1.7.6. De drie gratiën

In 1776 was Johan August in de Finse hoofdstad Åbo voorgesteld aan een 26-jarige aankomende schrijver Johan Henric Kellgren. Hij trekt hem aan als gouverneur voor zijn 11 en 8 jaar oude kinderen als opvolger van Krafft die tot hofpredikant was bevorderd. Half oktober 1777 begint daardoor het Stockholmse leven van een persoon die één van Zwedens beroemdste dichters zal worden. 

In haar debuutroman “Min salig bror Jean Hendrich” (1993) laat Carina Burman de broer van Kellgren beschrijven hoe zij samen aankomen: (1)

Zo reden wij naar Meijerfeldts paleis, gelegen in het kwartier Hästhuvudet, midden tegenover Kungsträdgården. Het grafelijke huis was het mooiste dat ik zag, ja, zelfs het bischopshuis in Klara stond er bij in de schaduw. Er waren tapijten aan de muren, glimmende spiegels en vergulde fauteuils. De gangen waren vol met portretten en fresco’s en draperieën in alle kleuren van de hemel. Voor ons leidde een trap omhoog naar de adelsverdieping. Ik stond daar maar met open mond, ik, de 30-jarige priester! Een buitengewoon mooi kamermeisje wees ons naar onze kamer, en het scheen geen verwondering te wekken dat Jean zijn broer had meegenomen.
Er waren veel trappen te gaan, en spoedig verdwenen zowel marmer als vergulsel, en maakten plaats voor grijze steentrappen en matgekleurde gangen. De kamer was schoon en mooi, met lichte kleuren en vierkant gestoelte. Één van de bedden was ruim genoeg voor ons beiden geweest, maar wij hadden inmiddels de leeftijd bereikt waarop ieder zijn eigen verblijf heeft. In Jean’s kamer stond een lessenaar en hij plaatste er meteen zijn boeken op. Ik bladerde er zo’n beetje doorheen, liet Voltaire en La Mettrie terzijde en bleef hangen in enkele heel mooie stukken in Élite des poèsies fugitives.
“Ik geloof dat ik mij ga vermaken”, zei Jean, “Een mooi kamermeisje, daarnet. En de gravin moet goddelijke schoonheid hebben. Heel Stockholm praat over haar, en noemt haar ‘de knappe Meijerfeldt’…”
“In een fraai huis woont niet altijd deugd en godvruchtigheid”.
Jean lachte. “Nee maar, dat was ik toch vergeten! En helemaal herinner ik me dat niet voor gouverneurs en dienstvolk, omdat het hier niet om een dochter des huizes gaat – maar hoe zit dat met de huisvrouw, mag men haar het hof maken?”
(…)
“En, hoe was de graaf?”
“Lang, lelijk en mager, maar vrolijk en gewoon. Wij hebben elkaar getroffen toen ik voor het eerst uit Finland overkwam. De gravin, daarentegen, was een eerste ontmoeting. Niet jeugdig, maar aantrekkelijk – een klein vrouwelijk gezicht, zwarte wenkbrauwen… De kleine graven lijken uiterlijk meer op vader dan moeder, en zijn wel zoals adeljongens gebruikelijk zijn. Gekleed in elegante hemden, één van hen heeft een ladder in zijn kous – moordgeschreeuw van de gravin, wie heeft kleine Adolf kapotte kousen aangedaan? Kinderjuffrouwen geroepen, opgewonden verhoor, tot de graaf zelf op het idee komt Adolf te vragen, die erkende dat hij met keukengerei speelde. Rust weergekeerd. Kleine Johan August stond de hele tijd rustig, boosaardig en gedeisd.”
“Hoe oud zijn ze?”
“De gravin is wel zeker dertig – van jouw leeftijd dus.” Ik fronste, en Jean ging door. “Of waren het de jongens waar je naar vroeg? Johan August is elf en Adolf acht. Ik ga onmiddellijk beginnen de jonge graven in de Franse taal te onderwijzen.”
“Praten zij niet Frans?”
“Nee, ik sprak met het heerschap in goed Westgotisch / Duits. De graven antwoordden in het Zweeds en de gravin in Hofzweeds, hoc est Franse woorden met Zweedse verbuigingen. – Ja, zo gaat het. Het gravenpaar zou het appreciëren om mij en mijn heer frère vanavond aan het souper te zien. Wat kun jij aantrekken?” (…)

Tijdens het souper praat de broer van Kellgren met een wederzijdse vriend Abraham Niclas Clewberg, later geadeld Edelcrantz (1754-1821) en een bewoner van Meijerfeldts paleis, kanselarijschrijver Carl Peter Lenngren (1750-1827). Hem valt op dat het grafelijke wapen overal staat afgebeeld, zelfs op het porcelein. Later luistert hij het geroddel van de gravinnen af over de nieuwe gouverneur. Enkele dagen later denkt een dienstmeid dat de broer Kellgren zelf is, neemt hem mee naar een geheime kamer in het paleis, waar de gravin in dunne ochtendjapon binnenkomt en na wederzijdse verbazing het tot een harstochtelijk nacht komt. Als hij het aan zijn broer opbiecht, blijkt deze ook dergelijke ontmoetingen te hebben.

Kellgren ontvangt een hoog salaris en volgt de familie naar de verschillende landgoederen. Aanvankelijk komt hij niet erg tot schrijven, maar al snel vloeit het ene meesterwerk na het andere uit zijn pen, onder andere omdat hij als zo velen onder de invloed van de gravin raakt. (2) Een van zijn meesterwerken noemt Kellgren “De gratiën gedoopt“, waarin hij de schoonheid van de drie hofdames Höpken, Löwenfels en Meijerfeldt bezingt. Hoewel zij langer hofdame is dan de andere twee, wordt Louise als laatste genoemd, maar de keuze lijkt eenvoudig alfabetisch. Ook achter de zin dat zij de mooiste hofdame was tot de komst van de andere twee moet vermoedelijk niet meer worden gezocht dan het op gelijke voet plaatsen van de drie gratiën.  Kellgren maakt later een gedicht dat apart aan Louise is gewijd. (3)

Kellgren staat ook bekend komt om zijn satirische en moralistische geschriften. Graaf Meijerfeldt ontkomt daar niet aan, omdat hij “niet alleen werkt om als gunsteling te worden behandeld, maar er ook echt om bedelt“. Na een ruzie beschrijft hij hem als een “heel simpel en glad heerschap, die zeer ingenomen is met zichzelf”. (4)

Gravin Louise was in 1778 officieel hofdame bij de koningin geworden. Tot haar activiteiten behoort het geven van soupers. Op 24 februari 1780 besluit de koning een keer mee te doen, waardoor er veel gasten zijn en een strikt protocol moet worden nageleefd. De koning eet niet, hij speelt schaak. (5)

Kellgren leidt de twee kinderen drie jaar lang op. Over zijn opleiding van Axel Fredrik zijn twee zaken bekend. Hij liet de 8-jarige jongen een klassieke rede voeren voor het genootschap van een speelgoedorde en publiceerde dit in zijn krant Stockholmsposten. (6) Ter ondersteuning van zijn theorie dat adellijkheid uit verdienste en niet door geboorte bestaat, snijdt hij zowel Axel Fredrik als een zoon van de rentmeester in de vinger. Beide jongetjes blijken rood bloed te bezitten. Medio 1780 vertrekt Kellgren en volgt ene Berger hem op.

Aan het einde van de jaren zeventig dienen zich enkele overlijdensgevallen in de familie aan. Nadat haar zoon Johan Gustaf haar na een noodoproep van inspecteur Hindrichsson vanwege haar geestesziekte van Ugerup ophaalt, sterft gravin Anna Catharina Meijerfeldt in 1779 op het buiten Hornsberg bij Tryserum in de provincie Kalmar. In 1780 dient de laatste ziekte van Louise’s moeder zich aan. Zij zou naar haar dochter hebben gesmacht en zij zagen elkaar kort voor haar dood. Uit haar laatste uren komt evenwel onbetwistbaar een indruk van isolement naar voren. (7)

 

1. C. Burman, “Min salig bror Jean Hendrich”, Stockholm 1993, pag. 101-102.
2. Nisbet Bain, pag. 272.
3. C. Forsstrand, pag. 172-186. H.Schück, “Kellgrens bref till Rosenstein”, in Samlaren Tidskrift utgiven af Svenska Literatursällskapets Arbetsutskott, Uppsala 1887, blz. 44-47 (bijlage F).
4. Wahlström & Låstbom, “Biographiskt Lexicon öfver Namnkunnige Svenska män”, Stockholm 1843, deel 9, pag. 66, “arbetade icke blott att vara ansedd för favorit, utan han lopp derefter“. S. Ek, “Kellgren, skalden och kulturkämpen”, Stockholm 1965, pag. 104-105.
5. Enrensvärd II, pag. 78.
6. M. Lamm, “Bidrag till kännedomen om Kellgrens journalistika verksamhet i Stockholmsposten”, Samlaren, tidskrift utgiven af Svenska Literatursällskapets Arbetsutskot, Uppsala 1913.
 7. Leijonhufvud II, pag. 96.