1.6.2. Gouverneur-generaal van Pommeren

Eind april 1721 steekt Johan August over naar het continent en komt op 3 mei in Stralsund aan. Hij gaat zijn functie als gouverneur-generaal van Zweeds-Pommeren weer opvatten voor een jaarsalaris van 5.200 Taler en zijn Nehringse landgoederen bewonen. Bij hem is Trautvetter, die tot commandant van Stralsund is benoemd. Ook zijn vrouw en dochter zijn bij hem.

Er is inmiddels ook een eerste zoon geboren: Carl Fredrik (Karl Friedrich) jr, vernoemd naar zijn oom. Deze geboorte vindt net als van de eerste dochter plaats bij de gravin Ascheberg, ditmaal op het eerder genoemde kasteel Vittskövle. Op zijn portret 42 jaar later valt op dat hij in tegen stelling tot zijn vader en jongere broer niet lang en mager is. Bovendien heeft hij twee sterk verschillende gezichtshelften. Het is onbekend of hiervan vanaf zijn geboorte of pas later sprake is. Tien jaar voor het portret wordt al gesproken van een groot oog en een klein oog, terwijl  nog eens tien jaar eerder een bron ook zijn ongelijk gezicht noemt. (Carlson, Gammelkjøgegaard; Riksdag).

Een jaar later wordt in Stralsund weer een dochter geboren, met de namen Anna Catharina; haar grootmoeder van vaders zijde had dezelfde voornamen. Bij de doop op 20 mei 1722 in de St. Nikolaikerk (1722, nr. 204b) zijn getuigen generaal Trautvetter, generaal-majoor Krassow, landraad Normann, luitenant Wulffraht en de vrouwen van de generalen Benett, Stahl en Rehnskiöld. Ook wordt als doopgetuige genoemd Frau Obristin Meyerfelden, waarschijnlijk niet tante Anna Christina Meijer­feldt-Hastfer, maar groot­moeder Anna Cathari­na Meijerfeldt-Wolff (zij zou 3 jaar later op Nehringen overlijden). Tenslotte wordt op 4 mei 1725 een zoon Johan August jr in Stralsund geboren. De volgende dag wordt het kind gedoopt in de St. Nikolaikerk van Stralsund. Als doopgetuigen treden hier op (1725 nr. 225b) wederom baron von Trautvetter namens de Koninklijke Regering, generaalsu­perin­ten­dant Joachim von Krackevitz namens de geestelijke stand en kolo­nel Wulffrath namens de adellijke stand. De oudste dochter Ulrika Margareta overlijdt op 26 juni 1728 op 9-jarige leeftijd en wordt 4 dagen later in het Nehringse familiegraf begraven.

In Wenen verblijft nog steeds Wolmar Johan Meijerfeldt. Juni 1723 doet hij om onbekende redenen het verzoek zijn kwartier te mogen maken in Breslau (Wroclow). Net als zijn collega-officieren moet hij veel moeite doen zijn achterstallige jaarwedde uitbetaald te krijgen. Na enkele vergeefse pogingen doet hij in 1721 en opnieuw in 1722 een officieel ver­zoek tot uitbetaling. In 1724 wordt hij voor zijn soldij op de belastingopbrengsten van Moravië aangewezen, hetgeen hem tot zijn dood ergernis zal blijven opleveren. In 1729 komt hij zelfs in conflict met de Weense Hofkammer, omdat hij zich in zijn verbittering beledigend over de betaalmeesters in Brünn (Brno) uitlaat. De Hofkriegsrat heeft hiervoor echter begrip en oordeelt mild over hem, wellicht ook omdat zijn oude veldheer prins Eugenius de president is.

Johan August Meijerfeldt krijgt als gouverneur-generaal in de eerste plaats te maken met aanhoudende militaire en politieke druk van Pruisen. Ondanks de malaise in het Zweedse leger weet hij er een verdubbeling van zijn Zweedse troepen tot 3.000 man en de uitbouw van de vestingwerken van Stralsund door te drukken. De plaatselijke Landstände ziet dit als een veel te zware last en Meijerfeldt draait geleidelijk in hun richting. Hij weet het in de loop der jaren zo te regelen dat alleen het landelijke infanteriekorps en het stedelijke artilleriekorps betaald moet worden, vervolgens dat de tekorten van het garnizoen van Stralsund op de rijkskas drukken en tenslotte in 1739 dat er regelmatig rijksbijdragen in de huishoudkosten van Zweeds-Pommeren komen (Buchholz).

Van Johan August wordt gezegd, dat hij niet alleen een van Karel XII’s bekwaamste generaals is, maar ook als bestuurder goede eigenschappen bezit. (1) Hij moet het bestuur voeren namens koning Frederik op grond van de oude orde van 1663. Dit betekende herstel van de privile­ges van de Pommerse adel en steden, niet in het minst veroorzaakt door het feit dat 4 Rijksraden, waaronder Meijerfeldt, daar landgoederen bezitten. Hij verzet zich in 1728 met succes tegen het Matrikel van Lagerström om op basis van de oppervlakteberekeningen van het kadaster uit 1692-1698 belasting te gaan heffen, want dat zou een enorme verhoging tot gevolg hebben gehad.

In vergelijking tot het straffe bewind van het naburige Pruisen is het Zweedse regime mild te noemen. Economisch gezien raakt het gebied echter snel achterop, ondermeer door het gezapige leven, de afzijdigheid van de overheid, het slecht innen van de pachtsommen en de Pruisische blokkade aan de landsgrens. ‘Unter drei Kronen läßt sich’s ruhig wohnen’, luidt een spreekwoord uit die tijd. Dat geldt niet voor alle bevolkingsgroepen, want in 1729 krijgt Johan August opdracht Zweedse zigeuners via Pommeren uit het rijk te deporteren. (2)

Het culturele leven bloeit wel op, waarbij de Universiteit van Greifswald een rol speelt ten gevolge van de bijzondere koninklijke gunst die zij geniet. Met name de geschiedschrijving van Pommeren neemt een grote vlucht. Het gaat desalniettemin om één van de kleinste universiteiten van Duitsland en Zweden (gemiddelde omvang van 82 studen­ten), die vooral bekend staat om haar geringe activiteiten en haar theologen­strijd. Johan August is lange tijd Kanselier (1714-1747), maar wordt niet als een succesvol Kanselier herin­nerd: Seine militäristischen Verdienste machten ihn wahrscheinlich eher dafür zuständig, die Regierung in Stralsund zu leiten als die Univer­sität zu überwachen und zu lenken, in derer Ge­schichte er nachwei­slich keine bemerkenswertere Spur hinter­lassen hat. (3)

Begin 1726 spoort hij de rector per brief wel tot meer activiteiten aan en eind 1730 leidt hij persoonlijk de visitatie van de universiteit, die tot een kritisch rapport aan de koning leidt. Deze onderneming is op gang gekomen onder druk van de enige Zweedse hoogleraar Nettel­bladt, die in 1724 buiten de voordracht om (en achteraf haastig gesteund door Meijerfeldt) door de koning benoemd is. In 1736 benoemt Meijerfeldt zelf een Zweedse hoogleraar die niet als eerste op de voordracht staat, maar verder laat hij de universiteit toch vooral een Duits karakter houden. Hij staat in 1739 een deel van zijn zeggenschap af aan de Pommerse regering.

In 1726 wordt in Zweden het oorlogsschip met de naam “Greve Meijerfelt” te water gelaten, naar mag worden aangenomen in aanwezigheid van graaf Johan August Meijerfeldt sr. Het schip is gebouwd op de private werf Masthugget in Göteborg. Constructeur en bouwmeester is C.J. Falck. Het schip weegt 140 ton, heeft een lengte van 118 voet (35,03 meter), een breedte van 19 voet (5,64 meter) en een diepgang van 6,25 voet (1,85 meter). Aan oorlogstuig zijn er 2 kanonnen van 12 pond en 4 van 3 pond. Het schip doet bijna 40 jaar dienst, maar er worden geen krijgshandelingen vermeld. Op 14 mei 1765 zinkt het schip bij Zuid-Aspholmssund.

IMG_0305

Meyerfeldtsches Palais, Badenstraße 17, Stralsund

Ook verrijzen vele bouwwerken; de gouverneur-generaal legt op 1 augustus 1726 de eerste steen voor de residentie – later genoemd Meijerfeldtska Palatset – aan de Badenstraße 17 te Stral­sund, alwaar hij in 1730 met zijn gezin gaat wonen. Graaf Johan August Meijerfeldt ziet zijn kastelenbezit in die tijd sterk uitgebreid. Uit het vermogen Barnekow-Ascheberg valt hem in 1724 het landgoed Gammal Køgegård op het Deense eiland Sjæland toe. Hij bindt de boeren aan zich door in 1736 een unieke drankvergunning voor de plaatselijke herberg te regelen. (4) Uit hetzelfde vermogen krijgt hij het kasteel en uitgebreid landgoed Sövdeborg in de Zuid-Zweedse provincie Skåne. De graaf brengt zijn tijd graag op dit laatste landgoed door en hij trekt zich hier ook op het eind van zijn leven terug. Daarnaast laat hij zijn slot Näsby in 1731 verbouwen, hoewel hij er uitsluitend vertoeft als hij in Stockholm is.

De gouverneur-generaal neemt door zijn Pommerse bestuurswerkzaamheden nauwelijks deel aan het politieke leven in Stockholm. Ulrika Eleonora was als koningin afgetreden ten gunste van haar echtgenoot Frederik, maar was nog troonpretendent en bij diens afwezigheid regentes. Meijerfeldt wordt er vreemd genoeg van verdacht dat hij naar de Holstein-partij overhelt en daarin zelfs een vooraanstaande plaats inneemt, niet in de laatste plaats omdat die partij voordeel trekt uit het feit dat hij meer dapperheid dan diplomatie bezit (Hofberg).

In de jaren 1726-1727 woedt de alliantiekwestie op haar hevigst. Van 7 tot 9 februari 1729 dienen alle staatscolleges een geheim standpunt in te nemen over de vraag naar een bloedband met het Holsteinse huis. Tot dan had graaf Meijerfeldt meestentijds in het buitenland vertoeft, zodat hij zich aan de besluitvorming had kunnen onttrekken. Uiteindelijk weet hij zichzelf in een neutrale positie te manoeuvreren. (5)

In 1729 vindt een schandaal plaats rond de pastor in de St. Andreas Kirche in Nehringen, Christoph Heinrich Fischer. Geboren in het Saksische Alsleben  had hij eerder in Kopenhagen gestaan en was  vanwege de Deense bezetting van Voor-Pommeren in 1718 in Nehringen beroepen. Vanaf 1721 ziet hij Meijerfeldt naar zijn landgoed terugkeren en een omvangrijke verbouwing van de St. Andreas Kirche  plegen. Na het acht jaar te hebben aangezien gaat de pastor in een preek ver zijn boekje te buiten. Hij laat zich in de meest onwelvoeglijke en beledigende bewoordingen uit over gouverneur-generaal Meijerfeldt, zonder hem overigens direct te noemen. Hij wordt onmiddellijk geschorst en aangeklaagd. Hij weet ontslag te ontlopen door onder ede te verklaren Meijerfeldt niet bedoeld te hebben. De Deense koning is zo verstandig hem daarna in Holstein te beroepen. Zijn opvolger is Andreas August Sigismund uit het Me klenburgse Allerstorff. Hij is op dat moment  privéleraar in de Meijerfeldtse familie. Tot 9 september 1756 blijft hij pastor en wordt het jaar daarop opgevolgd door Friedrich Wilhelm Schröder, die tot 1796 pastor is.

 

 

1. H. Villius in Carlquist & Carlsson, “Svensk Uppslagbok”, Malmö 1951, deel 19, pag. 778.
2. A. Minken, “Nordic Taters – ethnic identity, social cathegorizing and economic adaption ca 1500-1850”, case study Pehr Jönsson Hellbom. Brief aan de gouverneur-generaal over 11 zigeuners in Riksarkivet Stockholm, Inrikes Civilexpeditionen B1a 15.
3. I. Seth, “Die Universität Greifwald und ihre Stellung in der schwedische Kulturpolitik 1637-1815”, Berlin 1956, pag. 117.
4. Kjeld Ejdorf, “Godaftenkroen och Korporalskroen, En privilegeret kro med hængerøv”, Strandsiden, oktober 2007, pag. 6-7.
5. B. Hammarlund, “Politik utan partier. Studier i Sveriges politiska liv 1726-1727”, Stockholm 1985, pag. 61, 127 en 213. Malmström II, pag. 14.