1.3. Het koningsdrama

image

Karel XII van Zweden

De Grote Noordse Oorlog heeft een verwoestende werking op de daarbij betrokken mensen en op het gebied waar het krijgstoneel zich afspeelt. Vele tienduizenden soldaten worden in barre omstandigheden onafgebroken tegen elkaar in het veld gestuurd. De bevolking van het vaderland moet de soldij opbrengen, de bevolking van het strijdtoneel de rantsoenen. Steden en velden worden leeggeroofd en in brand gestoken, hetzij door de vijandelijke troepen, hetzij door de zich terugtrekkende vaderlandse troepen.

Bij zoveel ellende komt dan nog de deceptie dat de zaak waarvoor gevochten wordt voor slechts weinigen duidelijk is. Natuurlijk liggen de bekende machtsvraagstukken aan de oorlog ten grondslag: de religieuze macht (Lutheranen tegen Roomsen), de militaire macht en de economische macht (vooral over de Oostzeehavens). Maar bovenal wordt het strijdverloop bepaald door drie eigenzinnige vorsten: Karel XII van Zweden, Peter de Grote van Rusland en Augustus II van Saksen. Steeds als alle andere argumenten voor vrede pleiten, besluiten de vorsten hun onderlinge wraakacties voort te zetten. Karel XII is van de drie vorsten het minst tot compromissen bereid. Vredesvoorstellen beantwoordt hij telkens weer met de voorwaarde tot onvoorwaardelijke capitulatie. Ook Peter de Grote wijkt nimmer van zijn doelstelling af (het verleggen van de westgrens naar de Oostzee), ofschoon hij wel het geduld heeft om dat doel stapje voor stapje te bereiken. Augustus II tenslotte droomt van een grote Duitse natie; opportunisme is zijn strategie.

De drie gebroeders Meijerfeldt zijn volledig loyaal aan hun koning Karel XII. Zij behoren nooit tot de kritische officieren. Zij slagen er in zich in hun ijver militair te onderscheiden.