1.2.3. Oponthoud in Litouwen

imageDe oversteek van de Duna op 9 juli 1701

Het Saksisch-Poolse leger heeft zich langs de grensrivier de Duna (Westelijke Dvina, Daugava) verspreid, teneinde een oversteek van de Zweedse troepen naar Semgallen (Zemgale) te verhinderen. Johan August slaagt in een gedurfde oversteek met zijn groep en weet de vesting Bautsche (Bauska) met succes op te eisen. Dit wapenfeit brengt hem de eerste persoonlijke roem.

Enkele dagen later besluit de Zweedse koning tot de grote over­steek van de rivier. Carl Fredrik moet als versterking van het garnizoen van Riga achterblijven. Doordat het leger de Duna zwemmend oversteekt, vlucht het Saksisch-Poolse leger zonder ook maar stelling te nemen in paniek zuidwaarts.

De koning stuurt Johan August vervolgens op 24 juli met zijn 200 ruiters naar het oostelijk gelegen Birsen (Biržai), waar de Saksen geschut en pontons hebben achtergelaten. De Poolse gouverneur Gualkowski en de slotscommandant eisen deze goederen aanvankelijk voor zichzelf op, maar nadat Meijerfeldt met een bestorming dreigt zwicht de vesting voor de Zweedse druk. (1)

Begin september maakt Carl Fredrik zich los van het garnizoen van Riga, om met 100 musketiers het commando over de vesting Sehlburg (Sēlpils) langs de Duna op zich te nemen. Enkele honderden mannen verzamelen zich daar onder zijn bevel. Op 3 oktober rukt hij verder op langs de rivier en penetreert diep in Pools grondgebied. Na een mars van 3 dagen komt hij bij de Egglonpas (in de zijrivier Eglaine), waar hij wordt opgewacht door Poolse edellieden met inderhaast opgetrommelde knechten en boeren. Nadat hij hen het doel van zijn onderneming uitlegt, trekken zij zich terug. Carl Fredrik arriveert de 18de in de belangrijke vesting Dunaburg (Daugavpils), waar zich 6000 Russen zouden hebben verzameld. Hij treft de stad onbeschermd aan en legt beslag op proviand en wapens, die de Moskovieten en Saksen in hun vlucht hebben achtergelaten. (2)

Koning Karel XII wekt de indruk zich militair verder in de richting van Pskov te gaan bewegen en daarnaast met diplomatieke middelen de Polen er toe te kunnen overhalen Augustus als koning af te zweren. Nu is hij degene die zijn winterkwartieren in Koerland vestigt, van waaruit hij zich wel in gevechten in Samogitia (Zemaitija) mengt. Daar woedt een tot burgeroorlog uitgegroeide particuliere twist tussen de door Sak­sen gesteunde familie Oginski en de door Zweden gesteunde familie Sapieha. Johan August krijgt op 9 september 1701 opdracht van Karel XII langs de Oostzeekust zuidwaarts te trekken, teneinde de nog ongeschonden bezittingen van de Sapieha’s bij Polangen (Palanga) en de Pruisische stad Memel (Klaipeda) te beschermen. Bovendien moet hij de houding van deze steden peilen en proviand buitmaken. (3) Met zijn 200 ruiters volvoert hij deze opdracht niet alleen, maar weet ook inlichtingen in te winnen over Saksische troepen bij de havenstad Dantzig (Gdansk) en over aanvalsmogelijkheden op Oost-Pruisische steden, waarin zich achtergelaten Saksi­sche artillerie bevindt. (4)

In de herfst van 1701 blijft Meijerfeldt in Polangen om de bezit­tingen van Sapieha in Samogitia te beschermen. Op 15 oktober komt Karel XII incognito naar Polangen en gebiedt een ieder zijn aanwezigheid geheim te houden. Hij vraagt Meijerfeldt hem te vergezellen naar het monnikenklooster Repsin. De prior van het klooster ontvangt de Zweedse officier met zijn onbekende metgezel en wenst hen de gezondheid van de koning van Zweden toe. Zonder zijn identiteit bloot te geven vertrekt Karel XII na een kort bezoek en reist via Polangen noordwaarts naar zijn hoofdkwartier in Würgen terug. (5)

Op 15 november ontvangt Meijerfeldt een brief van de koning, waarin zijn verzoek om meer troepen tot steun van Sapieha wordt ingewilligd met 100 dragonders. (6) In dezelfde brief wordt hij benoemd tot overste bij het regiment van de Finse provincies Åbo en Björneborg (hij was sinds anderhalf jaar overste van 200 ruiters). Op 27 november heeft Meijerfeldt een schermutseling met het vliegende korps van Oginski. Aanvoerder Duleffsky en 30 van zijn manschappen vinden de dood en de overige 220 man vlucht met achterlating van veel bagage. (7)

Begin december ontvangt de koning een brief van Meijerfeldt dat Sapieha aandringt om snel Oginski te verslaan. Hij besluit direct met een kleine macht uit het winterkwartier op te rukken. Een dag later ontvangt Meijerfeldt hem in Kalvarya en samen beginnen zij aan een vrij zinloze achtervolging van de Oginski’s. In Triski waren 6000 Polen naar binnen geslopen om huizen in brand te steken. Op 6 december rijden de Zweden naar Lubinski, waar Oginski veel gewonden heeft achtergelaten, 7 december naar Uzwetta waar de achtergebleven Zweedse infanterie per slee aankomt, 8 december naar Kelm waar het slot wordt geplunderd, 13 december woont de koning met Johan August een Lutherse kerkdienst in Knedum bij, 18 december naar Kovno (in het Litouws Kaunas en in het Duits Kauen) waar de Njemen niet meer bevroren blijkt en maar één praam voor de oversteek gebruikt kan worden, waardoor de vijand zich naar Wilna kan terugtrekken. De koning blijft nog wat dagen in Kovno, besluit de eeuwigdurende achtervolging te beëindigen en keert op Eerste Kerstdag terug naar het hoofdkwartier in Würgen in Koerland. (8) Hij stuurt Johan August met 1300 man vooruit naar Jürburg (Jurbarkas) aan de Njemen, van welke laatste stad hij de koning op 4 januari 1702 rapport uitbrengt. (9) Na terugkomst in het hoofdkwartier wordt hij bevorderd tot kolonel. (10)

De stagnatie van de veldtocht van Karel XII komt voort uit zijn vaste voornemen, om de keurvorst van Saksen van de Poolse troon te stoten. Al die tijd denkt hij de Poolse landdag door overreding van een afzettingsprocedure te overtuigen, maar de spreekwoordelijke chaos verhindert dat. In het voorjaar van 1702 besluit Karel XII Polen binnen te vallen, om zijn neef dan maar met geweld van de Poolse troon te stoten.

Carl Fredrik blijft met het regiment Österbotten achter in het Baltische gebied. Daar houdt hij zich ook bezig met de politiek, getuige een brief van hem, gedateerd 1 juni 1702, aan Riga’s gouverneur Frölich. Hij meldt van de geallieerde Litouwse vorst Sapieha te hebben vernomen, dat in Polen een Turkse gezant actief is. Deze zou het doel hebben een gezamenlijk aanvalsverdrag tussen Turkije en Polen tegen Rusland te sluiten, waardoor de Saksisch-Poolse koning als vijand zou moeten worden afgezworen. Duidend op de overeenkomst tussen dit streven en de politiek van de koning van Zweden, besluit Meijerfeldt zijn brief met de woorden “so (scheint) den werke gott bestetigen woll(en)”. (11)

1. H.E. Uddgren, “Fälttågen 1701-1706”, in S.E. Bring, “Karl XII”, Stockholm 1918, pag. 225. Chr. Kelch, “Liefländische Historia 2, Continuation 1690-1707”, 1875, pag. 228.
2. N. Posse, “Journal”, KKD X, Lund 1914, pag. 430 e.v.
3. Letterlijke opdracht in E. Carlson, “Die eigenhändige briefe König Karls XII.”, Berlin 1894, pag. 335. Een relaas op basis van brieven van Johan August aan de koning in G. Jonasson, “Karl XII:s Baltiska militärpolitik under år 1701”.
4. F.G. Bengtsson, “‘The life of Charles XII, King of Sweden”, London 1960, pag. 124-125. I. Le Long, “Het leven van den heldhaften Carel den Xllden, Koning der Swe­den”, Amsterdam 1721, deel II, pag. 204.
5. Ranft, pag. 280.
6. E. Carlson, “Sveriges Historia under Karl den tolfdes regering”, Stockholm 1910, deel VII, pag. 43. C. von Rosen, “Bidrag till kännedom om de händelser, som närmast föregingo svensk stormaktväldets fall”, Stockholm 1936, deel I, pag. 19.
7. Rehnskiöld, pag. 6.
8. Adlerfelt, pag. 80. Ranft, pag. 280.
9. J.A. Nordberg, “Histoire de Charles XII, Roi de Suède”, Den Haag 1742, deel I, pag. 193-194. G. Jonasson, “Karl XII:s Polskapolitik 1702-1703”, Studia Historica Upsaliensa 27, pag. 13-14. Uddgren, pag. 228.
10. E. Brunner, “Carolus Rex”, pag. 197, noemt hem al bij de verwikkelingen in Riga kolonel. Nilsson wijst hem er op dat de wapenbrief zijn promotie op 18 februari 1702 dateert, maar omdat daarin de oude tijdrekening is gebruikt, moet dit worden gecorrigeerd naar 28 februari 1702.
11. H.E. Uddgren, “Något om Karl XII:s stallning till kriget med Ryssland och försvaret af Östersjöprovinserna under åren 1702-1706”, KFÅ (Karolinska Förbundets Årsbock) 1910, Lund 1911, pag. 90.