1.7.1. Vredesonderhandelaar

Nadat de Zweedse koning Karel XII op 30 november 1718 is gesneuveld, gaat Johan August Meijerfeldt zich vooral met twee zaken bezighouden: de opvolgingskwestie en de vredesonderhandelingen.

Wat betreft de opvolgingskwestie behoort Meijerfeldt met de Zweedse adel tot het zogenaamde Hessische kamp. Dit kamp pleit voor de jongere zuster van Karel XII, Ulrika Eleonora, verloofd met prins Frederik van Hessen-Kassel. Het sterke argument is dat zij bij afwezigheid van haar broer al jaren feitelijk regentes is geweest. Zij belooft de adel vrede en vooral een einde aan de absolute heerschappij van de vorige drie koningen. Het andere zogenaamde Holsteiner kamp geleid door Görtz pleit voor de oudste zuster van Karel XII en daardoor haar zoon hertog Karel Frederik van Holstein-Gottorp. Het sterke argument daar is voorrang voor de oudste en de mannelijke lijn, hoewel deze pretendent nog minderjarig is.

Volgens Görtz behoort Meijerfeldt al sinds 1713 tot het Hessische kamp. De werkelijke oorzaak is zijn loyaliteit aan de voorkeur van zijn koning. Görtz is  vooringenomen sinds de Stettin-affaire. In een brief uit Stockholm van 15 maart 1716 continueert Görtz zijn vijandige gevoelens: M:r de C. Meierfeld est arrivé ici. Il fait comme de coutume, c’est a dire que, quand il manque aus promesse qu’il a faites à son Maitre, il en jette la faute sur d’autres. (1)

Op 8 december ontvangt Meijerfeldt een brief van de Koningsraad met condoleances met Karel XII’s dood, het bericht dat Görtz gearresteerd is en dat erfprinses Ulrike Eleonara hun kandidaat voor de opvolging is. Meijerfeldt schrijft haar op 10 december een condoleancebrief, waarin hij haar prematuur als koningin aanspreekt. Hij wenst haar sterkte bij de zware regeringslast en belooft zijn onvoorwaardelijke trouw. Op 13 december antwoordt zij op positieve en persoonlijke toon. Zij verklaart het rijk op de oude voet te zullen gaan besturen. en voegt zelf in het Duits toe “dass dieser todes fal, wird dem H. Grafwen soviel mehr, zu hertzen gehen”. Op 30 december schrijft erfprins Frederik van Hessen hem in soortgelijke termen, maar loopt nog verder op de zaken vooruit met de wens “dass der Verderbliche Krieg ehrstens aufhören, und ein edler friede an der stelle beygebracht werden möge”   (2) 

Meijerfeldt wedt op het goed paard, want dankzij ondertekening van een nieuwe grondwet die een einde maakt aan de absolute monarchie kiest de Rijksdag haar als koningin.

IMG_0304Koningin Ulrika Eleonora (regeert 1718-1720)

Görtz wordt op 16 januari 1719 verhoord door een Koninklijke Commissie. Tot de bewijsstukken behoort een document van Bassewitz, waarin Meijerfeldt 50.000 Rijksdaalder en een jaarpensioen van 6.000 Rijksdaalder wordt aangeboden om Stettin over te geven aan Holstein. Hij zou de Pruisische generaal Fleming zelfs 200.000 Rijksdaalder belegeringskosten hebben beloofd. Görtz antwoordt dat hij de Commissie onbevoegd acht, maar zegt tevens zich de zes jaar oude feiten rondom Stettin niet meer te kunnen herinneren. Om deze en nog vele andere aanklachten wordt hij zonder veel omhaal van woorden veroordeeld tot de galg. Bij de vraag of hij onder de galg begraven moet worden, adviseert Meijerfeldt de Koningin in de Rijksraad het lichaam beschaafd aan de familie over te dragen, echter zonder succes, want de adellijke wraakgevoelens zijn zo groot dat hij in een gat onder de galg wordt gegooid.

Meijerfeldt kan tijdens de Senaatszitting van 21 januari 1719 zijn invloed aanwenden om een proces van vredesonderhandelingen in gang te zetten. Eind mei pleit hij tegen het voeren van aparte onderhandelingen met Bassewitz en voor het afwachten van de uitkomsten van het geallieerde Congres van Brunswijk, in de hoop dat de tegenstanders het onderling niet eens worden over de verdeling van de op Zweden veroverde gebieden. (3)

Op 23 februari 1719 komt alle Zweedse adel bijeen in het Ridderhuis in Stockholm. De nieuwe adellijke leden van de Rijksdag worden ingezworen, waaronder Johan August, die op één van de voorste rijen aanschuift. (4) In diezelfde maand komt Wolmar Johan Meijerfeldt van het Hongaarse graafschap Pressburg (Bratislava) met verlof naar Zweden over.

Op 17 maart 1719 vindt in Uppsala de kroning van Ulrike Eleonora plaats. Johan August speelt een vooraanstaande rol in de processie. Bovendien mag hij de kroningsmantel van haar afnemen en op het altaar leggen. Na afloop gaat hij de Rijksraden voor naar hun kamer. (5)

Op 23 juni 1719 wordt Johan August benoemd tot Kanselarijraad; de Kanselarij geeft de koningin belangrijke adviezen, met name over de onderhandelingen. Hierdoor kan hij een nog meer vooraanstaande rol bij het vredesproces vervullen.

Die zomer wordt een reden voor de overkomst van Wolmar Johan duidelijk. Hij wordt op 18 augustus in Stockholm door koningin Ulrike Eleonore tot graaf gekroond en opgenomen in de gravenbrief van Johan Au­gust. Het is waarschijnlijk dat de laatste zijn invloed heeft aangewend om zijn jongere broer deze Zweedse onderscheiding ten deel te laten vallen.

Voordat Wolmar naar Wenen terugkeert wordt hij oom. Brita Barnekow, die verblijft bij haar moeder op het kasteel van Visingsö, een eiland midden in het Zweedse Vätter-meer, bevalt in Tunnerstad op 15 augustus 1719 van een dochter Ulrika Margareta. Zij is vernoemd naar de koningin en naar haar grootmoeder Ascheberg. Een dag later wordt ze in Visingsö gedoopt. Wellicht vanwege de veraf gelegen locatie zijn de getuigen afgezien van  grootmoeder gravin Margaretha Ascheberg geen nationale bekendheden: de kolonels Gieger en Rijhel en de vrouw van kolonel Dücker. (6)

De Kanselarijraad beveelt op 2 november aan om aparte onderhandelingen met Pruisen te voeren. Reeds op 10 november stelt de koningin Johan August aan het hoofd van de Zweedse onderhandelingsdelegatie. Op 21 januari 1720 kan hij de onderhandelingen met een verdrag beklinken. Voor-Pommeren met Stralsund komt weer in Zweedse handen en Achter-Pommeren met Stettin wordt aan Pruisen gelaten.

Tussen de koningin en haar Kanselarijraad botert het minder dan gedacht, onder andere omdat zij zich toch teveel met staatszaken bemoeit en daar haar echtgenoot en eerste hofdame in betrekt. Nadat Cronhielm hierom aftreedt heeft Meijerfeldt de eer als oudste lid enige tijd het Presidentschap te vervullen en in die functie op 2 februari 1720 de Rijksdag te openen met een lofrede op de koningin. Tegen haar wil doet Ulrika Eleonora kort daarop afstand van de troon ten gunste van haar man, die daardoor koning Frederik van Zweden wordt.

Johan August wordt belast met de verdere onderhandelingen met Pruisen, alsmede met Engeland, Nederland en Turkije. De buitengewoon ambassadeur voor Nederland in Stockholm is Ulbo Aylva van Burmania. Hij heeft de opdracht de vrijhandel en scheepvaart op de oude voet voort te zetten. Op 19 februari vraagt de ambassadeur in een memorie aan de Zweedse koningin om schadevergoeding van meer dan één miljoen gulden  vanwege de inbeslagname van Nederlandse koopvaarders door Zweedse oorlogsschepen en kapers. Meijerfeldt had als President van de Rijksraad  “voor den Staat grote agting laten blyken, en sig seer genegen getoont dese saak ter begunstiging van de Nederlandsche Onderdanen te ondersteunen.” (7)

In april 1720 volgt Arvid Horn zijn zwager op als President. Hij moet op 14 mei de regie voeren bij de kroning van Frederik tot koning. Bij het zweren van trouw aan de nieuwe koning door het opsteken van vingers worden twee graven Meijerfeldt genoemd. (8)

Johan August blijft drukt met de vredesonderhandelingen. Op 31 mei 1720 sluit hij een aanvullend verdrag met Pruisen over de te betalen losprijs voor het behoud van Stralsund, eigenlijk een vervolg op het sekwestratieverdrag van 1713. In oktober kan hij als Kanselarijraad aftreden, maar in de Senaat blijft hij zich nog enige tijd bezighouden met het vredesproces, vooral ten aanzien van Rusland. Dit leidt op 10 september 1721 tot de Vrede van Nystadt (Uusikaupunki), waarmee tussen alle vijanden vrede is gesloten en een einde komt aan de Grote Noordse Oorlog. (9)

Op 13 februari 1721 om half zes in de ochtend wordt opnieuw een kind geboren op het eerder genoemde kasteel Vittskövle. Het gaat om een eerste zoon. Hij wordt op 17 februari in de kerk van Vittskövle onder getuigenis van zijn grootmoeder Margaretha Ascheberg gedoopt met de namen Carl Friedrich. (10) Later wordt zijn tweede naam verzweedst naar Fredrik. Op zijn portret 42 jaar later valt op dat hij in tegen stelling tot zijn vader en jongere broer niet lang en mager is. Bovendien heeft hij twee sterk verschillende gezichtshelften. Het is onbekend of hiervan vanaf zijn geboorte of pas later sprake is. Tien jaar voor het portret wordt al gesproken van een groot oog en een klein oog, terwijl  nog eens tien jaar eerder een bron ook zijn ongelijk gezicht noemt. (11)

 

1. “Bihang till Riksdagen i Stockholm år 1719, innehållande protocoller och handlingar hörande till actionen emot baron V. Görtz”, Stockholm 1826, pag. 173 en 180 e.v. C.A. van der Velde, “Arwed Gyllenstierna, a tale of the early part of the eighteenth century” (uit “Tales from the German”, deel 1, vertaler Nathaniel Greene), Boston 1837, pag. 147. J.W. Lindner, “Arwed Gyllenstierna”, Bayreuth 1833.
2. “Handlingar rörende Skandinaviens Historia”, Stockholm 1818, deel 5,
pag. 323-327,. pag. 328-330 en pag. 331-334.. L. Thanner, “Revolutionen i Sverige efter Karl XII:s död”, Uppsala 1953, pag. 151.
3. C.G. Malmström, “Sveriges Politiska Historia från konung Karl XII:s död till statshvälfningen 1772”, Stockholm 1893-1899, deel 1, pag. 144. Thanner, pag. 159.
4. Sveriges Ridderskaps och Adels Ridsdags-Protokoll, 1719 1:1, pag. 6-7.
5. Aftonbladet 30-08-1844, “Berättelse om Hennes Kongl. Majestäts Drottning Ulricæ Eleonoræ krönung, som skedde i Upsala d. 17 Martii 1719.”
6. Kyrckoarchiv Visingsö, Födelse- och dopböcker 1693-1735, fo. 292.
7. “Weekelyks Verhaal van de Voornaamste Nouvelles; Eenigszints Historischer Wyze ter neder gesteld. Behelzende eene korte Aantekening van alle de principaalste gevallen des Jaars 1720”, pag. 47.
8. Europische Mercurius, Eén-en-dertigste stuk, tweede deel, juli 1720, pag. 16.
9. V. Loewe, “Publikationen aus den K. Preußischen Staatsarchiven”, deel 87, “Preußens Staatsverträge aus der Regierungszeit König Friedrich Wilhelms I”, Osnabrück 1966, pag. 227 en 254. Malmström, deel 1, pag. 220, 304 en 349.
10. Kyrckoarchiv Vittskövle, Födelse- och döpböcker 1688-1741, fo. 28.
11. F. Carlson, “Gammelkjøgegaard og Omegn”, Kopenhagen 1876, deel 2, pag. 84. Tidningar, under Riksdagen, ifrån den 31 October 1760 till den Augusti 1761, Handlingar rörande Skandinaviens historia, deel,  15, pag. 123 en daarop gebaseerd Biografiskt Lexikon öfver Namnkunnige Svenska Män”, deel 9, pag. 66, hanteren de weinig flatteuze toevoeging “med olyckeliga ansigtet” (met het ongelukkige gelaat).