1.4.3. Opmars door Groot-Polen


Meijerfeldt’s opmars van Dantzig via Thorn naar Posen

Begin 1702 had de hoofdmacht van het Zweedse leger  Carl Fredrik Meijerfeldt achtergelaten om Lijfland te beschermen, begin 1704 is het de beurt aan Johan August om achtergelaten te worden. Hij krijgt opdracht de geallieerde edelen in Groot-Polen te beschermen en Saksische invallen over Silezië te verhinderen. Hij beschikt over drie regimenten: zijn eigen dragonders, die van Taube en de cavalerie van Gustaf Horn, totaal circa 2.250 man. Omdat hij voornamelijk Duitse soldaten heeft staat hij in februari langs de Weichsel  in Dirschau, net ten zuiden van de vrije havenstad Dantzig.

De Zweedse koning Karel XII is nog maar net met de hoofdmacht naar Lemberg in het zuiden van Polen vertrokken, of een groot Saksisch leger onder generaal-luitenant Schulenburg trekt de Silezische grens over.  Gezien het enorme troepenverschil kan Johan August daar maar beter blijven, zij het dat een getalsmatig overwicht de Zweden van die tijd niet snel imponeert.

Schulenburg besluit zijn steven naar de slecht verdedigde stad Posen (Poznan) te wenden. Daar zijn de Zweedse gouverneur Lilliehöök en een klein garnizoen onder Mardefelt. Zij alarmeren de koning, die Johan August opdracht geeft naar de stad op te rukken. Tot hun opluchting ontvangen Lilliehöök en Mardefelt op 7 juni 1704 een brief dat hij op weg gaat en dat hij vraagt alvast broden voor zijn troepen apart te houden. Onderweg houdt Meijerfeldt hen met brieven van zijn opmars op de hoogte.

Voor zijn duizend paarden had Johan August al maanden voer van de stad Dantzig geëist. Nu vordert hij 200 wagens, elk met vier paarden bespannen om proviand, geweren en munitie te kunnen transporteren. Enerzijds wil het stadsbestuur dit de landerijen niet aandoen,  anderzijds wil het de woede van Karel XII niet wekken met het blokkeren van de afmars. De wagens en paarden worden geleverd. (1) De proviand is nodig, omdat de geallieerde Poolse edelen van Karel XII moeten worden vrijgesteld  van contributies. Johan August ziet zich onderweg gedwongen bij de bevolking om voedsel te bedelen, die evenwel niets vrijwillig weggeeft. (2) 

Op 14 juni breekt Johan August op. Hij moet eerst langs de Weichel 170 kilometer zuidwaarts naar Thorn (Toruń) en daarna een zelfde afstand oostwaarts naar Posen. Zijn snelheid wordt bepaald door de 200 wagens; de cavaleristen en  dragonders reizen te paard. Langs Wotslaw slaat hij zijn eerste kamp op in Tirschau, de volgende dag in Meve en op 17 juni bij Neuburg. De volgende dag passeren de troepen Graudentz naar Westfalia, waar  twee dagen halt wordt gehouden. De 21ste gaat Johan August onder de muren van het stadje Schwetz door en slaan het kamp iets verderop tegenover Culm op. Het volgende kwartier is Krotschen en daarna gaat de opmars naar Strelitz, waar de troepen de volgende dag uitrusten. (3)

Op 24 juni gaat het legertje lang voort tot na middernacht en legt 33 kilometer af. Het bereikt een brug zes mijl voor Thorn. Daar blijft Meijerfeldt een dag en krijgt enig proviand uit de stad los. Op 27 juni breekt hij op. De plaatsjes Putgursche en Gnieskow worden aangedaan, totdat Ostrow wordt bereikt. De volgende dag gaan 60 cavaleristen contributie heffen onder niet-geallieerde Polen. Daarna gaat het langs Barkin en Muttelburschitz door naar Radziwo, waar aan de voet van de heuvel het kamp wordt opgeslagen. De tocht gaat op 30 juni gedurende 16,5 kilometer verder naar Zeminen. Meijerfeldt geeft kapitein Bennet de opdracht de volgende dag met 50 cavaleristen contributies op te vorderen.

Op 1 juli gaat de opmars naar Irbiza, om bij Swientoslaviz het kamp op te slaan en een dag uit te rusten. Horn komt achterop met zijn cavalerie en stelt zich op 3 juli onder het bevel van Meijerfeldt. Op 5 juli wordt weer opgebroken: Meijerfeldt’s dragonders voorop, de cavalerie in het midden en Taube’s dragonders achteraan. Deze volgorde wordt dagelijks gewisseld.

Het landschap verandert. Er moet gedurende bijna 30 kilometer door een zeer dicht woud worden geploegd.  De troepen komen niemand anders tegen dan een enkele kluizenaar. Dan passeren zij Kletzewo en Kosrutu, een dorp bij Slupsia, nog 44 kilometer van Posen verwijderd, waar zij kamperen. Op 9 juli gaan ze langs de stadsmuren naar Wrensna. In de avond ontvangt Meijerfeldt hier orders om zijn opmars te bespoedigen. Hij geeft opdracht de hele nacht door te gaan. De volgende dag tot middernacht beveelt hij opnieuw niet te rusten.  Met nog 5,5 kilometer te gaan wordt eindelijk een kamp opgeslagen.  

Vroeg in de morgen van 11 juli bereikt Meijerfeldt de waterpoort van Posen. Buiten de stadsmuren slaat hij zijn kamp op. Mardefelt ziet geen kans hem te bezoeken wegens  hoge koorts, maar ze overleggen toch wel over de mogelijkheden.

Koning Stanislaus schrijft in een brief dat hij in aantocht is met zijn leger en de edelen die zich onderweg bij hem aansluiten. Daarvan komt niet veel terecht, maar dat weten noch Meijerfeldt noch Schulenburg. Op 29 juli zendt Meijerfeldt een missie uit om de troepensterkte van de Saksen te verkennen, die Posen van de andere zijde tot op enkele tientallen kilometers genaderd zijn.

Schulenburg maakt dan de kapitale fout niet de stad te bestormen, maar er met een elitekorps van 3500 man om heen te rijden om het kamp van  Meijerfeldt aan te vallen. Als redenen van Schulenburg’s besluit worden genoemd, dat zijn artillerie voor een beschieting van de stad nog niet gearriveerd was en dat hij de komst van Stanislaus had vernomen. Hij maakt haast met de uitvoering van zijn besluit: op 18 augustus trekt hij de Warthe (Warta) over – de infanterie springt achterop bij de paarden van de cavalerie – ploegt die nacht door een dicht bos. Tot zijn verrassing ziet hij Meijerfeldt vroeg in de morgen aan de overzijde van een grote vlakte in slagorde klaarliggen. Dankzij een overloper heeft deze van Schulenburg’s manoeuvre vernomen en 500 man onder Weidenheim en 2 kanonnen extra uit Posen laten aanrukken.

Als het op het voeren van een veldslag aankomt worden in die tijd algemeen aanvaarde regels in Cht genomen, alsof het een soort sportief evenement voor de adellijke officieren is. Het verschil met een toernooi is niet zo groot, het uitzondering van het afwezige publiek en het enorme aantal slachtoffers.  Bij grote kwantitatieve en kwalitatieve verschillen vermijdt een bevelhebber de veldslag. Als beide kanten bereid zijn zoeken zij voor de strijd een grote vlakte zonder te veel hindernissen, kiezen een gunstige positie en nemen uren de tijd om zich in  slagorde op te stellen.

Na het aanvalssignaal wordt gestart met een langdurige artilleriebeschieting. De infanterie marcheert daarna in strak gelid op; de cavalerie speelt hierbij een aanvullende rol. De Zweedse aanvalskracht door infanterie en cavalerie is in die tijd de meest gevreesde, gevreesder nog dan die van de Britse veldheer Marlborough. Het recept is een mix van rigoureuze training, ijzeren discipline en toewijding, uitstekende verbindingen op het slagveld (via tambours en boodschappers) en een strategie om altijd het initiatief te houden (elke aanval wordt met een charge beantwoord). Bovendien verkiezen de Zweden in het strijdgewoel de blanke wapenen boven de vuurkracht.

Een Zweedse infanterieopmars is een angstaanjagend schouwspel. Onder ritmisch tromgeroffel lopen brede rijen infanteristen zonder een schot te lossen gestaag op de schietende vijand af. Op korte afstand houden de colonnes halt en vormen een vier rijen diepe blauw-gele muur, waaruit iedere soldaat een enkel schot lost. Direct daarop storten zij zich met bajonet en zwaard op de wankelende vijandelijke linies. Pas op een beslissend moment, om een doorbraak te forceren of een hergroepering bij de vijand te voorkomen, wordt de zware cavalerie ingezet.

 

1. H. Saarinen, “Danzig und Karl XII. im Nordischen ”, Helsinki 1996, pag. 237.
2. N. Herlitz, “Från Thorn till Altranstädt”, Stockholm 1916, deel 1, pag. 233-234 en 270-271.
3.  Het gehele reisverslag is ontleend aan G. Adlerfelt, “Histoire Militaire  de Charles XII, Roi de Suède”, Amsterdam 1740, deel 2, pag. 232-243.