1.2.8. Johan August, in Staatse dienst

De tweede zoon van Anders Meijer en Catharina Wulff is in 1664 geboren in Oberpahlen (Põlsamaa). (1) Op  24 november 1674 wordt zijn vader in de Zweedse adelstand verheven, waardoor hij ook van adel is en de naam Meijerfeldt gaat dragen.

Van hem wordt gezegd dat hij vast een goede opvoeding heeft gehad, maar geen hooggeleerde, omdat hij voorkeur gaf aan een militaire loopbaan. (2) Net als zijn vader en oudere broer treedt hij in Zweedse dienst. In 1683 wordt hij vrijwilliger in een in Estland, Lijfland en Ingermanland geworven Baltische regiment cavalerie onder aanvoering van kolonel baron Johan Andreas von der Pahlen, huurder van het slot Oberpahlen. Op 10 januari 1686 wordt hij daarin tot kornet en op 2 februari 1689 tot luitenant bevorderd. (3)

Net als zijn oudere broer wil Johan August oorlogservaring opdoen. Hij hoeft niet op zoek, omdat Zweden zich verplicht heeft 6.000 man aan de Nederlandse Republiek te leveren. De Zweedse ommezwaai is het gevolg van steun van Lodewijk XIV aan het Deense streven om invloed te winnen in de Oostzee. Zweden beschouwt deze zee sinds de afwezigheid van de Nederlandse vloot min of meer als zijn binnenzee. Toetreden tot de Augsburgse alliantie van Spanje, de Duitse keizer, Saksen, enkele Duitse vorstendommen en later Engeland en de Nederlanden is het alternatief. Deze protestantse coalitie is ook een gevolg van de herroeping van het Edict van Nantes en de vervolging van de Hugenoten. De Negenjarige Oorlog, ook wel genoemd de Eerste of Grote Coalitie Oorlog woedt tussen 1688 en 1697. Voor de Nederlandse prins Willem III behoren hiertoe ook zijn invasie en koningschap in Engeland (Glorious Revolution) en overzeese strijd in New England (King William’s War). Zweden raakt aanvankelijk niet actief bij de strijd betrokken, maar nadat de Nederlandse Republiek in 1693 een verdrag sluit tot teruggave van of schadevergoeding voor gekaapte Zweedse koopvaarders op Frankrijk verandert dat.

Op 28 april 1693 zwaait Johan August af bij zijn regiment en treedt op 10 november in dienst als kapitein in het regiment infanterie van kolonel Edvard Hastfer, zoon van Jacob Johan en broer van Anna Christina Hastfer. Hij komt dus te behoren tot de legers die zijn broer Carl Fredrik tien jaar eerder bestreed. Van zijn krijgsverrichtingen is weinig bekend, mede omdat er sprake is van een positionele oorlogvoering: belegering en verdediging van steden en linies. Brussel verliest door een Frans bombardement een groot deel van zijn historische binnenstad. Koning Willem komt vanuit Engeland enkele maanden per jaar over voor deze strijd. In 1693 wordt het Franse hoofdkwartier Huy heroverd, een jaar later Diksmuide en weer een jaar later de sterke vesting Namen, dankzij de beroemde vestingbouwer Coehoorn. Daarbij wordt Edvard Hastfer nog vóór de moordende bestorming fataal door een kanonskogel getroffen.

De compagnie van Johan August Meijerfeldt wordt op 16 september 1694 samen met vijf andere Zweedse compagnieën door de Staten van Zeeland overgenomen (4):

Zeeuws Archief, Archief Staten van Zeeland, inventarisnummer 1671,
Registers van commissiën en instructiën 1578-1809, folio 143
.

Vaak is dit een administratieve truc van de plaatselijke commandant om soldij van de Staten uitbetaald te krijgen, maar vanwege de laatste alinea van deze paragraaf is het vrij zeker dat hij werkelijk in Zeeuwse dienst heeft gestaan. Onder leiding van de Zweedse koning – die enerzijds nog Franse sympathieën heeft maar anderzijds soldaten aan de geallieerden hoort te leveren – worden moeizame vredesonderhandelingen in 1697 beklonken in de Vrede van Rijswijk, die Frankrijk weliswaar terugvoert naar de oorspronkelijke grenzen, maar wel de kiem legt voor tweespalt tussen de katholieke en protestante landen binnen het bondgenootschap.

Het regiment van kolonel Ernst Detlof Krassow, waarin Johan August op 24 januari 1698 als majoor is gaan dienstdoen, vertekt ten gevolge van de vrede naar Buxtehude in het in Zweedse handen verkerende aartsbisdom Bremen. Daar wordt het regiment afgedankt. Johan August reist op eigen initiatief af naar Stockholm. De Zweedse officieren krijgen bij terugkomst een bevordering, maar niet als zij in dienst van de Republiek waren. Johan August loopt daardoor een bevordering mis, tenzij zijn snelle opvolging van  luitenant tot kapitein tot majoor als zodanig betiteld moet worden. Het gebruik van de Republiek om het geweer te behouden wordt overigens evenmin nageleefd.

 

1. . Zijn geboorteplaats wordt afgeleid uit het feit dat zijn vader Anders Meijerfeldt in die tijd in Oberpahlen werkt en woont. In de plaatselijke Lutherse doopboeken (Rahvus arhiivi, Luterlik kirik, Viljandi praostkond, Põltsamaa kogudus, Sünni-, abielu- ja surmameetrika 1663-1688, EAA.1168.2.1) is zijn geboorte niet te vinden. Als geboortejaar wordt 1664  voor het eerst door het Riksdags-Protokol van 17 juni 1741 genoemd en dat kom het vaakst terug,. In afwijking hiervan heeft zijn weduwe 1665 en 85-jarige leeftijd op een wijnkan in de kerk van Täby laat laten graveren. Ranft zegt dat de graaf bijna 80 jaar oud werd en Ennes berekent 83 jaar. Stiernman noemt aanvankelijk 1666 als geboortejaar, daarin nagevolgd door Gezelius, Rehbinder en Villius. De laatste komt met een beroep op de baronnenbrief, maar daarin is geen geboortejaar of leeftijd te vinden.
2. M. Ranft, “Die Merkwürdigen Lebensgeschichte derer vier berümten Schwedischen Feldmarschalle, Grafen Rehnschild, Steenbock, Meyerfeld und Dücker”, Leipzig 1753, pag. 279-280.
3. H. Villius, lemma in Svenskt Biografiskt Lexikon, Stockholm 1986, deel 25, pag. 471, wijkt met meer precieze details af van de baronnenbrief.
4. Zeeuws Archief.  Zijn voornaam luidt jan en joan, zijn achternaam meijerfelt en meyerfelt.