1.6.1. Het einde van de Grote Noordse Oorlog

In de opvolgingskwestie van de Zweedse koning Karel XII zijn er twee kampen: Holstein en Hessen. Het eerste kamp wordt geleid door Georg Heinrich von Görtz, Holsteiner in Zweedse dienst, pleiter voor de zoon van de oudste zuster van Karel XII, Karl Friedrich, hertog van Holstein-Gottorp. Hij heeft als sterk argument voorrang van de oudste en de mannelijke lijn, maar de pretendent is nog niet volwassen. Het tweede kamp bestaat uit de Zweedse adel, die pleit voor de jongere zuster van Karel XII, Ulrika Eleonora, verloofd met  prins Frederik van Hessen-Kassel. Zij hebben als sterk argument dat zij bij afwezigheid van haar broer al jaren feitelijk regentes is geweest. Zij belooft de adel herstel van de oude orde.

Volgens Görtz behoort Meijerfeldt al sinds 1713 tot het Hessen-kamp, maar hij is natuurlijk wel sterk vooringenomen sinds de Stettin-affaire. In een brief uit Stockholm van 15 maart 1716 continueert Görtz zijn vijandige gevoelens: M:r de C. Meierfeld est arrivé ici. Il fait comme de coutume, c’est a dire que, quand il manque aus promesse qu’il a faites à son Maitre, il en jette la faute sur d’autres. (1)

Het klopt dat Meijerfeldt een vurig pleitbezorger is van Ulrika Eleonora. Dat blijkt uit zijn condoleancebrief van 10 december 1718, waarin hij haar prematuur als koningin aanspreekt. Hij wenst haar sterkte bij de zware regeringslast en belooft zijn onvoorwaardelijke trouw. (2) Hij wedt op het goed paard, want dankzij ondertekening van een nieuwe grondwet die een einde maakt aan de absolute monarchie kiest de Rijksdag haar als koningin.

IMG_0304Koningin Ulrika Eleonora (regeert 1718-1720)

Görtz wordt gevangen gezet. In de rechtszaak komt zijn omkooppoging in de Stettin-affaire aan de orde. Hij zegt het zich na al die (zes) jaren niet te kunnen herinneren. Om deze en nog vele andere aanklachten wordt hij zonder veel omhaal van woorden veroordeeld tot de galg. Bij de vraag of hij onder de galg begraven moet worden, adviseert Meijerfeldt de Koningin in de Rijksraad het lichaam beschaafd aan de familie over te dragen, echter zonder succes, want de adellijke wraakgevoelens zijn zongroot dat hij in een gat onder de galg wordt gegooid.

Meijerfeldt kan tijdens de Senaatszitting van 21 januari 1719 zijn invloed aanwenden om een proces van vredesonderhandelingen in gang te zetten. Eind mei pleit hij tegen het voeren van aparte onderhandelingen met Bassewitz en voor het afwachten van de uitkomsten van het geallieerde Congres van Brunswijk, in de hoop dat de tegenstanders het onderling niet eens worden over de verdeling van de op Zweden veroverde gebieden. (3)

Op 23 februari 1719 komt alle Zweedse adel bijeen in het Ridderhuis in Stockholm. De nieuwe adellijke leden van de Rijksdag worden ingezworen, waaronder Johan August, die op één van de voorste rijen aanschuift. (4)

In diezelfde maand komt Wolmar Johan Meijerfeldt van het Hongaarse graafschap Pressburg (Bratislava) met verlof naar Zweden over. Het kan zijn dat dit verband houdt met de aanstaande geboorte van het eerste kind van Brita Barnekow. Zij verblijft bij haar moeder op het kasteel van Visingsö, een eiland midden in het Zweedse Vättern-meer. Daar wordt aan het begin van de zomer een dochter Ulrika Margareta geboren. Zij is vernoemd naar de koningin en naar haar grootmoeder Ascheberg.

Kort daarop wordt Johan August benoemd tot Kanselarijraad; de Kanselarij geeft de koningin belangrijke adviezen, met name over de onderhandelingen. Hierdoor kan hij een nog meer vooraanstaande rol bij het vredesproces vervullen.
Die zomer wordt nog een andere reden voor de overkomst van Wolmar Johan duidelijk. Hij wordt in Stockholm door koningin Ulrike Eleonore tot graaf gekroond en opgenomen in de gravenbrief van Johan Au­gust. Het is waarschijnlijk dat de laatste zijn invloed heeft aangewend om zijn jongere broer deze Zweedse onderscheiding ten deel te laten vallen. Wolmar keert daarna terug naar Wenen.

De Kanselarijraad beveelt op 2 november aan om aparte onderhandelingen met Pruisen te voeren. Reeds op 10 november stelt de koningin Johan August aan het hoofd van de Zweedse onderhandelingsdelegatie. Op 21 januari 1720 kan hij de onderhandelingen met een verdrag beklinken. Voor-Pommeren met Stralsund komt weer in Zweedse handen en Achter-Pommeren met Stettin wordt aan Pruisen gelaten.

Het botert niet erg tussen de koningin en haar Kanselarijraad, onder andere omdat zij zich teveel met staatszaken bemoeit en haar echtgenoot en eerste hofdame in betrekt. Nadat Cronhielm hierom aftreedt heeft Meijerfeldt de eer als oudste lid enige tijd het Presidentschap te vervullen en in die functie op 2 februari 1720 de Rijksdag te openen met een lofrede op de koningin. Tegen haar wil doet Ulrika Eleonora kort daarop afstand van de troon ten gunste van haar man, die daardoor koning Frederik van Zweden wordt.

Johan August wordt belast met de verdere onderhandelingen met Pruisen, alsmede met Engeland, Nederland (Ulbo Aylva van Burmania, buitengewoon ambassadeur om de vrijhandel en scheepvaart op de oude voet voort te zetten) en Turkije. Op 31 mei 1720 sluit hij een aanvullend verdrag over de te betalen losprijs voor het behoud van Stralsund. In april was zijn zwager Arvid Horn hem al als President opgevolgd en in oktober kan hij ook als Kanselarijraad aftreden. In de Senaat blijft hij zich bezighouden met het vredesproces, met name ten aanzien van Rusland. Uiteindelijk is in 1721 in de Vrede van Nystadt met alle vijanden vrede gesloten. (5)

 

2. L. Thanner, “Revolutionen i Sverige efter Karl XII:s död”, Uppsala 1953, pag. 151. In een brief van 8 december aan Meijerfeldt hadden de Koningsraden wel al zijn steun gevraagd voor deze opvolging en de arrestatie van Görtz. Op 13 december ontvangt Meijerfeldt een gunstig antwoord van Ulrica Eleonore: “Handlingar rörende Skandinaviens Historia”, Stockholm 1818, deel V, pag. 323 e.v.
1. “Bihang till Riksdagen i Stockholm år 1719, innehållande protocoller och handlingar hörande till actionen emot baron V. Görtz”, Stockholm 1826, pag. 173 en 180 e.v. C.A. van der Velde, “Arwed Gyllenstierna, a tale of the early part of the eighteenth century” (uit “Tales from the German”, deel 1, vertaler Nathaniel Greene), Boston 1837, pag. 147. J.W. Lindner, “Arwed Gyllenstierna”, Bayreuth 1833.
3. C.G. Malmström, “Sveriges Politiska Historia från konung Karl XII:s död till statshvälfningen 1772”, Stockholm 1893-1899, deel I, pag. 144. Thanner, pag. 159.
4. Sveriges Ridderskaps och Adels Ridsdags-Protokoll, 1719 1:1, pag. 6-7.

5. V. Loewe, “Publikationen aus den K. Preußischen Staatsarchiven”, deel 87, “Preußens Staatsverträge aus der Regierungszeit König Friedrich Wilhelms I”, Osnabrück 1966, pag. 227 en 254. Malmström I, pag. 220, 304 en 349.