2.2.2. Naar Saint-Domigue

Johan August von Meijenfeldt strijkt in 1800 in Amsterdam neer. Zoals zoveel Duitse immigranten vestigt hij zich in de Jordaan, aan de Bloemstraat, tussen de Eerste en Tweede Bloemdwarsstraat. Daar ontmoet hij de 26-jarige Maria de Ruijt, die iets verderop in de Bloemstraat (tussen de Derde Bloemdwars- of Akoleienstraat en de Lijnbaansgracht) woont. Zij is in Amsterdam op 23 januari 1774 geboren als dochter van Matthijs de Ruijt (1735-1815) en Rosina Swart (1738-1815). Mogelijk had Willem Schultze, de weduwnaar van haar vroeg overleden zus Johanna Elisabeth (1764-1795), haar in contact gebracht met Johan August.

Tussen de twee heeft minimaal een relatie van een klein jaar bestaan, omdat Maria de Ruijt op 13 juli 1801 een dochter baart, die Johan August twee dagen later als zijn eigen kind met de namen Wilhelmina Augusta pro deo laat dopen door dominee Isaäc Scholten bij de Hersteld Evangelisch-Lutherse Gemeente van Amsterdam. De getuige heet “Wilhelmina van Meijerfeldt”.

Enkele dagen eerder had Johan August zich laten inschrijven als lidmaat van deze pas 10 jaar oude orthodoxe afscheiding van de Lutherse Gemeente in Amsterdam. Van de Amsterdammers was destijds een zesde deel Luthers, en daarvan een kwart Hersteld, zo’n 8.000 lidmaten. De Herstelden stoorden zich aan de liberale en patriottische koers; de benoeming van de dominees Fortmeijer en daarna Ebersbach gaven de doorslag. Met de benoeming van onder andere dominee Isaäc Scholten betrokken de Herstelden met gemeentelijke toestemming een eigen pand aan de Kloveniersburgwal. Een nieuwe lidmaat moest naar inkomen betalen, doch tenminste 50 gulden.

Johan August wordt op 16 mei 1800 uit dienst van de Amsterdamse Admiraliteit ontslagen. Dat wordt niet veroorzaakt door zijn onvoldoende prestaties, maar door het gebruik alleen officieren in vaste dienst bij de marine te houden. Onderofficieren (verbonden aan de Admiraliteiten resp. Departementen) en matrozen (verbonden aan de kapitein) krijgen een contract per reis. Naast hun soldij delen zij mee in de opbrengsten van buitgemaakte schepen, in dit geval nihil.

Op 11 augustus 1801 wordt Johan August weer op een marineschip aangenomen. Het gaat om ’s Lands Schip “Chattam”, een nieuw eerste klas schip (90 kanonnen). Hij profiteert van de zorgen van de Bataafse regering om voldoende gekwalificeerd personeel aan boord te krijgen. Op 23 augustus komt hij net als andere onderofficieren in dienst van het Vaste Corps ter Zee van de Bataafse Republiek. Bovendien wordt hij formeel gepromoveerd in de rang van “Constapel Majoor”. (1)

Johan August doet op de Chattam geen dienst, want krijgt al op 11 november de opdracht om Hartsinck naar de “Brutus” te volgen. Dit tweedeksschip is 15 jaar oud, heeft vóór 1795 “Willem de Eerste” geheten en is een schip voor commandanten. Op dit schip heeft schout-bij-nacht Bloys van Treslong in de Slag bij Kamperduin in 1797 niet alleen zijn rechterarm verloren, maar ook de schuld van het verpletterende verlies gekregen. Aan boord zijn 74 kanonnen (28 stuks 26-ponders benedendeks, 28 stuks 24-ponders bovendeks en 16 stuks 12-ponders op achterdek en voorplecht).

Brutus

’s Lands Schip “Brutus”

Johan August begeeft zich naar de rede van Vlissingen, waar hij met 450 man aan boord van het oorlogsschip gaat. Daar hoort hij dat hij alles in gereedheid moet brengen voor een tweede lange reis naar de West. Hij is niet alleen in vaste dienst gekomen, maar hoort ook nog eens van een op 26 september aangenomen resolutie inzake het uitbetalen van soldij van het in Bergen gestrande konvooi; hij begeeft zich op 4 december naar de betaalmeester om de niet geringe som van 713 gulden in ontvangst te nemen. (2)

Enkele dagen later wordt meer over de reis geopenbaard. Hartsinck zal als buitengewoon vice-admiraal een eskader leiden, naast de Brutus bestaande uit de Neptunus, de Joan de Witt, de Ajax en het Franse schip Poursuivante. Het eskader zal koersen naar het Caribische eiland Saint-Domingue, beter bekend als Hispaniola (thans bestaande uit Haïti in het westen en de Dominicaanse Republiek in het oosten). Aan boord van de schepen zal een troepenmacht worden meegenomen, die moet deelnemen aan de door Napoleon uitgeruste invasievloot, de grootste uit de wereldgeschiedenis tot dan toe. In Saint-Domingue heeft de dan al legendarische zwarte generaal Toussaint Louverture op 7 juli de onafhankelijkheid uitgeroepen. Doel is hem te verdrijven en zijn volk weer aan slavernij te onderwerpen. (3)

louverture

Generaal Toussaint Louverture

Al op 10 december schepen de eerste troepen zich in en tegen het einde van het jaar bevinden zich alleen al op de Brutus 417 voornamelijk Duitse en Vlaamse militairen (inclusief 24 officieren en 13 huisgasten, maar exclusief vrouwen). Op 4 januari 1802 wordt het anker gelicht. Johan August beantwoordt de 15 saluutschoten vanaf de kade van Vlissingen. Eenmaal op zee in een dichte mist en afwisselend sneeuw en regen vallen enkele matrozen van boord en verdrinken. Vanwege opgelopen schade moet het eskader al na 8 dagen voor anker gaan in de Franse marinehaven Brest, waardoor er extra materiaal kan worden ingeslagen. Pas een maand later is het roer van de Brutus hersteld en zeilt het eskader uit, de Atlantische Oceaan op. De tocht gaat langs de kust van Frankrijk, Spanje, Portugal en Noord-Afrika tot Saint Croix (Santa Cruz de la Palma) op de Canarische Eilanden, waar wederom proviand wordt ingeslagen.

Op 28 februari wordt de oversteek ingezet, ongeveer langs de Kreeftskeerkring. Aan boord komen veelvuldig vechtpartijen voor onder de soldaten en Hartsinck treedt daar streng tegen op. Een hevige storm veroorzaakt de nodige averij. Een maand later ontmoet het eskader bij het naderen van de Caribische Zee een Frans marineschip, waarvan het bericht komt dat de grote invasievloot een maand daarvoor bij het eiland arriveerde. Toussaint zou hebben geweigerd zich over te geven, waarop een massale slachting onder de bevolking was aangericht en de leider ternauwernood naar Cuba had kunnen ontsnappen. De laatste mededeling was onjuist: hij had zich met zijn troepen in de binnenlanden teruggetrokken. Op 3 april gaat het eskader voor anker in de hoofdstad van het westelijke eilanddeel, Cap François (Cap Haïti). Een dag later marcheren de Franse troepen van boord, de door Toussaint in as gelegde stad in om de door de gele koorts gedecimeerde Franse troepen te versterken. Na een aanvankelijk succesvol verlopen operatie en de gevangenneming van Toussaint, zal de Franse invasie uiteindelijk op een mislukking uitdraaien.

Johan August zet op 17 april 1802 met zijn eskader via de Bahama’s koers naar de Amerikaanse oostkust, met berichten voor president Jefferson van de onafhankelijk geworden Verenigde Staten. Door allerlei materiaalpech kan het eskader niet naar Rhode Island varen, maar gaat het op 9 mei al voor anker in de haven van Hampton op het schiereiland van Virginia. Hartsinck gaat begin juni over land naar Washington en krijgt zijn ontvangst van de president. De thuisreis eindigt via de Azoren en vanwege de tegenwind met tussenstop in Falmouth (Engeland is niet meer vijandig vanwege het recente vredesverdrag van Amiens) op Texel. Johan August pleegt op 8 en 9 september de nodige bestellingen bij Het Nieuwe Werk, maakt onder en boven geheel schoon schip en gaat 11 september van boord.

 

 

(1) Nationaal Archief, Stamboeken Marine 1795-1813 A (toegangsnummer 2.01.31), Mutatiën 1798-1807 (inventarisnummer 14), J.A. van Meijenfeldt (folio 88).

(2) Nationaal Archief, Stamboeken Marine 1795-1813, Aanhangsels II (toegangsnummer 2.01.29.03), Journaals van kapitein/vice-admiraal Hartsinck, eerste schrijver Van der Toght en opperstuurman Fehr (inventarisnummers 93, 94 en 106). Bij het tweede journaal is een Register der gepasseerde procuratiën gevoegd d.d. 4 december 1801, “den Constapel Major Johan August Meyenfeldt op den Soll: Milit: Jacobus Pik tot ’t ontfangen der te goed hebbende gelden van ’s Lands Schip ’t Vertrouwen” [DN/RB/3].

(3) Martin Ros, “Vuurnacht; Toussaint Louverture en de slavenopstand op Haïti”, Amsterdam 1991.