1.3.1. De verdediging van Posen

image

Karel XII neemt in 1704 twee belangrijke besluiten. Het eerste is generaal Lewenhaupt de leiding te geven over de Zweedse troepen in het Baltische gebied, teneinde weerstand te bieden aan de steeds meer opdringende Moskovieten. Het tweede besluit is de verplaatsing van de Zweedse hoofdmacht naar het zuiden, om de daar residerende Poolse edelen tot afzwering van Augustus te bewegen en zodoende een einde te maken aan het krachten verspillende kat-en-muis-spel met het Saksische leger. Als alternatief voor de Poolse troon is er de Poolse edelman Stanislaus Leszczinski, die met een slecht getraind leger aan Zweedse zijde vecht.

Carl Fredrik Meijerfeldt komt onder het commando van Lewenhaupt te vallen. Hij neemt onder andere deel aan de belangrijke Slag bij Birsen op 27 juni 1704. (1) In de Slag bij Jacobstadt een maand later speelt hij als overste van zijn bataljon infanterie van 300 man een vooraanstaande rol. Hij vertrekt uit Sehlburg, wordt ingedeeld op de linkerflank en als gevolg daarvan geeft hij leiding aan de avantgarde. Hij ploegt door onophoudelijke bosschages en heuvels totdat hij op 10 kilometer voor de stad een heuvel betrekt met prachtig uitzicht over het de stellingen van de vijand. Besloten wordt dat de rechterflank nu beter de voorhoede kan overnemen. In de slag neemt de linkerflank echter een groot aandeel in de overwinning. (2)

Carl Fredrik huwt vermoedelijk dat jaar met gravin Anna Christina Hastfer. Zij is in 1681 geboren als dochter van de beroemde Zweedse kanselier en veldmaarschalk graaf Jakob Johan Hastfer (1647-1695) en barones Sigrid Gyllenstierna (1639-1700). (3) Zij krijgen een zoon Jakob Johan Meijerfeldt, die als kind in 1710 zal overlijden en in de kerk van Festen in Lijfland wordt begraven. Lewen­haupt staat toe dat Anna Christina naar Carl Frederik reist in Litouwen, met het doel enkele brieven op te halen over een twist tussen generaal Stackelberg en generaal Johan August. (4)

Johan August bevindt zich vanaf dat moment ook niet meer bij de Zweedse hoofdmacht. Hij moet met drie regimenten dragonders en cavalerie (circa 2.250 man) de geallieerde Poolse edelen in Groot-Polen beschermen en Saksische invallen over Silezië verhinderen. Karel XII is nog maar net vertrokken, of een groot Saksisch leger onder generaal Schulenburg trekt de Silezische grens over. Johan August staat met zijn kleine leger nog in Neumark en kan daar gezien het enorme troepenverschil maar beter blijven.

Onverschrokken breekt hij echter op 24 juni op naar Posen (Poznan). Van de koning moet hij de geallieerde edelen ook nog eens vrij stellen van contributies, zodat hij gedwongen is zuinig te zijn met levensmiddelen. Hij ziet zich zelfs gedwongen bij de bevolking te bedelen, die evenwel niets vrijwillig weggeeft. (5) Meijerfeldt marcheert langs Wotslaw, Meve, Neuburg, Graudentz, Schwetz, Culm, Strelitz, Thorn, Radziwo, Irbiza, Kletzowa, Slupsie en Wrensna. Op 21 juli bereikt zijn leger uitgehongerd Posen om het daarin gelegerde garnizoen te versterken.

Generaal Schulenburg is Posen inmiddels van de andere zijde genaderd. Hij maakt dan de kapitale fout niet de stad te bestormen, maar er met een elitekorps van 3500 man om heen te trekken om het even buiten de stad gelegen kamp van generaal Meijerfeldt aan te vallen. Als redenen van Schulenburg’s besluit worden genoemd, dat hij geen artillerie voor een beschieting van de stad bij zich heeft en dat hij hoort dat Stanislaus’ leger in aantocht is. Hij maakt haast met de uitvoering van zijn besluit: op 18 augustus trekt hij de Warthe (Warta) over – de infanterie springt achterop bij de paarden van de cavalerie – ploegt die nacht door een dicht bos en ziet de Zweden vroeg in de morgen aan de overzijde van een grote vlakte in slagorde klaarliggen. Deze hebben namelijk al via een overloper van Schulenburg’s manoeuvre vernomen en 500 man en 2 kanonnen uit Posen laten aanrukken.

Veldslagen worden in die tijd volgens algemeen aanvaarde regels geleverd, alsof het een soort sportief evenement voor de adellijke officieren is. Beide partijen zoeken de strijd op een grote vlakte zonder te veel hindernissen, nemen vervolgens uren de tijd om de slagorde op te stellen, gaan daarna over tot een langdurige artilleriebeschieting en laten tenslotte de infanterie in strak gelid opmarcheren; de cavalerie speelt hierbij een aanvullende rol. De Zweedse aanvalskracht door infanterie en cavalerie is in die tijd de meest gevreesde, gevreesder nog dan die van de Britse veldheer Marlborough. Het recept is een mix van rigoureuze training, ijzeren discipline en toewijding, uitstekende verbindingen op het slagveld (via tambours en boodschappers) en een strategie om altijd het initiatief te houden (elke aanval wordt met een charge beantwoord). Bovendien verkiezen de Zweden de blanke wapenen boven de vuurkracht.
Een Zweedse infanterieopmars is een angstaanjagend schouwspel. Onder ritmisch tromgeroffel lopen brede rijen infanteristen zonder een schot te lossen gestaag op de schietende vijand af. Op korte afstand houden de colonnes halt en vormen een vier rijen diepe blauw-gele muur, waaruit iedere soldaat een enkel schot lost. Direct daarop storten zij zich met bajonet en zwaard op de wankelende vijandelijke linies. Pas op een beslissend moment, om een doorbraak te forceren of een hergroepering bij de vijand te voorkomen, wordt de zware cavalerie ingezet.

De later bekend geworden Slag bij Posen wordt meer dan normaal beheerst door de cavalerie. De Saksen slagen er al snel in de Zweedse infanterie op de rechterflank te overvleugelen. Meijerfeldt onderneemt met zijn dragonders en de cavalerie een tegenaanval met sulken dapperheit, dat veele Saxen sneuvelden, en derselver Cavallerye eyndelyk over hoop raakte. (6)

Zijn kansen keren als hij in de enorme rook- en stofwolken contact met zijn infanterie kwijtraakt en plotseling tegenover een bajonettenmuur van twee bataljons Saksische infanterie staat. Als hij had geweten waar zijn infanterie en zijn linkerflank waren was hij ongetwijfeld niet teruggeschrokken, maar nu organiseert hij de terugtrekking tot onder de bescherming van de kanonnen in Posen. Voldaan trekt Schulenburg naar Meijerfeldt’s kamp, treft daar niets van waarde aan en steekt de boel in brand. Had hij echter contact gehad met zijn rechtervleugel, dan had ook hij wel anders gehandeld. Taube had namelijk met zijn Zweedse dragonders en cavalerie de Saksen 5 kilometer teruggedrongen, zelfs tot in het dichte bos en verenigt zich op dat moment met de overige troepen rond Posen en samen front maken tegen de Saksen, die dan echter geen aandrang meer durven te maken. (7)

Schulenburg zelf is na afloop van het gevecht vol lof over de Zweedse cavalerie. (8) Karel XII zegt hierover aan generaal Rehnskiöld: Der H. General wird wohl wissen, daβ er eine action mit der Sachsen in Groβ Polen gehabt und sie überwunden hat, obgleich sie viel stärker waren als er. Dabei hat er jedoch leider seine Bagage verloren, was ihn gewiβ etwas incommodiren wird. (9)

De Zweden zien deze slag als een persoonlijk succes voor generaal Meijerfeldt; hij vestigt er zijn naam mee in de Zweedse geschiedenisboeken. De overwinning wordt echter door beide partijen opgeëist; zelfs heden ten dage geven de Zweedse respectievelijk Duitse geschiedenisboeken nog verschillende lezingen over de gang van dit gevecht. (10)

De feitelijke uitkomst is dat Schulenburg twee maal zoveel doden, gewonden en gevangen te betreuren heeft dan Meijerfeldt: 600 tegen 300. Meijerfeldt kampt echter met voedselgebrek en heeft een aanval van de Saksische hoofdmacht dan wel een langdurig beleg van Posen te duchten. Geen van tweeën geschiedt, want beide partijen trekken weg: Meijerfeldt krijgt opdracht om zich met Stanislaus te verenigen en Schulenburg moet kort daarop naar Warschau opbreken.

Meijerfeldt laat zijn gewonden in Posen achter en trekt oostwaarts naar Gnesen (Gniezno). Na één dag komt Meijerfeldt in Podrisitzka aan, vanwaar een ritmeester met 100 paarden wordt teruggestuurd om de rest van zijn bagage te halen. Dit lukt; het is niet duidelijk wanneer Meijerfeldt dan wel zijn bagage verliest. Een paar dagen later breekt hij rond middernacht op en arriveert die avond in Mielzin. De volgende dag trekt hij naar Slupsie, waar Smigelski vergeefs zijn wachtposten aanvalt. Die nacht marcheren de troepen door een dicht woud, waar zij enige wagens moeten achterlaten en komen uiteindelijk in Klitschow aan.

Na enige dagen rust trekt Meijerfeldt naar Kunitza, waar hij heel laat aankomt en overste Mirzewski met 1000 man ontmoet om een brief te ontvangen van Stanislaus en Arvid Horn, die hem (via Kolo en Lanczitz) naar Lowicz dirigeert. Hij marcheert door de stad en houdt aan de andere zijde halt, opdat de Primaat van Warschau, de vrouw van Stanis­laus en diens schoonmoeder zich vanuit de burcht bij hem kunnen voegen. Zij trekken naar het dorp Tokaring aan de Weichsel, de volgende dag naar Wladislau en vervolgens naar Thorn. Buiten de stad, bij het dorp Mockern, voegt hij zich bij Stanislaus. Het Zweedse garnizoen in Warschau onder graaf Arvid Horn moet zich intussen aan Augustus overgeven.

Vervolgens richt de Saksische aandacht zich weer op de stad Posen en de regimenten van Meijerfeldt. Generaal Brandt en de Lijflandse overloper Patkul, die aan het hoofd staat van een Moskovische afdeling, worden naar de stad gezonden. Zij moeten een Poolse groep edelen onder Radomiki bijstaan in een aanval op Posen. Ko­ning Augustus spant intussen een net rond de Zweedse regimenten.

Johan August reageert bliksemsnel op deze hachelijke ontwikkelingen. Hij vermomt zijn voorhoede met rode mantels als Saksen, mar­cheert zo snel mogelijk en in de nachtelijke uren naar Posen en neemt onderweg zoveel mogelijk loyale Polen mee. Op 6 september om 2 uur gaat hij op weg met zijn 3 regimenten, één onder hemzelf, de anderen onder Taube en (een andere) Horn. Zijn gewonden gaan naar Elbing. In Zeita rust hij de middag en avond uit en op 8 september staat hij voor Posen. Zodoende ontsnapt hij uit de omsingeling en bereikt Posen binnen recordtijd.

Pas na het zenden van een vertrouwensofficier gelooft de verbijsterde Zweedse commandant dat Johan August opnieuw is gearriveerd en laat de poorten voor hem openen. (11) Verbaasd ziet de bevolking het legertje dwars door de stad marcheren en via een andere poort weer vertrekken. Op 9 september worden Radomiki en zijn Polen uit hun slaap gehaald door de meedogenloze Zweden. Slechts enkelen weten op een ongezadeld paard te ontsnappen; honderden anderen wor­den gedood of gevangen genomen. Er is een rijke buit aan paarden, 12 keteltrommen en 3 vaandels. Niets doet de Zweedse generaal echter meer plezier dan het in handen krijgen van de bontchave, de met pluimen versierde commandostaf van Radomiki. Vergeefs biedt de laatste hem daarvoor 2000 dukaten losgeld. (12) Na de succesvolle overrompeling van Radomiki blijft Meijerfeldt een paar dagen op het landgoed van diens broer uitrusten.

Johan August richt nu zijn aandacht op het in aantocht zijnde leger onder generaal Brandt. Op 13 september trekt hij – weer ’s nachts – naar een voorstad van Posen aan de Warthe. Zijn cavalerie is juist op fouragetocht, als Brandt op 19 september aan de overzijde van de rivier arriveert. Patkul hoort van het toeval en steekt met een grote groep Polen en Moskovieten de rivier over. Met slechts 350 man stormt Johan August op hen af. Bij de uitval is het vooral Trautvetter die met 70 man door de vurende linies stormt. Deze overste zou nog lang aan zijn zijde vechten en later ook in Pommeren in zijn gouvernement bestuurder worden. Zij zaaien zoveel paniek, dat de vijand naar de rivier terug vlucht. Velen die de doorwaadbare plaats niet kunnen terugvinden sterven door verdrinking of het Zweedse staal. Aan de overkant van de rivier moet Brandt dit alles machteloos toezien. Op het moment dat hij eenmaal aanvalsgereed is, willen zelfs de Saksen de strijd niet meer aanbinden, omdat de Zweedse cavalerie is teruggekeerd.

Er rest Brandt niets anders dan een belegering en bombardement van Posen. Op 14 oktober arriveert een grote Russische troepenmacht en zwaar geschut. De plaatselijke bevolking en ook Joden zijn bereid tegen financiële vergoeding (om voedsel in te slaan) aan de verdediging mee te doen, bijvoorbeeld brandbommen blussen. Alle Zweedse posten krijgen een schriftelijke instructie, onder andere om de huizen voor de stadswallen af te breken of branden. Majoor Dudenburg ziet kans om met 10 ruiters naar de Zweedse hoofdmacht weg te komen om informatie te verstrekken.

De volgende dag begint een onophoudelijk bombardement. Bressen in de muur kunnen steeds gedicht worden. De verdediging van Posen levert wel wat interne spanning op, omdat Mardefeldt de commandant van het garnizoen is en Meijerfeldt commandant van de veel talrijker troepen. Een voorbeeld is de vraag of de grote uitvalsbrug verbrand moet worden op het moment dat Patkul begint aan te dringen. Mardefeldt stelt het voor en pas nadat alle overige kolonels instemmen gaat Meijerfeldt akkoord. Op 27 oktober schrijft Patkul een ernstige dreigbrief tot overgave, maar de tamboer wordt zonder antwoord lachend teruggestuurd.

De beschieting neemt toe en de bressen in de muren worden groter. Echte brand breekt niet uit, omdat de torens met zand en mest gevuld zijn. Op 30 oktober brengt de vijand alle troepen in gereedheid voor een bestorming, die door de enorme overmacht waarschijnlijk wel succesvol geweest zou zijn. Maar met de bestorming wordt gewacht en op 3 november volgt de plotselinge aftocht naar het front tegen de Zweedse hoofdmacht in Silezië. Dat is een slechte timing, omdat die juist besluit in winterkwartier te gaan. In alle gevechten rond Po­sen heeft Meijerfeldt ‘slechts’ 400 man verloren. (13)

1. Le Long III, pag. 254.
2. H.E. Uddgren, “Karolinen Adam Ludwig Lewenhaupt, Hans Krigsföring i Kurland och Litauen 1703-1708”, deel 1 (1703-1704).
3. A. von Transehe-Roseneck, “Die ritterlichen Livlandfährer des 13. Jahrhunderts”, Würzburg 1960, noemt ten onrechte als ouders Claus Wilhelm Hastfer (1626-1686) en Anna Löwenstern (1642-1723).
4. A.L. Lewenhaupt, “Adam Ludvig Lewenhaupts Berättelse”, HH 34:2, Stockholm 1952, pag. 152-153 en 171.
5. N. Herlitz, “Från Thorn till Altranstädt”, Stockholm 1916, deel I, pag. 233-234 en 270-271.
6. Le Long III, pag. 183.
7. Nordberg I, pag. 486-487. Von Rosen, pag. 269.
8. Herlitz I, pag. 270 noot 2.
9. Carlson (1894), pag. 267-268.
10. C. von Sarauw, “Die Feldzüge Karls XII.”, Leipzig 1881, pag. 162. O. Sjöström, “The Battle of Posen 9 August 1704”, www.northernwars.com.
11. Von Rosen, pag. 271.
12. Bengtsson, pag. 185-186. Le Long III, pag. 197. Herlitz I, pag. 274.
13. Nordberg I, pag. 497-498. Le Long III, pag. 197 e.v.