, “Anekdoter om Konung Gustaf III:s Hof och Regering”, Stockholm 1820. N. von Dardel, “Grefvinnan Lovisa Meyerfelt”, Personhistorisk Tidskrift 1898-1899, deel 3, pag. 176.
7. De la Gardie 1841, pag. 71.
8. Leijonhufvud II, pag. 92-96 (“Niks voor arme ikke!”).
9. Stadsarchiv Stockholm, Kyrkoböcker, Jakobs- och Johannes församlingar, Död- och begravingsbok 1736-1884 L-N, pag. 287, FIa:2 15.