1.3.1. De Catelaanse veldtocht

Carl Fredrik Meijerfeldt, de oudste zoon van Anders Meijerfeldt en Catharina Wulff, treedt op 18-jarige leeftijd vrijwillig in militaire dienst. Hij meldt zich tussen 2 en 6 oktober 1680. (1) Hij kiest het regiment van de Estisch-Duitse kolonel Johan Herman von Campenhausen, ook wel genoemd Estisch infanterieregiment of Gouverneursregiment. Het regiment was drie jaar eerder in Reval (Tallinn) met goedkeuring van de Zweedse koning onder het volk in het vaderland geworven en het jaar daarop in Riga gestationeerd.  (2) 

Pas op 17 maart 1682 staat Carl Fredrik op de rol van zijn compagnie van 125 man, anderhalf jaar nadat hij zich heeft gemeld. Volgens de nieuwe regels van koning Karel XI moet iedereen – ook al is hij van de hoogste adel – als gemeen soldaat in het leger beginnen, alle onderdelen doorlopen en een korte opleiding volgen. Bovendien is hij volgens het plaatselijke recht van die tijd op zijn twintigste pas meerderjarig. Op de rol staat niet op welke datum hij officier is geworden, maar zijn eerste periode telt wel mee met zijn diensttijd. Zijn rang is vaandrig, na kapitein Anders Jerner en luitenant Gustaf von Campenhausen de derde in rang. Hij moet letterlijk het vaandel van zijn compagnie dragen en verdedigen, want de vijand ziet het als belangrijke oorlogsbuit. (3) 

Na enkele maanden zwaait Carl Fredrik al weer af als vaandrig bij Von Campenhausen. Net als zoveel andere jonge officieren wil hij oorlogservaring opdoen. Dat kan niet bij het koninkrijk Zweden dat met geen van zijn buurlanden in oorlog is. Koning Karel XI voert wel een politiek ten gunste van de Franse koning Lodewijk XIV, die met al zijn buurlanden in oorlog is op zoek naar gebiedsuitbreiding c.q. een veilige grensbuffer achter natuurlijke grenzen. Hij heeft maar liefst vijf grote, goed getrainde legers tot zijn beschikking. Jaren achtereen lijft hij steden in bij het Franse rijk onder het voorwendsel van réunion.

In 1682 treedt Carl Fredrik niet tot een Frans regiment toe, maar een Duits regiment in Franse dienst, waarin veel Zweedse en Lijflandse officieren zijn geworven. Kolonel is Carl Johan (ook wel: Hans Karl) Königsmarck. Deze is de 23-jarige zoon van één van de belangrijkste Zweedse generaals in de Dertigjarige Oorlog. Diens zus Aurora zal 24 jaar later op de bruiloft van broer Johan August ophef veroorzaken. In Engeland was Königsmarck vrijgesproken van opdrachtgeverschap tot de moord op de echtgenoot van zijn geliefde. Toch wordt de grond hem te heet onder de voeten. In Parijs ontvangt Lodewijk XIV hem en benoemt hem op 10 augustus 1680 tot kolonel van het nieuwe 3de Duitse infanterie regiment in het Franse leger. Het regiment bestaat uit 16 compagnieën en heeft als standplaats Landau in de Pfalz. De schutspatroon is  Saint-Maurice d’Agaune en het motto “Je tiens” (Ik volhard).

Vaandel van het regiment Königsmarck

In zijn nieuwe garnizoensplaats blijft Carl Fredrik aanvankelijk opnieuw van gevechtshandelingen verstoken. Lodewijk XIV heeft de stad Straatsburg uit de invloedssfeer van het Duitse Rijk gehaald en richt zich nu op de stad Luxemburg, die toebehoort aan de Spaanse Habsburgers. Zijn belegering van die stad leidt tot de Frans-Spaanse Oorlog (ook genoemd de Luxemburgse Oorlog of de derde oorlog van Lodewijk XIV) van oktober 1683 tot en met augustus 1684. Het regiment van Carl Fredrik krijgt niet de opdracht  naar Luxemburg of de Spaanse Nederlanden te gaan, maar naar het grensgebied Roussillon in Catalonië, dat 25 jaar eerder als oorlogswinst van Spanje naar Frankrijk was overgegaan. In dat gebied moet de toevoer van Spaanse versterkingen naar het noorden in de kiem worden gesmoord.

Intussen begint ook de tweede zoon Johan August Meijerfeldt aan zijn militaire loopbaan. In 1683 of 1684 wordt hij vrijwilliger in het Baltische regiment cavalerie onder aanvoering van kolonel baron Johan Andreas von der Pahlen, dat in de stad Wenden gelerd is. Ook dit regiment was met goedkeuring van de Zweedse koning in 1678 geworven in Estland, Lijfland en Ingermanland. De alternatieve naam is Drottning (Ulrika Eleonora d.ä.’s) Regimente till Häst. Von der Pahlen is huurder van het slot van Oberpahlen. (4) 

In datzelfde jaar 1684 neemt Carl Fredrik met het regiment Königsmarck deel aan de Catelaanse veldtocht onder veldmaarschalk Bellefond. Als eerste moet de snelstromende rivier de Ter worden overgestoken bij de goed verdedigde Pont Major. Königsmarck gaat zijn mannen voor in het doorwaden van de rivier en verrast de vijand. Het eerste bataljon valt het fort bij Madigan  aan met veel wederzijdse slachtoffers. Op 21 mei volgt de aanval op  Girona, dat veroverd wordt. Daarna volgt de bezetting van het schiereiland Cap de Creus. Ten gevolge van de wapenstilstand van Regensburg trekt het regiment zich terug naar de Languedoc, ten noorden van Roussillon.

Uiterlijk augustus 1684 treedt ook de derde zoon Wolmar Johan Meijerfeldt op 17-jarige leeftijd in militaire dienst. In tegenstelling tot zijn broers kiest hij niet voor een nieuw geworven regiment, maar in navolging van  zijn voorvader Hinrik Meijer 120 jaar eerder voor de Lijflandse Adelscavaleri (Livländska Adelsfanan). Het regiment staat onder commando van Ewald Johan von Vitingshoff en zijn compagnie wordt geleid door Friedrich Wilhelm von Tiesenhausen. De garnizoenstad van die compagnie is ook Wenden. (5)

Rond de jaarwisseling keert Carl Fredrik terug naar huis. De toenemende intoleratie jegens de protestanten, leidende tot de herroeping van het Edict van Nantes een jaar later, brengt Königsmarck er toe nog in 1684 zijn regiment te ontbinden, het Franse leger te verlaten en bij zijn oom Otto Wilhelm in dienst te treden. Carl Fredrik gaat niet op zoek naar een ander regiment in Franse dienst. Op 10 januari 1685 wordt hij benoemd tot luitenant in zijn oude regiment te Riga, nog steeds geleid door kolonel Johan von Campenhausen. Op 23 juni vervangt hij Carl Gustaf von Leijonborg in de compagnie van overste Hans von Dellinghausen en op 12 oktober van datzelfde jaar vervangt hij Gustaf von Campenhausen in de compagnie van kapitein Johan Helmersen. (6)

Inmiddels is Johan August klaar mijn zijn opleiding en volwassen geworden. Hij wordt op 10 januari 1686 tot kornet in het regiment Von der Pahlen benoemd. Dat is dezelfde rang als waarin Carl Fredrik begon, maar bij de cavalerie is de benaming niet vaandrig. Een jaar later wordt Wolmar Johan ook kornet bij de Adelscavalerie.

Een promotie tot kapitein in zijn regiment zit er voor Carl Fredrik niet in. Gouverneur-generaal Jakob Johan Hastfer ziet zich door politieke manoeuvres gedwongen Johann Reinhold Patkul – zonder enige militaire opleiding en ervaring – op 14 mei 1687 te benoemen als nieuwste kapitein onder kolonel Campenhausen. Deze maakt al snel ruzie met zijn meerdere, klaagt hem aan bij gouverneur Soop in Riga en stapt in 1690 over naar de Lijflandse politiek om het grootgrondbezit uit handen van de Zweedse koning te houden. Hij zal twee keer als verliezer tegenover Johan August Meijerfeldt komen te staan: in 1704 bij Posen en in 1708 bij Kasimirz. Carl Fredrik stapt al na zes weken – op 28 juni 1687 – over naar het in Finland geworven infanterieregiment onder kolonel Dettloff Hauenschildt. Daar kan hij wel in de rang van kapitein het commando over de compagnie van de tot majoor gepromoveerde Fromhold Johan Lippe overnemen. Hij klimt zijn verdere leven op in dit regi­ment, dat belast is met de verdediging van de Zweedse bezittingen aan de Baltische kust tegen vijandige Moskovieten, Polen en Saksen. (7)

Ook Johan August lukt het promotie te maken. Hij wordt op 2 februari 1689 bevorderd tot luitenant in zijn regiment cavalerie. (8)

 


1. Te herleiden uit de data van zijn verschillende militaire rollen in combinatie met het aantal daarin vermelde dienstjaren.
2. G. Anrep, “Svenska Adels Ätters-taflor”, Stockholm 1861, pag. 888-889.
3. SE/KrA, 0022 Rullor 1620-1723, 1682/9, folio 774.
4. H. Villius, lemma in Svenskt Biografiskt Lexikon, Stockholm 1986, deel 25, pag. 471 noemt 1683, Frijherre Bref en Anrep, ibidem 1684.
5. SE/
KrA, 0022 Rullor 1620-1723, 1699/4, folio 208, af te leiden uit het aantal daar genoemde dienstjaren.
6. “Lieutenants fullmakt”, SE/RA/RR/B/489, folio 66. SE/KrA, 0022 Rullor 1620-1723, 1684/1, folio 120 en 122.
7. SE/KrA, 0022 Rullor 1620-1723, 1687/10, folio 380.
8. H. Villius, ibidem. Frijherre Bref noemt 1688.