1.6.2. Van Helsingborg naar Konstantinopel

Voor Johan August Meijerfeldt heeft het oppakken van de wapens door Denemarken in 1709 in eerste instantie het bijzondere gevolg dat hem twee Deense landgoederen in Skåne in de schoot vallen. Als represaille voor de   Deense sekwestratie van Zweedse landgoederen, worden Bollerups säteri en borg van de Deense graaf Otte Rantzau en Glimmingehus van de Deense graaf Rosencrantz in beslag genomen en aan Johan August toegedeeld.

Baron Meijerfeldt behoort tot de Koninklijke Senaat, die optreedt als zaakwaarnemer voor de koning. Tot zijn werkzaamheden behoort ondermeer het organiseren van de verdediging van Lijfland. Op 22 oktober 1709 arriveert Sherementev met 30.000 man op de linkeroever van de Duna en korte tijd later ook de tsaar om de eerste mortieren af te schieten. De eerste vallen nog in het water, maar de uiteindelijk 8.000 bommen die de maanden daarna worden afgeschoten richten veel schade aan. Vanaf 24 november 1709 wordt het beleg geslagen om de stad Riga.

De Denen besluiten verder te escaleren. Zij willen de 50 jaar eerder verloren gegane provincies Skåne, Halland en Blekinge in Zuid-Zweden terugveroveren. Op 1 oktober verklaren zij de oorlog aan Zweden en op 2 november steken zij met 15.000 man de Sont over. Al snel hebben ze het hele gebied in handen, op de steden Landskrona en Malmö na. Stenbock is op dat moment gouverneur-generaal over Skåne en bouwt haastig een krijgsmacht op. Hij biedt zijn oude vijand Meijerfeldt aan zijn plaatsvervangend bevelhebber te zijn. Deze weigert vanwege zijn nog niet geheel genezen beenbreuk en ziekelijke staat, maar neemt wel zitting in de generale staf. Als tijdens een krijgsberaad op 25 november veel collega’s pleiten voor een afwachtende houding om het leger eerst op te bouwen en de winter voorbij te laten gaan, zegt Meijerfeldt weliswaar nog geen slag te willen leveren met de vijand, maar hem wel te willen ‘chicaneren’ met kleine aanvallen. Stenbock steunt hem en aldus wordt besloten. (1)

Op 1 februari 1710 voegt Johan August Meijerfeldt zich vanuit Stockholm in het hoofdkwartier van Stenbock in Osby, op veilige afstand van de Denen. Daar vindt opnieuw een krijgsraad plaats en besloten wordt nu wel slag te leveren. Meijerfeldt reist naar Halmstad om Fersen met zijn troepen van het plan en zijn aandeel daarin op de hoogte te stellen en op 10 februari is hij terug in het hoofdkwartier om verslag te doen. Op 18 februari trekken Stenbock en Meijerfeldt ieder aan het hoofd van de helft van de cavalerie in zuidwestelijke richting op. Dicht achter hen de infanterie met kanonnen en bagage.

Op 28 februari 1710  woedt de Slag bij Helsingborg. Meijerfeldt leidt de cavalerie op de rechterflank. Zijn eerste linie staat onder generaal-majoor Ascheberg en zijn tweede onder kolonel Dücker. Ook Wilhelm Bennet strijdt weer onder zijn commando. Meijerfeldt valt het Deense centrum van ingenieurstroepen aan. Deze is net aan het terugwijken, waardoor er een gat met het naastgelegen Deense regiment mariniers ontstaan. Daardoor dringt hij opeens door tot bij de zware artillerie. Hij krijgt veel vuur om zijn oren en weerstaat twee vijandelijke regimenten. Daarna kunnen Sparrfeldt en Taube zich op de grenadiers storten. Alle verzet is vruchteloos en de Deense commandant geeft opdracht tot de terugtocht. Dit is tot op zekere hoogte te danken aan de richting waarin Meijerfeldt met zijn cavalerie vooruitgaat. In plaats van naar binnen trekken om de Zweedse cavalerie op de linkervleugel te ontmoeten en daarmee het Deense leger in te sluiten achtervolgt hij de grenadiers en weet een pas te veroveren. Er blijkt een tweede route, waarlangs de Denen met zware verliezen weten te ontsnappen. (2)

Zo is het geoefende Deense leger verpletterend verslagen door de ongeoefende boerenmilities van Zweden. In zijn officiële rapport aan Stockholm roemt Stenbock Meijerfeldt’s dapperheid. Vertrouwelijk kritiseert Stenbock Meijerfeldt heftig over de zinloze achtervolging van de Deense grenadiers. Hij ziet hem nog zo zeer als zijn vijand, dat hij hem zelfs de hierdoor veroorzaakte ontsnapping van de Deense hoofdmacht aan capitulatie aanwrijft. (3)

Naar aanleiding van de overwinning wordt het volgende Zweedse versje gemaakt en ondermeer Meijerfeldt’s deelname aan het krijgsberaad wordt genoemd: (4)

Då Tolffte CARL i Swerie Rår/
Nytt folck i Fält med Stenbock går/
En Meyerfelt för Krigs=Råd står/
Och Burensckiöld gie bräck förmår;
Gifs Danske Fredrichs Hiärta Sår;
Then Gudi geckar/Straff han får.
Thet ses af Sinne=Bilden war.
Da Schwedens zwölfften Carl regiert /
Graf Stenbock neues Volck anführt /
Und Meyerfeld den Kriegs-Rath ziert /
Auch Burenschild die Macht turbirt;
Ward Dännmarcks Friedrichs Hertz gerührt;
Gott straft den doch Der Ihr vexirt.
Diesz Denckbild hats klar praesentirt.

Helemaal aan de andere kant van de Oostzee gaat de belegering van Riga door. Het garnizoen van 4.500 man houdt maar liefst acht  maanden stand tegen de grote Russische overmacht. De honger en de pest zijn een veel grotere vijand en halveren de bevolking. Onder de doden bevindt zich Jakob Johan Meijerfeldt, de zoon van de in Poltava omgekomen Carl Fredrik Meijerfeldt en Anna Christina Hastfer Hij wordt begraven in de kerk van Festen (Vestina) of Oberpahlen. (5)

Ondanks de vurige pleidooien van Meijerfeldt is Stenbock niet bereid meer troepen voor de verdediging van Lijfland af te staan. Daardoor is er geen andere weg voor het garnizoen van Riga dan zich op 10 juli 1710 over te geven. De capitulatievoorwaarden die de tsaar aan Sherementev meegeeft zijn uiterst gunstig voor de burgerij van Riga en voor de adel van Lijfland. Uit de boeken van de door de Moskovieten belegerde stad Riga blijkt de weduwe Meijerfeldt met 7 personen in de stad te zijn. (6) Hoewel de Duits-Baltische adel de door de Zweedse koning gereduceerde landgoederen terugkrijgt en het Duitse zelfbestuur wordt hervat, steken de families van de Zweedse officieren naar Stockholm over.

Een week later bevalt Johan August’s vrouw Anna Maria Törnflycht in Stockholm van een dochter Carolina Meijerfeldt. Het kind wordt op 16 juli in de Grote of Nicolaikerk gedoopt. Carolina leeft maar enkele dagen. Zij overlijdt al op 24 juli en wordt twee dagen later opgebaard in de Nikolaikerk. Op 28 juli 1710 wordt zij in de Jakobkerk in Stockholm begraven. Hoogstwaarschijnlijk is de baby net als haar neefje Jakob Johan slachtoffer van de pestepidemie, die op dat moment ook in Zweden heerst en ondermeer aan eenderde deel van de bevolking van Stockholm het leven kost. (7)

Op 30 augustus 1710 wordt Johan August bevorderd tot luitenant-generaal, oppercommandant van Stettin (Sczeczin) en kolonel van de Stettinse landmilitie, die op orders van Karel XII naar een regiment van 1000 man infanterie moet groeien.

Meijerfeldt gaat per wagen over Wenen terug naar Bender. Hij heeft een groot bedrag en veel brieven bij zich. Hij arriveert op 20 december 1710.

Oprechte Haarlemsche Courant 20-02-1711
‘s-Gravenhaegsche Courant, 20 februari 1711, voorpagina

Hoewel het thuisfront onder leiding van zijn zwager graaf Horn liever een vredesverdrag met Rusland ziet, heeft Karel XII om dit bedrag gevraagd om soldij van huursoldaten te betalen, niet alleen het achterstallige maar ook het toekomstige. Deze soldaten zouden naar de wens van Karel XII samen met de Turken tegen de Moskovieten moeten vechten.

Om de Groot-Vizier tot een dergelijk avontuur over te halen, zendt hij Johan August al op 18 januari 1711 als diplomaat door naar Konstantinopel. Daar wacht hem een vriendelijke ontvangst. Hij kan de Groot-Vizier onthullen, dat een Zweeds leger van 30.000 man op het punt staat Polen binnen te vallen. Het gesprek resulteert in Turkse steun aan de vernietiging van het Russische imperium. Bovendien onderhandelt Meijerfeldt met diplomaten van andere Europese grootmachten; hij heeft ondermeer een urenlang gesprek met de Engelse ambassadeur Sutton. (8)

Van Konstantinopel vertrekt Meijerfeldt niet terug naar de koning, maar via Italië naar Zweden, onder andere met een brief van de koning voor zijn zuster Ulrike Eleonore, en een brief aan de Raad om hem na zes jaar eindelijk zijn loon uit te betalen. Om zijn reisdoel geheim te houden, laat hij rondvertellen dat hij naar Bender terugkeert. Gesuggereerd wordt dat de keurvorst van Hannover had verordeneerd hem dood of levend gevangen te nemen. (9) Bij zijn aankomst in Zweden begin juli 1711 blijkt ook dat het pakketje papieren van de koning zijn benoeming per 4 juli tot vice-gouverneur van Pommeren inhoudt, naast de oude gouverneur-generaal Mellin. Op 12 oktober van dat jaar wordt hij generaal van de infanterie, hoewel zijn militie nog maar op halve sterkte is.

Inmiddels was de Turks-Russische Oorlog (1711-1712) ontbrand, die eindigde in een zware nederlaag voor tsaar Peter de Grote. Zeer tot ongenoegen van Karel XII worden de Moskovieten niet tot de overgave gedwongen en worden er geen vredesvoorwaarden gesteld. De Zweedse koning haalt zich in zo’n mate de Turkse gram op het lijf, dat het bondgenootschap wordt beëindigd en hij zelf op gewelddadige wijze gevangen wordt gezet.

 

1. Arthur Stille, “Kriget i Skåne 1710-1711”, Militärlitteratur-föreningens förlag, Stockholm 1903, pag. 79-80.
2. Stille, pag. 212.
3. E. Carlson, “Sveriges Historia under Karl den tolftes regering”, Stockholm 1910, deel 3, pag. N132, noot 880.
4. Kungliga Biblioteket, Svenska Samling, Vitt. Sv. Ex B vers Kgl. Carl XII Br. 1700-1829 FOL 1710. [DZ/KS/1]
5. Latvijas Valsts Vestures Arhivs, Bestand 4011: Perso­nen in Riga und im Balti­cum, Register II, Akte 3752. [DL; CH/236c]
6. C. Schirren, “Die recesse der livländischen Landtage 1681-1711”, Dorpat 1865, pag. 305, 307, 320 en 329. Met weduwe kan zowel op Anna Catharina Meijerfeldt-Wolff als Anna Christina Meijerfeldt-Hastfer worden gedoeld.
7. Kyrkoarchiv Nikolaj eller Stor försammling Stockholm, Födelse och dopböcker 1705-1717, fo. 132
8. H. Villius, “Ogenvitten Karl XII”, Stockholm 1960, pag. 148-149. E. Carlson, “Die eigenhändige briefe König Karls XII.”, Berlin 1894, pag. 108 en 112. J.A. Nordberg, “Konung Carl den XII: tes historia”, Stockholm 1740, deel 2, pag. 471. E. Tengberg, “Från Poltava till Bender, en studie i Karl XII:s Turkiska Politik 1709-1713″, Lund 1953, pag. 106 noot 35.
9. S. Agrell, “Dagbok”, KKD deel 5, Lund 1909, pag. 206. De uitgever van dit dagboek tekent hierbij aan dat deze suggestie onjuist is, omdat Hannover niet in een openlijk conflict met Zweden stond.