1.7.1. In Brunswijkse dienst

In de  Europese diplomatie en het krijgstoneel voltrekt zich na de Vrede van Aken van 1748 een renversement des alliances, een ommekeer van bondgenootschappen. Pruisen is er in geslaagd Engeland en Hannover tot een neutrale politiek te bewegen, maar dit heeft een ommezwaai van Frankrijk tot gevolg ten gunste van Oostenrijk, dat zich op zijn beurt met Rusland en Saksen-Polen heeft verbonden. Als Frederik de Grote zich eind augustus 1756 laat verleiden tot een inval in Saksen is de Zevenjarige Oorlog een feit.

Gezien zijn ongelukkige start in de vaderlandse politiek, besluit Johan August jr zijn geluk opnieuw in de buitenlandse oorlogen te beproeven. Hij stelt zich in dienst van Brunswijk, dat door bloedbanden aan het Oostenrijkse vorstenhuis is verbonden. Hertog Lodewijk Ernst (1718-1788) verleent sinds de vrede van Aken zijn staats- en krijgsdiensten aan de neutrale Nederlanden, als beschermer van het Huis van Oranje en kapitein-generaal van het leger van de Republiek. In de periode 1759-1766 is de hertog voogd-stadhouder over de Nederlanden, zolang prins Willem V van Oranje niet meerderjarig is.

In Brunswijk is een jonge hertog aan de regering gekomen: Ferdinand (1734-1806), die zich door Engeland-Hannover heeft laten inhuren. Johan August treedt in dienst van deze doortastende veldheer. Hij strijdt daardoor ook aan de zijde van de Pruisen mee, wederom tegen Frankrijk. In 1757 maakt hij de verloren slag bij Hastenbeck mee. Vanuit Brunswijk schrijft hij brieven aan koningin Lovisa Ulrika (ondermeer op 1 februari en 9 maart 1757) over haar broer de koning van Pruisen. Hij doet haar bijvoorbeeld het bijzondere voorstel om tarwe in de provincies te laten uitdelen om loyaliteit bij de boeren te verkrijgen en haar broer hiertoe te vragen zijn reserves aan te spreken. (1)

In de nazomer van 1757 kiest Zweden partij in de oorlog. Gelet op de aanspraken van Pruisen op Voor-Pommeren wordt gekozen voor de alliantie tegen Pruisen. De oorlogszuchtige partij van de Hoeden heeft de overhand in de Rijksdag en is zelfs uit op herovering van Achter-Pommeren. De Zweedse koning vaardigt een verbod voor zijn onderdanen uit om wapenen ten gunste van Pruisen en zijn bondgenoten te dragen.

Hoewel Johan August niet in Pruisische dienst staat, geldt het verbod ook voor hem. Hij aarzelt echter om de actieve veldtochten onder de bekwame Hertog van Brunswijk in te ruilen voor een afwachtende garnizoensbaan in een Pommerse vestingstad. Dat hij aan het ver­bod geen ogenblikkelijk gehoor geeft, stoort de Zweedse regering in hoge mate. Op 8 november schrijft Von Höpken aan zijn zwager Adam Arvidsson Horn: “Il se trouve d’autre Suédois dans les troupes de Brunsvig, mais je n’en fait point de cas, parce qu’ils se trouvent exilés et expatriés. Je m’interesse uniquement a M. le comte Meyerfelt par l’interet que vous prenez à ce qui le touche.” (2) Deze nog welwillende houding moet worden toegeschreven aan Johan August’s hoge komaf en aan het feit dat Zweden weinig officieren telt, die zo met de oorlog vertrouwd zijn.

De Zweedse legers beginnen succesvol met de veroveren van Stettin. Geleidelijk worden ze echter over de grens teruggedrongen. Op 30 december krijgt de Zweedse verdediging van de Trebelovergang bij Nehringen opdracht zich naar Tribsees terug te trekken. Misschien is dit het signaal voor Johan August om aan de bevelen van de koning gehoor te geven. Hij staat op dat moment aan het front bij het door de Fransen veroverde Hannover en spoedt zich vandaar naar Stralsund, om tegen de Pruisische blokkade van de stad deel te nemen.

 

1. F.A. von Fersen, “Historiska Skrifter”, Stockholm 1869, deel II, pag. 228-308. Riksarkivet, Stafsundsarkivet, vol. 29.
2. Von Höpken I, pag. 355-356.