1.3. Het koningsdrama

image

Karel XII van Zweden

De Grote Noordse Oorlog heeft een verwoestende werking op de daarbij betrokken mensen en op het gebied waar het krijgstoneel zich afspeelt. Vele tienduizenden soldaten worden in barre omstandigheden onafgebroken tegen elkaar in het veld gestuurd. De bevolking van het vaderland moet de soldij opbrengen, de bevolking van het strijdtoneel de rantsoenen. Steden en velden worden leeggeroofd en in brand gestoken, hetzij door de vijandelijke troepen, hetzij door de zich terugtrekkende vaderlandse troepen.

Bij zoveel ellende komt dan nog de deceptie dat de zaak waarvoor gevochten wordt voor slechts weinigen duidelijk is. Natuurlijk liggen de bekende machtsvraagstukken aan de oorlog ten grondslag: de religieuze macht (Lutheranen tegen Roomsen), de militaire macht en de economische macht (vooral over de Oostzeehavens). Maar bovenal wordt het strijdverloop bepaald door drie eigenzinnige vorsten: Karel XII van Zweden, Peter de Grote van Rusland en Augustus II van Saksen. Steeds als alle andere argumenten voor vrede pleiten, besluiten de vorsten hun onderlinge wraakacties voort te zetten. Karel XII is van de drie vorsten het minst tot compromissen bereid. Vredesvoorstellen beantwoordt hij telkens weer met de voorwaarde tot onvoorwaardelijke capitulatie. Ook Peter de Grote wijkt nimmer van zijn doelstelling af (het verleggen van de westgrens naar de Oostzee), ofschoon hij wel het geduld heeft om dat doel stapje voor stapje te bereiken. Augustus II tenslotte droomt van een grote Duitse natie; opportunisme is zijn strategie.

Karel XII neemt in 1704 twee belangrijke besluiten. Het eerste is generaal Lewenhaupt de leiding te geven over de Zweedse troepen in het Baltische gebied, teneinde weerstand te bieden aan de steeds meer opdringende Moskovieten. Het tweede besluit is de verplaatsing van de Zweedse hoofdmacht naar het zuiden, om de daar residerende Poolse edelen tot afzwering van Augustus te bewegen en zodoende een einde te maken aan het krachten verspillende kat-en-muis-spel met het Saksische leger. Als alternatief voor de Poolse troon is er de Poolse edelman Stanislaus Leszczinski, die met een slecht getraind leger aan Zweedse zijde vecht.

Carl Fredrik Meijerfeldt komt onder het commando van Lewenhaupt te vallen. Hij neemt onder andere deel aan de belangrijke Slag bij Birsen op 27 juni 1704. (1) In de Slag bij Jacobstadt een maand later speelt hij als overste van zijn bataljon infanterie van 300 man een vooraanstaande rol. Hij vertrekt uit Sehlburg, wordt ingedeeld op de linkerflank en als gevolg daarvan geeft hij leiding aan de avantgarde. Hij ploegt door onophoudelijke bosschages en heuvels totdat hij op 10 kilometer voor de stad een heuvel betrekt met prachtig uitzicht over het de stellingen van de vijand. Besloten wordt dat de rechterflank nu beter de voorhoede kan overnemen. In de slag neemt de linkerflank echter een groot aandeel in de overwinning. (2)

Carl Fredrik huwt vermoedelijk dat jaar met gravin Anna Christina Hastfer. Zij is in 1681 geboren als dochter van de beroemde Zweedse kanselier en veldmaarschalk graaf Jakob Johan Hastfer (1647-1695) en barones Sigrid Gyllenstierna (1639-1700). (3) Zij krijgen een zoon Jakob Johan Meijerfeldt, die als kind in 1710 zal overlijden en in de kerk van Festen in Lijfland wordt begraven. Lewen­haupt staat toe dat Anna Christina naar Carl Frederik reist in Litouwen, met het doel enkele brieven op te halen over een twist tussen generaal Stackelberg en generaal Johan August. (4)

1. Le Long III, pag. 254.
2. H.E. Uddgren, “Karolinen Adam Ludwig Lewenhaupt, Hans Krigsföring i Kurland och Litauen 1703-1708”, deel 1 (1703-1704).
3. A. von Transehe-Roseneck, “Die ritterlichen Livlandfährer des 13. Jahrhunderts”, Würzburg 1960, noemt ten onrechte als ouders Claus Wilhelm Hastfer (1626-1686) en Anna Löwenstern (1642-1723).
4. A.L. Lewenhaupt, “Adam Ludvig Lewenhaupts Berättelse”, HH 34:2, Stockholm 1952, pag. 152-153 en 171.