2.3.3. Nieuwe gezinnen

Na het overlijden van de stamvader van de Nederlandse familie Von Meijenfeldt ontwikkelt de tweede generatie zich in allerlei richtingen. Bij vier van de vijf is sprake van een verloving en/of huwelijk.

De oudste dochter Wilhelmina Augusta was in 1827 al gehuwd met Arendt van Paddenburg in Amsterdam. Uit dat huwelijk ontspruiten vijf kinderen: Johannes Nicolaas (1830), Johanna Susanne (1830), Arend Casper (1832), Wilhelmina Augusta (1835) en Willem Gerrit (1839). Het gezin verhuist in 1831 van de Elandsgracht naar de Geertruijsteeg in Amsterdam.

De oudste zoon Jan wordt na zijn militaire loopbaan timmermansleerling en daarna timmerman in Rotterdam. Van hem is een Sinterklaasgedicht bewaard gebleven. (1)

Aan mijn lieve vrouw Keetje Kreber !!!
Ik had al een sterk verlangen,
Om een brief van U te ontvangen.
Per ongeluk ontving ik nu
Eenig letterschrift van U.
Maar ik dacht: dat is gelogen,
Nu ben ik eens regt bedrogen:
Is dit schrijven van mijn Kee!
Dat valt me in’t geheel niet mee.
Want ik zeg U lieve deren,
Gij moet beter spellen leeren;
Zulk een man van taal als ik!
Is met knoeijen niet in schik.
Daarbij komt nog, mij te kwellen;
Door een schelmdicht op te stellen,
Ook mijn naam verkeerd te schrijven;
Waart Gij hier! ‘k zou met U kijven!!

Op deze wijze gaat het gedicht nog vele coupletten door. Hoewel moeilijk leesbaar, lijkt Jan onderaan het gedicht te schrijven dat zijn doopnaam niet “Goehan” is.

Uit de aanhef van dit gedicht kan worden geconcludeerd dat Jan verloofd of getrouwd moet zijn geweest met deze Keetje Kreber. Daarvan blijkt niets uit de archieven. Volgens familietraditie en -correspondentie is er wel sprake van een oom Pieter Kreber. (2) Deze was in 1852 getrouwd met Cornelia Henderica Diederich, de schoonzus van Carl von Meijenfeldt. Pieter had zelf wel een jongere zus Geetruida Carolina Kreber (* Rotterdam 28-10-1833), die wellicht aan de Groenendaal langskwam en verloofd raakte met – de veel oudere Jan – voordat zij in 1860 trouwde met Anthonie Jacobus Ernst.

De jongste zoon Frederik is in 1838 opgeklommen tot vierde stuurman en vertrekt op Zijne Majesteits Brik van Oorlog de “Panter” van Hellevoetsluis voor een grote tocht naar Oost-Indië. In 1841 wordt hij voor Batavia samen met zijn stuurmansleerling Strijp van boord gehaald en naar het Militair Hospitaal vervoerd. Daar overlijdt hij drie dagen later, 23 jaar oud. (3)

De derde zoon Carl trouwt in 1845 met Petronella Wilhelmina Diederich. Zij was geboren in 1823 en gedoopt door de Hervormde dominee Van den Ham. Zij had bij dominee Fortmeijer in 1841 belijdenis gedaan. Carl had datzelfde in 1834 gedaan. Of deze dominee het contact gelegd heeft is niet bekend, maar hij zegent het bruidspaar wel in. De familie Diederich is uit Holzburg in Hessen afkomstig. De schoonvader van Carl heeft een tabakszaak en woont aan de Groenendaal, wijk M, nummer 389. Daar woont hij met zijn dochter en tweede vrouw Maria Elisabet Governeur. Carl trekt met zijn moeder, broer Jan en zus Nellie in dat huis.

De tweede zoon Hendrik had zijn loopbaan bij de marine beëindigd, was in 1838 een opleiding tot rijksambtenaar begonnen en rondt dit in 1845 succesvol af. Hij wordt benoemd tot tijdelijk commies bij de Afdeling Directe Belastingen, In- en Uitgaande Regten en Accijnsen van het Departement van Financiën. Een maand later wordt zijn standplaats bepaald op Overschie. Hendrik trouwt die zomer met Naatje Kennedij. Zij is een 22-jarige geboren en getogen Amsterdamse, die haar ouders inmiddels verloren heeft. Haar oudere broer Willem Fredrik Kennedij is haar voogd en geeft toestemming voor het huwelijk. Tot de getuigen behoort Johan Adolf Engels, zwager van de bruid. (4)

In 1846 wordt aan moeder Catharina Margaretha von Meijenfeldt-Pieploo een verklaring van armoede verleend, want zij verkeert

“in behoeftige omstandigheden en is niet in staat om eenige Proces- of Justitiekosten, zegel- of registratieregten of boeten te kunnen betalen”. (5)

Hendrik krijgt in 1846 een zoon Hendrik Jacobus August, die in de Grote Kerk van Rotterdam door dominee Prins wordt gedoopt. Hendrik bemachtigt bovendien een vaste aanstelling als Commies der Vierde Klasse. Hij wordt het jaar daarop overgeplaatst naar Hellevoetsluis, maar zeven maanden later al naar Rotterdam.

Carl krijgt twee dochters: Engelina Catharina Elisabeth in 1846 en Petronella Wilhelmina in 1847. In verband met ruimtegebrek verhuizen zijn moeder, broer Jan en zus Nellie dat jaar verderop in de straat naar Groenendaal 883. In de maand augustus 1848 slaat het onheil toe in het gezin van Carl. Beide dochters komen te overlijden. Bij Hendrik gebeurt hetzelfde. Hij krijgt in 1849 een tweede zoon Johan August, die wordt gedoopt in de Grote Kerk van Rotterdam door dominee Bouwman, maar een maand later overlijdt. In 1850 overlijdt ook zijn eerste zoon.

Carl krijgt in 1849 een zoon Evert die door de Rotterdamse dominee Hollinghousen (1792-1855) wordt gedoopt. De familienaam van de moeder leeft voort in de tweede doopnaam Diederich. Dit is meestal gebruik als een familienaam op uitsterven staat, maar in dit geval komt het omdat de naam wordt vernederlandst naar Dieterich, Diederik en Dietrik. Daardoor kan er geen toepassing worden gegeven aan de dan geldende regeling om een dergelijke achternaam vóór de eigen familienaam te gaan voeren, op grond waarvan de gehele familie de naam Diederich von Meijenfeldt zou hebben gehad.

Wilhelmina Augusta verhuist in 1850 naar de (Kleine) Nieuwe Nieuwstraat 38. Zij blijft Hersteld Luthers, terwijl haar man en kinderen Nederlands Hervormd zijn. Arendt is knecht. Haar oudste zoon Augustus Johannes is barbier en overlijdt 3 februari 1853. Het gezin verhuist regelmatig in Amsterdam: in 1853 naar de Kleine Anjelierstraat 25, in 1854 naar de Pijlsteeg 117 en in 1858 weer.

Hendrik wordt in 1850 overgeplaatst naar Schiedam en slaagt voor zijn examen Commies Roeijen der Derde Klasse, in welke rang hij ook bevorderd wordt. In het jaar 1851 krijgt hij een dochter Anna Catharina Henriëtte. Zij wordt een maand later door dominee Roldanus in Schiedam gedoopt. Hendrik krijgt een zoon in 1854 en geeft hem opnieuw de namen Hendrik Jacobus August. Omdat hij in Delft is gestationeerd, wordt het kind daar door dominee Broens gedoopt. Het jaar daarop verliest hij voor de derde keer een zoon. Alleen zijn dochter is nog in leven.

Carl wordt in 1850 overgeplaatst naar ’s Rijks Werf in Amsterdam. Hij gaat daar als Scheepstimmerman der Eerste Klasse dienst doen. Het gezin begint in een kelderwoning aan de Kleine Kattenburgerstraat 695. In 1851 wordt een zoon Carl Frederik geboren. Een jaar vindt een verhuizing plaats naar een verdieping op de Nieuwendammergrachtje 822 om het groeiend aantal kinderen te herbergen. Nog datzelfde jaar verhuist het gezin opnieuw, naar de Kattenburgerstraat 665 (nu 145). In 1853 volgt een zoon Frederik Hendrik. In 1854 wordt Carl benoemd tot schilder en schrijver bij de Tweede Meesterknecht A. van der Sluis. In 1856 wordt een dochter Catharina Margaretha (Cato) geboren en in 1857 een zoon Johan August. Carl wordt gepromoveerd tot Aannemer in de Houthaven

In 1858 overlijdt moeder Catharina Margaretha von Meijenfeldt-Pieploo te Rotterdam. Jan gaat met zijn zuster Nellie in de Hoogstraat wonen. Daar huurt hij een woning van de weduwe Canta voor 1,50 gulden per week. Hendrik wordt om niet te achterhalen redenen teruggeplaatst tot Commies der Vierde Klasse, hetgeen de nodige financiële consequenties heeft.

 

  1. Origineel in Familiearchief [DF/N.2/41].
  2. * Rotterdam 04-09-1828, † Utrecht 30-11-1902, opzichter te Haarlem, in 1874 getuige bij het huwelijk van Carls dochter Cato [CG/38].
  3. Algemeen Rijksarchief ’s-Gravenhage (2.12.03), inventarisnummer 3564, Journaal van de Panter, 10 en 15 maart 1841
  4. Gemeentearchief Amsterdam, Trouwregisters 1845 (DTB 3/133).
  5. W.J.L. Poelmans, De Nederlandse Leeuw 1933, pag. 454.