1.3.3. Afrekening met Saksen

image

Augustus II de Sterke

Karel XII is naar Polen teruggekeerd, omdat hij nog steeds denkt dat de Russen zijn aandacht niet waard zijn en dat zijn werkelijke vijand uit Saksen komt. Daarom neemt hij het radicale besluit Augustus in eigen land aan te vallen. Vanuit zijn hoofdkwartier in Radom begeeft hij zich met slechts zeven man, waaronder Johan August en prins Max, naar Rehnskiöld 11 mijl verderop in Pionteck. Op 25 juli 11 uur ’s avonds verlaat het groepje in stilte de stad. Nog maar net buiten Radom komen zij in een groep van 300 vijandelijke Polen terecht. De groep Polen krijgt te laat door dat het om een Zweeds gezelschap gaat en durft na een tijdje de achtervolging niet door te zetten. De koning valt in het donker van zijn paard en raakt zijn groepje kwijt. Alleen Johan August en prins Max slagen er in de weg naar Radom terug te vinden. Daar wordt groot alarm geslagen. Weldra rukt een grote troepenmacht uit op zoek naar de koning. Doodgemoederd arriveert Karel XII alleen in Radom, met de mededeling dat hij de weg is kwijtgeraakt. Hij gaat onmiddellijk achter de 200 man aan die hem zijn gaan zoeken en rijdt met hen alsnog naar Rehnskiöld, waar hij de troepen inspecteert.

Op 2 september 1706 passeert het Zweedse leger de Oder, inclusief generaal Meijerfeldt met 650 dragonders. De 17de krijgt hij opdracht van de koning om zich van de hoofdmacht los te maken en met enige regimenten landinwaarts naar de hoofdstad Dresden te gaan. Hij is al voorbij de stad de rivier de Elbe overgestoken naar Pirna en het slot Sonnenstein, als hij bevel krijgt Dresden in te sluiten. Intussen heeft de rest van het Zweedse leger andere delen van Saksen bezet. De Saksische regering verhindert de inval niet en sluit een vredesakkoord, waarin ondermeer wordt overeengekomen dat Augustus definitief afstand doet van zijn Poolse kroon en met tsaar Peter breekt. Meijerfeldt wordt ingekwartierd in Leipzig, bij Frau Conradin, die daar aan de Thomas Gäßlein woont.

Koning Augustus bevindt zich op dat moment met een Russisch leger onder generaal Mensjikov in Polen. Daar krijgt hij te horen van het vredesakkoord. Hij durft de Moskovieten niet op de hoogte te stellen, maar komt in een benarde positie als die op een slag met het Zweedse bezettingsleger in Polen aansturen. Augustus probeert in het geheim de Zweedse aanvoerder Mardefeldt tot een vlucht aan te sporen, maar deze denkt dat het een list is. Nota bene tegen de wens van het Saksische onderdeel in slaagt de Noordse alliantie er voor het eerst in een grote nederlaag aan Zweden toe te brengen. Uitgerekend bij deze verloren slag wordt 25 jaar later de naam Meijerfeldt als Zweeds bevelhebber in heel Europa bekend, omdat Voltaire hem met Mardefeldt verwisselt. Ook al corrigeert Voltaire dit in de editie van 1733, het blijft fout staan in alle volgende edities en heel veel daarop gebaseerde handboeken tot op de dag van vandaag. (1)

Augustus haast zich nu het vredesakkoord met Karel XII uit te voeren. Een van de Zweedse voorwaarden is alle geallieerde gevangenen vrij te laten. Ter uitvoering daarvan gaat Johan August Dresden binnen, om de ontvoerde Poolse troonpretendenten Sobieski in ontvangst te nemen. Voor die tijd is het ook heel belangrijk dat hij 13 vlaggen en 2 pauken terugkrijgt. Een andere vredesvoorwaarde is de uitlevering van Zweedse overlopers, uiteraard in het bijzonder Palkul. Augustus was zo onverstandig geweest hem in 1705 naar aanleiding van een onrechtvaardige aanklacht gevangen te zetten en had – ondanks sterke internationale protesten – steeds gedraald hem vrij te laten. Nu draalt Augustus opnieuw, deze keer om hem uit te leveren, maar uiteindelijk vindt de uitlevering plaats te Tepelswalde of Königstein op 7 april 1707. Johan August neemt hem van zijn Saksische bewakers over en voert hem naar zijn regiment in Dippoldiswalde. Daar wordt de verrader liggend op een kanon aan handen en voeten geketend.

Omdat de koning even sober slaapt en eet als een gewoon soldaat, dient het verblijf van zijn minister graaf Piper in Günthersdorff als hof. Het is daar dat baron Johan August Meijerfeldt op 9 april 1707 in het huwelijk treedt met Anna Maria Törnflycht. Ze is de jongste dochter (gedoopt in Stockholm 13 november 1685) van Olof Hansson Törne – handelsburgemeester van Stockholm – en Margaretha Andersen. Törne was door zijn succesvolle metaal- en wapenhandel zo in aanzien gestegen in het door oorlogen berooide Zweden, dat hij geadeld was met de naam Törnflycht en zijn dochters voor de adel zeer gewilde huwelijkskandidaten werden. Zo was de gastheer graaf Piper met de oudste dochter getrouwd en graaf Arvid Horn met een andere. (2)

De bruiloft is een van de grootste feesten, die de Zweden buiten hun grenzen aanrichten. Van het moederland komen de echtgenotes van de staf over. Inga Piper-Törnflycht is uiteraard de gastvrouw en baart met haar zus al winkelend in Leipzig groot opzien. Een jonge Uppsala-student, Anders Alstrin, schrijft naar huis dat het volk van alle kanten op de wagen toeloopt, alsof een vorst zijn intocht houdt. Zodra de “geliefde van de generaal-majoor” in de winkel van een koopman blijft verzamelt zich daarvoor zoveel volk, dat de vrees bestaat dat zij de winkel bestormen.

De koninklijke gasten zijn talrijk: koning Karel XII, koning Stanislaus, prins Max en de prinsen Sobieski. Ook gravin Aurora von Königsmarck – een mooie dochter van de eerdergenoemde Zweedse generaal, door Voltaire bewonderd, de maîtresse van Augustus – bevindt zich in Leipzig en vraagt ceremoniemeester graaf Piper te worden uitgenodigd (3) Piper was daarmee niet geweldig blij, maar bedacht een uitvlucht: Ik weet nog niet of Meijerfeldt een grote of kleine bruiloft viert, maar ik zal er snel over berichten.

Eenmaal terug in Altranstädt vertelt hij de koning over de ontmoeting. Karel vraagt: Waarom ging haar wens niet gelijk in vervulling? Piper antwoordt: Ik had de bedoeling uw genade te krijgen, zodat uwe majesteit het bruidsvolk en mijn geringe huis met uw hoge aanwezigheid zou vereren, weshalve zij niet zonder de toestemming van uwe majesteit kon worden uitgenodigd. Karel reageert: Doe het voor mijn part maar, ik beloof u toch te komen. Piper dant voor het prettige antwoord.

Na enige nadenken gaat Piper voort: Ik weet niet precies welke plaats ik haar moet geven tussen de andere Zweedse dames. Mijn vrouw zou als gastvrouw haar plaats kunnen inleveren, maar moeilijker wordt het ten opzichte van de vrouwen van graaf Rehnskiöld, generaal Mardefeld, kolonel Hamilton, hofmaarschalk Düben en gezant Friesendorff. De koning antwoordt: Zij kan geen aanspraak op voorrang op hen maken, omdat zij een hoer is en zodoende geen rang heeft. Maar, zegt Piper, zij stamt toch van de twee beroemde families Königsmarck en Wrangel af en toen het op een afweging aankwam, gebeurde dat met een gekroond hoofd. Karel stelt: Een gekroond hoofd en een eenvoudig mens zijn in dit geval gelijk. Zij is en blijft een hoer en heeft geen rang meer. Piper zegt: Als zij als een rangloze persoon behandeld moet worden, kan zij ook niet worden uitgenodigd. Karel antwoordt: Ja, dan mag zij wegblijven.

Volgens de meeste bronnen slaat de hertogin de uitnodiging af, maar is volgens sommige bronnen toch aanwezig op de bruiloft. Karel XII is een dermate opgewekte stemming, dat hij haar zelfs te woord zou hebben gestaan, overigens zonder dat zij slaagt in haar poging hem te verleiden. De koning baart niet alleen groot opzien door zijn aanwezigheid, maar vooral door mee te dansen. Zoiets heeft hij sinds zijn kinderjaren niet meer gedaan. Zijn eerste en langste dans is natuurlijk voor de bruid Anna Maria Törnflycht en daarna zijn de vrouwen van Piper en Rehnskiöld aan de beurt. Telkens is het een Poolse dans. De aanwezige ooggetuigen noteren, dat zij de koning nimmer zo vrolijk hebben gezien en ook niet meer zullen zien. (4)

Meijerfeldt heeft zijn kwartier met 71 dragonders in Dippoldiswalde. De Zweedse bezettingsmacht pleegt geen oorlogsmisdaden; Meijerfeldt houdt een strenge tucht in stand, want op 2 september 1706 en 5 april 1707 laat hij één respectievelijk vijf van zijn dragonders publiekelijk op de markt terechtstellen. Hij legt wel zware contributies op (geld, voedsel, verpleging, overnachting, paarden e.d.) voor het onderhoud van zijn troepen.

Van de stad Pirna is wat beter bekend hoe zwaar de bezetting viel. Vergeefs vraagt een delegatie Karl XII uitstel van betaling en op 25 juli moet het gemeentebestuur in hechtenis bij Meijerfeldt. Na 11 dagen komen de burgemeester en zijn twee raadslieden vrij omdat de rijkste burgers 7.700 daalder aan de stad lenen. Tussen 3 en 19 september trekken de Zweedse troepen weg naar Polen en berekent de stad dat de bezetting meer dan 100.000 daalder heeft gekost. Nog in 1712 verkeert de stad hierdoor in betalingsproblemen.