1.3.2. De Grote Alliantie

De gebroeders Meijerfeldt komen in de jaren negentig in het anti-Franse kamp terecht. Dat is geen eigen keuze, maar het gevolg van een ommezwaai in de Franse politiek. Lodewijk XIV is steun gaan geven aan het Deense streven invloed te winnen in de Oostzee. Zweden beschouwt die zee sinds de afwezigheid van de Nederlandse vloot min of meer als zijn binnenzee. Een andere aanleiding is de herroeping van het Edict van Nantes en de vervolging van de Hugenoten. Zweden treedt toe tot de Augsburgse alliantie van Spanje, de Duitse keizer, Saksen en enkele Duitse vorstendommen ter bescherming van de Palts. Na de Nederlandse invasie in Engeland door prins Willem III van Oranje  (Glorious Revolution) treden deze landen toe en wordt gesproken van de Grote Alliantie. Lodewijk XIV verklaart hen de oorlog en de Negenjarige Oorlog, ook wel genoemd de Eerste of Grote Coalitie Oorlog van 1688 tot en met 1697 is een feit. De Republiek sluit op 12 september 1688 en 23 februari 1687 tractaten met Zweden voor levering van zes regimenten van totaal ruim 6000 soldaten tegen betaling van 108.000 rijksdaalder, alle soldij en geheim gebleven geschenken en omkoopbedragen om het pro-Franse kamp aan het Zweedse Hof de loef af te steken.

Van Carl Fredrik wordt gezegd dat hij aan de Slag bij Fleurus deelneemt. Inderdaad nemen – voornamelijk Pommerse – Zweedse hulptroepen onder veldmaarschalk Bielke deel aan deze slag vlakbij Charleroi. Na de nodige troepenbewegingen met de Franse veldmaarschalk, de hertog van Luxembourg, komt het op 1 juli 1690 tot een bloedige veldslag. De geallieerden lijden een grote nederlaag en er komt een einde aan de  veldtocht van de door Willem III van Oranje benoemde geallieerde opperbevelhebber Waldeck. De meeste Zweden worden krijgsgevangen gemaakt; alleen een Zweeds bataljon onder majoor Magnus Stenbock weet te ontsnappen. (1)

Aan deelname van Carl Fredrik aan deze veldslag zitten vraagtekens. Op 20 mei 1690 dient een rechtszaak in Riga: Johan Preutz meent een schuldvordering op hem te hebben. Zonder persoonlijke verschijning is de afhandeling bij de gouverneur-generaal van Lijfland, Jakob Johan Hastfer, niet goed denkbaar. Op 27 juli staat op zijn militaire rol dat hij koninklijke toestemming heeft om te reizen, maar bij de troepen van Bielke komt zijn naam niet voor. Op 1 september 1690 staat hij weer als kapitein voor zijn compagnie in Riga. In december krijgt hij opnieuw koninklijke toestemming om te reizen, maar dient ook een door hem ingediende klacht vanwege het uitblijven van soldij en reisgeld, wellicht toch voor de veldtocht in de Spaanse Nederlanden. Als zijn deelname in Fleurus klopt, moet hij in een maand een reis van 2000 kilometer hebben afgelegd. Een afstand van 50 km per dag is niet geloofwaardig over land,  wel per schip. In het bataljon van Stenbock moet hij dan zijn ontsnapt en teruggereisd. (2)

Catharina Meijerfeldt-Wulff overlijdt in 1692. Zij wordt op 7 april 1692 begraven in de St. Petri kerk te Riga. Letterlijk staat er in het  kerkboek “Den 7 dito. Herrn Capitain Meijerfelt fraú Mûtter”. De rang kapitein duidt op zoon Carl Fredrik, omdat zijn jongere broers op dat moment een lagere rang hebben. (3)

In dat zelfde jaar krijgt Carl Fredrik zijn oude commandant Von Campenhausen als kolonel terug en luidt de nieuw naam van het regiment Österbotten (duidend op de oostkust van de Botnische Golf, oftewel Finland). Op 28 oktober wordt Carl Fredrik benoemd tot één van de commissarissen die buitengewone inkwartiering van koninklijke troepen in Dorpat moet regelen. Dat is de reactie van de Landraad op de zorgen van de Gilden.

Jacob Johan Hastfer, gouverneur generaal van Lijfland
Schilderij uit 1690 van David Klöcker Ehrenstrahl
Nationalmuseum, Gripsholmsamlingen

Gouverneur-generaal Hastfer reist in 1692 door Duitsland en Nederland om te kijken waar Zweden  het beste troepen kan leveren. Eenmaal terug nodigt de Landraad hem uit op 12 juni 1693 naar Dorpat te komen. In diens uitgebreide gevolg bevindt zich Carl Fredrik. (4) Tegenover de klachten van de Lijflandse adel dat de Zweedse bezetter hun eigendommen afneemt wijst Hastfer er op dat die landerijen een tijdelijk geschenk van de Zweedse koningen waren en de Zweedse zorg primair uitgaat naar de echte Lijflanders: de inheemse boeren. Algemeen onderwijs en  afschaffing van de lijfeigenschap had nooit op de agenda van de Duits-Balten gestaan. Met deze woorden sluit Hastfer de Landraad.

Johan August zwaait op 28 april 1693 af bij zijn regiment Von der Pahlen, omdat Zweden nog eens twee extra regimenten aan de Republiek gaat leveren. Hij wil twee vliegen in één klap slaan: net als zijn oudere broer oorlogservaring opdoen en promotie maken naar de kapiteinsrang. Dat lukt hem. Op 10 november 1693 wordt hij door Koning Willem III van Nederland en Engeland benoemd in het achtste Zweedse infanterieregiment in de rang van kapitein van een. ompagnie. Daar is de oorlog dat jaar slecht verlopen. Het seizoen is voorbij en koning Willem van Oranje is teruggekeerd naar Engeland om zich op zijn verdere strijd tegen Lodewijk XIV voor te bereiden.

Kolonel van dit achtste infanterieregiment is de 10 jaar jongere Edvard Hastfer, zoon van de gouverneur-generaal, die zelf zojuist een sprong van kapitein bij het gouverneursregiment in Riga heeft gemaakt. Hij bevindt zich eind maart 1694 nog in Stockholm. Op bezoek bij de Deense diplomaat Bolle Luxdorph laat hij blijken niet zo Zweedsgezind te zijn als zijn vader. Hij zegt alles kwijt te zijn en biedt zijn diensten aan de koning van Denemarken aan. Als antwoord op de verbaasde en afhoudende reactie geeft hij aan als alternatief zijn Baltische vrienden naar Rusland te kunnen volgen. Twee maanden later leidt hij toch gewoon zijn regiment in Nederland. (5)

 

1. H. Gillingstam, lemma in “Svenskt Biografiskt Lexikon”, Stockholm 1986, pag. 470-471.
2. “Supplik des Offiziers Carl Meyerfelt in Sachen seines wegen einer Reise noch ausstehenden Lohnes” en “Supplik des Johan Preutz contra den Kapitän Meyerfeldt wegen einer Schuldforderung”, EAA/278/1/XVIII-27b Nr. 18, folio 31-32,  resp. Nr. 119, folio 182/r. SE/KrA, 0022 Rullor 1620-1723, 1690/3, folio 283.
3. VVA, Leichenbuch St. Petri Riga 1657-1811, folio 92, nr. 13.
4. F.K. Gadebusch, “Livländische Jahrbücher”, Riga 1780-1783, deel 3.3, pag. 601 en pag. 623.
5. P. Lindström & S. Norrhem, “Flattering Alliances. Scandinavia, diplomacy and the Austrian-French balance of power 1648-1740”, Lund 2013, pag. 202-203 op basis van F. Fryxell, “Ur Utrikes Arkiver Samlade och Utgifna”,  Stockholm 1839, deel 3. pag. 350.