1.7.1. Pommerse Oorlog

Op het Europese krijgstoneel voltrekt zich in 1756 een ‘renversement des alliences‘. Pruisen is er in geslaagd Engeland-Hannover tot een neutrale politiek te bewegen, maar dit heeft een ommezwaai van Frankrijk tot gevolg. Het verbindt zich met Oostenrijk, dat zich op zijn beurt met Rusland en Saksen-Polen heeft geallieerd. Als Frederik de Grote zich in augustus 1756 laat verleiden tot een bezetting van Saksen is de Zevenjarige Oorlog een feit.
Gezien zijn ongelukkige start in de vaderlandse politiek, besluit Johan August zijn geluk opnieuw in de buitenlandse oorlogen te beproeven. Hij stelt zich in dienst van Brunswijk, dat door bloedbanden aan het Oostenrijkse vorstenhuis is verbonden. Hertog Lodewijk Ernst (1718-1788) verleent sinds de vrede van Aken zijn staats- en krijgsdiensten aan de neutrale Nederlanden, als beschermer van het Huis van Oranje en kapitein-generaal van het leger van de Republiek. In de periode 1759-1766 is de hertog voogd-stadhouder over de Nederlanden, zolang prins Willem V van Oranje niet meerderjarig is.

In Brunswijk is een jonge hertog aan de regering gekomen: Ferdinand (1734-1806), die zich door Engeland-Hannover heeft laten inhuren. Johan August treedt in dienst van deze doortastende veldheer. Hij strijdt daardoor ook aan de zijde van de Pruisen mee, wederom tegen Frankrijk. Vanuit Brunswijk schrijft hij brieven aan koningin Lovisa Ulrika (ondermeer op 1 februari en 9 maart 1757) over haar broer de koning van Pruisen. (1) In dat jaar maakt hij bovendien de verloren slag bij Hastenbeck mee.

In de nazomer van 1757 kiest Zweden partij in de oorlog. Gelet op de aanspraken van Pruisen op Voor-Pommeren wordt gekozen voor de alliantie tegen Pruisen. De oorlogszuchtige partij van de ‘Hoeden’ heeft de overhand in de Rijksdag en is zelfs uit op herovering van Achter-Pommeren. De Zweedse koning vaardigt een verbod voor zijn onderdanen uit om wapenen ten gunste van Pruisen en zijn bondgenoten te dragen.

Hoewel Johan August niet in Pruisische dienst staat, geldt het verbod ook voor hem. Hij aarzelt echter om de actieve veldtochten onder de bekwame Hertog van Brunswijk in te ruilen voor een afwachtende garnizoensbaan in een Pommerse vestingstad. Dat hij aan het ver­bod geen ogenblikkelijk gehoor geeft, stoort de Zweedse regering in hoge mate. Op 8 november schrijft Von Höpken aan Adam Arvidsson Horn: “Il se trouve d’autre Suédois dans les troupes de Brunsvig, mais je n’en fait point de cas, parce qu’ils se trouvent exilés et expatriés. Je m’interesse uniquement a M. le comte Meyerfelt par l’interet que vous prenez à ce qui le touche.” (2) Deze nog welwillende houding moet worden toegeschreven aan Johan August’s hoge komaf en aan het feit dat Zweden weinig officieren telt, die zo met de oorlog vertrouwd zijn.

Nadat de Zweedse legers Stettin weten te veroveren worden zij geleidelijk over de grens teruggedrongen. Op 30 december krijgt de Zweedse verdediging van de Trebelovergang bij Nehringen opdracht zich naar Tribsees terug te trekken. Misschien is dit het signaal voor Johan August om aan de bevelen van de koning gehoor te geven. Hij staat op dat moment aan het front bij het door de Fransen veroverde Hannover en spoedt zich vandaar naar Stralsund, om tegen de Pruisische blokkade van de stad deel te nemen. De Pommerse Oorlog wordt in wezen gevoerd tussen twee zwakke legers. De Zweden hebben sinds de dagen van Karel XII geen goed getraind en uitgerust leger meer, terwijl de Pruisen hun beste troepen tegen sterkere leden van de alliantie moeten inzetten. Van deze oorlog zijn maar enkele verrichtingen van Johan August bekend gebleven.

Over de Pommerse landgoederen van de familie ontstaat in de eerste maand van 1758 een verwikkeling. De Zweedse onderdanen waren bij het uitbreken van de oorlog gewaarschuwd niet te vluchten en hun landgoederen niet onbeheerd achter te laten. Gravin Brita Barnekow geeft aan deze oproep gehoor en steekt van Zweden over naar Stralsund. Niettemin weigert de regering haar een pas voor een beschermde tocht van Stralsund naar Nehringen te geven vanwege de belegering van Stralsund. (3)

Op 18 juli 1758 wordt Johan August benoemd tot commandant van het Eerste Duitse bataljon grenadiers van eerst 384 en uiteindelijk 400 man in 4 compagnieën. Het uniform lijkt verwarrend veel op het Pruisische. Met zijn nieuwe bataljon maakt hij de herovering van Peenemünde mee. In gevechten nabij Güstrow op 19 november proberen de Pruisen vanuit Mecklenburg een doorbraak te forceren. Zij slagen er in Pommeren binnen te rukken en Damgarten te veroveren. De Zweedse bevelhebber Lantinghausen zendt majoor Meijerfeldt naar de daarachter gelegen pas. Met zijn bataljon grenadiers en het regiment cavalerie van Småland rukt hij haastig op, maar de Pruisische voorhoede onder Von Diericke is de pas al voorbij en rukt op naar Stralsund. In Steinhage bij Richtenberg lukt het Johan August stelling te nemen. Op 2 januari 1759 komt de Pruisische aanval. De Zweedse patrouille valt in handen van Pruisische huzaren. Dit toeval en de zware sneeuwval zijn er de oorzaak van, dat de Pruisen het Zweedse kamp ongezien kunnen naderen. De naar het schijnt niet erg waakzame Zweden worden in hun kwartier overvallen. Met het bieden van dappere weerstand maken zij hun fout echter ongedaan. De terugtocht verloopt gedisciplineerd en daardoor lukt het Johan August weer front te maken bij het Defilée van Seemuhl, de toegangspoort tot de weg naar Stralsund. De Zweedse verliezen zijn aanzienlijk.

Een andere actie waarbij Johan August bekendheid verwerft is de bestorming van Swinemünde (Swinoujscie) en Wolin aan de monding van de Oder van 27 augustus tot 16 september 1759. Hij zet de bestor­ming in met een aanval om 4.00 uur in de nacht en onder dekking van enkele andere regimenten weet hij de stad met een Pruisisch garnizoen van 80 man onder Prenz in te nemen. Ook op 15 september leidt hij zijn grenadiers in de eerste succesvolle aanval op een buitenpost van Wolin en neemt de dag daarop de aanval op de Swinepoort voor zijn rekening. Daar komen zijn manschappen echter onder hevig vuur vanaf de bastions te liggen, moeten met veel verliezen terugtrekken en hebben ook geen succes met een verstrekte aanval met twee kanonnen. Omdat de andere poorten wel worden ingenomen geeft het Pruisische garnizoen van Wolin zich uiteindelijk over. Na afloop van de succesvolle aanval wordt het aan Lantinghausen overgelaten graaf Meij­erfeldt te belonen voor zijn buitengewone kwaliteiten als troepenofficier. Met voorbijgaan van de anciënniteitsvolgorde volgens een recent dienstbevel wordt hij in oktober bevorderd tot overste in het regiment van Löwenfels, later van Sprengtporten.

In de Rijksdag van 1760 wordt vermeld, dat graaf Meijerfeldt in de Zweedse provincie Dalarna rondreist met politiemannen en overal rondvertelt dat er een nieuwe partij in Stockholm aan de macht zal komen. Daarmee moet hij de Hofpartij hebben bedoeld. In sommige bronnen wordt dit verhaal aan Johan August toegeschreven, maar het is waarschijnlijker dat het hier om Carl Fredrik gaat. Per 1 mei 1760 vestigt hij zich op zijn vaders landgoed Gammel Køge op Sjælland (Denemarken). Het is mogelijk dat Carl Fredrik daar in Deense militaire dienst treedt, want van hem is bekend dat hij daarin overste is geweest.

IMG_0308
                            Zweeds-Pommeren in 1761

De strijd in Pommeren laait weer op, als de Zweden een winterveldtocht 1761-1762 ondernemen. Overste Johan August marcheert snel en verovert op 13 augustus 1761 met zijn bataljon aangevuld met versterkingen de stad Friedland op enkele Stettinse corpsen. Op 22 augustus neemt hij onder Stackelberg deel aan gevechten bij Neubrandenburg en op 7 september keert hij in Friedland terug. (4) In december steken de Pruisen onder hevige sneeuwstormen onder commandant Von Belling op enkele plaatsen de grens over, onder andere op 12 december bij Nehringen. Meijerfeldt van zijn kant slaat twee dagen later bij Anklam terug. Op 20 december vraagt de Zweedse opperbevelhebber hem zelfs de Hertog van Mecklenburg te hulp te schieten met bataljons, 3 squadrons en 200 huzaren. Op 15 februari 1762 komt een einde aan de Zevenjarige Oorlog met de vrede van Hubertsburg. De grondslag van de vrede is de status quo, zodat Voor-Pommeren in Zweedse handen blijft. Voor zijn aandeel in de winterveldtocht wordt Johan August bevorderd tot kolonel in het leger, hetgeen in die tijd gezien zijn 37-jarige leeftijd een uitzonderlijk hoge rang is.

Naar moet wor­den aangenomen vestigt Carl Fredrik zich weer in Pommeren. Op 31 december 1762 ruilen hij en Johan August Gammel Køge en Medrow om. Naast zijn moeders landgoed Nehringen staat hem ook een huis in Stralsund ter beschikking – tegenover het Meijerfeldtska Palatset – dat zijn vader van de familie Rosenmund kocht. In dat huis houdt hij zich bezig met het opbouwen van een bibliotheek voor de familie Meijerfeldt en alle aangetrouwde adellijke families. Ter financiering van dit project verzoekt hij de betrokken families om donaties. (5) Het is waarschijnlijk, dat Carl Fredrik in deze tijd in dienst van de keurvorst van Hessen treedt. Van hem wordt namelijk opgegeven, dat hij in Hessische dienst de kolonelsrang bekleedt. Van een verwisseling met de in die tijd levende Hessische luitenant Wilhelm Ludwig von Meyerfeld (1723-1804) zal wel geen sprake zijn (zie deel 3).

1. F.A. von Fersen, “Historiska Skrifter”, Stockholm 1869, deel II, pag. 228-308.
2. Von Höpken I, pag. 355-356.
3. Von Höpken II, pag. 462.
4. K.M. von Sulicki, “Der Siebenjährige Krieg in Pommeren”, Berlin 1867, pag. 190, 238, 614 e.v.
5. Riksarkivet Stockholm, Biographica M 8 b, brief van 15 februari 1766 van Carl Fredrik Meijerfeldt aan Carl Sparre.