1.5.2. Heen en weer naar Konstantinopel

De slag bij Poltava luidt het einde in van Zweden als grote mogendheid. Na het bekend worden van de nederlaag vatten de verslagen vijanden de wapenen weer op. Augustus herstelt zijn koningschap in Polen, Peter de Grote is al heer en meester in de Baltische en ook enkele Finse gebieden en Denemarken ontfermt zich over Bremen, Verden en Holstein-Gottorp. Ook Pruisen en Hannover-Engeland ruiken hun kans te profiteren van het uiteenvallende rijk en nemen een meer vijandige houding ten opzichte van Zweden aan.

Denemarken bindt als eerste de strijd aan, maar moet dat opnieuw met een verpletterende nederlaag bekopen. Op 28 februari 1710 wordt het geoefende Deense leger verslagen door een in der haast vergaarde Zweedse krijgsmacht onder generaal Stenbock. Johan August voert de rechterflank aan, grotendeels samengesteld uit een boerenmilitie. In zijn officiële rapport aan Stockholm roemt Stenbock zijn dapperheid, maar vertrouwelijk kritiseert hij hem heftig over een zinloze achtervolging van een Deens dragonderregiment. Stenbock ziet hem nog zozeer als zijn vijand, dat hij hem zelfs de hierdoor veroorzaakte ontsnapping van de Deense hoofdmacht aan capitulatie aanwrijft. (1) Naar aanleiding van de overwinning wordt het volgende Zweedse versje gemaakt en ondermeer Meijerfeldt’s deelname aan het krijgsberaad wordt genoemd: (2)

Då Tolffte CARL i Swerie Rår/
Nytt folck i Fält med Stenbock går/
En Meyerfelt för Krigs=Råd står/
Och Burensckiöld gie bräck förmår;
Gifs Danske Fredrichs Hiärta Sår;
Then Gudi geckar/Straff han får.
Thet ses af Sinne=Bilden wår.

Da Schwedens zwölfften Carl regiert /
Graf Stenbock neues Volck anführt /
Und Meyerfeld den Kriegs-Rath ziert /
Auch Burenschild die Macht turbirt;
Ward Dännmarcks Friedrichs Hertz gerührt;
Gott straft den doch Der Ihr vexirt.
Diesz Denckbild hats klar praesentirt.

Baron Meijerfeldt behoort tot de Koninklijke Senaat, die optreedt als zaakwaarnemer voor de koning. Tot zijn werkzaamheden behoort ondermeer het organiseren van de verdediging van Lijfland. Op 22 oktober 1709 was Sherementev met 30.000 man op de linkeroever van Duna gearriveerd en korte tijd later was ook de tsaar gekomen om de eerste mortieren af te schieten. De eerste vallen nog in het water, maar de uiteindelijk 8.000 bommen die de maanden daarna worden afgeschoten richten veel schade aan.

Vanaf 24 november 1709 wordt het beleg geslagen om de stad Riga. Het garnizoen van 4.500 man houdt 8 maanden stand, maar de honger en de pest halveert de bevolking. Onder de doden bevindt zich Jakob Johan Meijerfeldt, het kind van de in Poltava omgekomen Carl Fredrik Meijerfeldt. Hij wordt begraven in de kerk van Festen (Vestina) of Oberpahlen. (3) Carolina Meijerfeldt, de enige dochter van Johan August, sterft ook in 1710 op jonge leeftijd, hoogstwaarschijnlijk eveneens slachtoffer van de pestepidemie, die op dat moment in Zweden heerst en ondermeer aan eenderde deel van de bevolking van Stockholm het leven kost.

Ondanks de vurige pleidooien van Meijerfeldt is Stenbock niet bereid meer troepen voor de verdediging van Lijfland af te staan. Daardoor is er geen andere weg voor het garnizoen van Riga dan zich op 10 juli 1710 over te geven. De capitulatievoorwaarden die de tsaar aan Sherementev meegeeft zijn uiterst gunstig voor de burgerij van Riga en voor de adel van Lijfland. Uit de boeken van de door de Moskovieten belegerde stad Riga blijkt de weduwe Meijerfeldt met 7 personen in de stad te zijn. (4) Met de weduwe kan zowel op Anna Catharina Meijerfeldt-Wolff als Anna Christina Meijerfeldt-Hastfer worden gedoeld. Hoewel de Duits-Baltische adel de door de Zweedse koning gereduceerde landgoederen terugkrijgt en het Duitse zelfbestuur wordt hervat, steken beide vrouwen naar Stockholm over.

In dat jaar wordt Johan August bevorderd tot luitenant-generaal, oppercommandant van Stettin (Sczeczin) en kolonel van de Stettinse landmilitie, die op orders van Karel XII naar een regiment van 1000 man infanterie moet groeien. In december 1710 reist hij over Wenen terug naar Bender, ondanks de moeilijkheden die met zo’n lange reis per wagen moeten worden doorstaan. Hij heeft een groot bedrag bij zich om de nieuwe troepen van de koning te kunnen bekostigen, hoewel het thuisfront onder leiding van zijn zwager graaf Horn liever een vredesverdrag met Rusland ziet. Hij komt juist op tijd om de achterstallige soldij van de huursoldaten te betalen.

Deze soldaten zouden naar de wens van Karel XII samen met de Turken tegen de Moskovieten moeten vechten. Om de Groot-Vizier tot een dergelijk avontuur over te halen, zendt hij Johan August al op 18 januari 1711 als diplomaat door naar Konstantinopel. Daar wacht hem een vriendelijke ontvangst. Hij kan de Groot-Vizier onthullen, dat een Zweeds leger van 30.000 man op het punt staat Polen binnen te vallen. Het gesprek resulteert in Turkse steun aan de vernietiging van het Russische imperium. Bovendien onderhandelt Meijerfeldt met diplomaten van andere Europese grootmachten; hij heeft ondermeer een urenlang gesprek met de Engelse ambassadeur Sutton. (5)

Van Konstantinopel vertrekt generaal Meijerfeldt via Italië naar Zweden, onder andere met een brief van de koning voor zijn zuster Ulrike Eleonore, en een brief aan de Raad om hem na 6 jaar eindelijk zijn loon uit te betalen. Om zijn reisdoel geheim te houden, laat hij rondvertellen dat hij naar Bender terugkeert. Gesuggereerd wordt dat de keurvorst van Hannover had verordeneerd hem dood of levend gevangen te nemen. (6) Bij zijn aankomst in Zweden begin juli 1711 wordt hij benoemd tot vice-gouverneur van Pommeren, naast de oude gouverneur-generaal Mellin. Dat jaar wordt hij generaal van de infanterie, hoewel zijn militie nog maar op halve sterkte is.

Inmiddels was de Turks-Russische Oorlog (1711-1712) ontbrand, die eindigde in een zware nederlaag voor tsaar Peter de Grote. Zeer tot ongenoegen van Karel XII worden de Moskovieten niet tot de overgave gedwongen en worden er geen vredesvoorwaarden gesteld. De Zweedse koning haalt zich in zo’n mate de Turkse gram op het lijf, dat het bondgenootschap wordt beëindigd en hij zelf op gewelddadige wijze gevangen wordt gezet.

1. Carlson (1910), pag. N132, noot 880.
2. Kungliga Biblioteket, Svenska Samling, Vitt. Sv. Ex B vers Kgl. Carl XII Br. 1700-1829 FOL 1710. [DZ/KS/1]
3. Latvijas Valsts Vestures Arhivs (Lets Histo­risch Staatsarchief), Bestand 4011: Perso­nen in Riga und im Balti­cum, Register II, Akte 3752. [CH/236c]
4. C. Schirren, “Die recesse der livländischen Landtage 1681-1711”, Dorpat 1865, pag. 305 en 329.
5. Villius (1960), pag. 148-149. Carlson (1894), pag. 108 en 112. Nordberg II, pag. 471. Tengberg (1953), pag. 106 noot 35.
6. S. Agrell, “Dagbok”, KKD V, Lund 1909, pag. 206. De uitgever van dit dagboek tekent hierbij aan dat deze suggestie onjuist is, omdat Hannover niet in een openlijk conflict met Zweden stond.