1.5. Terugtrekking van het continent

Op 20 juli 1709 vertrekt Johan August Meijerfeldt uit het Russische kamp. In zijn gezelschap bevindt zich kapitein Bennet, die gelijktijdig met hem naar het Russische kamp was gestuurd, maar met een minder gevoelige opdracht.

Zij volgen de vluchtroute van koning Karel XII. Na Perevolotjna passeren zij Otjakov de Turkse grens. Door de linkeroever van de Dnjestr te nemen verspelen zij nog twee dagen. Op 3 augustus komen zij aan in Bender, het toevluchtsoord voor de Zweedse koning. Deze stad (door de Russen Bendery en door de bcvolking Tigene genoemd) ligt 100 kilometer landinwaarts vanaf Odessa aan de Dnjestr in een gebied, dat wordt beheerst door de Groot-Vizier van het Ottomaanse Rijk.

Johan August is de eerste, die de koning officieel kan berichten over de capitulatie van het Zweedse leger. Tot dan leeft deze nog in de veronderstelling dat Lewenhaupt zich in Bender zal hergroeperen. Johan August overhandigt hem een brief van Piper, waarin de vredesvoorwaarden van tsaar Peter de Grote worden vermeld. Karel XII wenst daar niet op in te gaan en besluit alle middelen aan te wenden om de Zweedse macht te herstellen