1.7.2. Oorlog in Pommeren

Gravin Brita Meijerfeldt-Barnekow geeft in de eerste maand van 1758 gehoor aan de oproep van de Zweedse regering. Deze vroeg haar onderdanen niet voor de Pommerse Oorlog te vluchten en hun landgoederen daar onbeheerd achter te laten. Desalniettemin weigert de regering haar, vanwege de belegering van Stralsund, een pas te geven voor een beschermde tocht van Stralsund naar Nehringen. (1)

Dat jaar moet er worden voorzien in de opvolging van de pastor van Glewitz en Medrow. Ruch had de functie sinds 1712 vervuld en was in 1757 overleden. De eerdervermelde Aeminga’s hebben wel een idee: hun aangetrouwde neef Albrecht Ernst Battus. Diens Nederlandse voorvaderen waren voor Hertog Alva gevlucht naar Hamburg en vandaar naar Pommeren verhuisd. Na zijn start eind dat jaar blijkt hij zeer streng voor zichzelf en voor anderen te zijn, waardoor hij weinig geliefd is, zeker in  latere jaren als zijn vrouw blind wordt. Desalniettemin vervult hij zijn functie lange tijd, tot zijn dood op 4 december 1796. (2)

Op 18 juli 1758 wordt Johan August benoemd tot commandant van het Eerste Duitse bataljon grenadiers, bestaande uit eerst 384 en uiteindelijk 400 man in 4 compagnieën. De hoge berenmutsen lijken  verwarrend veel op die van de Pruisen. Om verwarring te voorkomen laat Meijerfeldt zwart leer over de koperen voorplaat aanbrengen. De Pommerse Oorlog wordt in wezen tussen twee zwakke legers gevoerd. De Zweden hebben sinds de dagen van Karel XII geen goed getraind en uitgerust leger meer, terwijl de Pruisen hun beste troepen tegen sterkere leden van de alliantie moeten inzetten.

Met zijn nieuwe bataljon maakt Johan August de herovering van Peenemünde mee. In gevechten nabij Güstrow op 19 november proberen de Pruisen vanuit Mecklenburg een doorbraak te forceren. Zij slagen er in Pommeren binnen te rukken en Damgarten te veroveren. De Zweedse bevelhebber Lantinghausen zendt majoor Meijerfeldt naar de daarachter gelegen pas. Met zijn bataljon grenadiers en het regiment cavalerie van Småland rukt hij haastig op, maar de Pruisische voorhoede onder Von Diericke is de pas al voorbij en rukt op naar Stralsund. In Steinhage bij Richtenberg lukt het Johan August stelling te nemen. Op 2 januari 1759 komt de Pruisische aanval. De Zweedse patrouille valt in handen van Pruisische huzaren. Dit toeval en de zware sneeuwval zijn er de oorzaak van, dat de Pruisen het Zweedse kamp ongezien kunnen naderen. De naar het schijnt niet erg waakzame Zweden worden in hun kwartier overvallen. Met het bieden van dappere weerstand maken zij hun fout echter ongedaan. De terugtocht verloopt gedisciplineerd en daardoor lukt het Johan August weer front te maken bij het Defilée van Seemuhl, de toegangspoort tot de weg naar Stralsund. De Zweedse verliezen zijn aanzienlijk.

Een andere actie waarbij Johan August bekendheid verwerft is de bestorming van Swinemünde (Swinoujscie) en Wolin aan de monding van de Oder van 27 augustus tot 16 september 1759. Hij zet de bestor­ming in met een aanval om 4.00 uur in de nacht. Onder dekking van enkele andere regimenten weet hij de stad met een Pruisisch garnizoen van 80 man onder Prenz in te nemen.

Ook op 15 september leidt hij zijn grenadiers in de eerste succesvolle aanval op een buitenpost van Wolin en neemt de dag daarop de aanval op de Swinepoort voor zijn rekening. Daar komen zijn manschappen echter onder hevig vuur vanaf de bastions te liggen, moeten met veel verliezen terugtrekken en hebben ook geen succes met een versterkte aanval met twee kanonnen. Omdat de andere poorten wel worden ingenomen geeft het Pruisische garnizoen van Wolin zich uiteindelijk over. Na afloop van de succesvolle aanval wordt het aan Lantinghausen overgelaten graaf Meij­erfeldt te belonen voor zijn buitengewone kwaliteiten als troepenofficier. Met voorbijgaan van de anciënniteitsvolgorde volgens een recent dienstbevel wordt hij in oktober bevorderd tot overste in het regiment van Löwenfels, later van Sprengtporten.

In de Rijksdag van 1760 wordt vermeld, dat graaf Meijerfeldt in de Zweedse provincie Dalarna rondreist met politiemannen en overal rondvertelt dat er een nieuwe partij in Stockholm aan de macht zal komen. Daarmee moet hij de Hofpartij hebben bedoeld. (3)

Op 2 april 1760 doet Brita Barnekow afstand van haar vruchtgebruik over Gammel Kjøgegaard en Näsby. De opbrengsten van deze landgoederen vallen nu in handen van de eigenaren Carl Fredrik jr respectievelijk Johan August jr. Zij moeten hun zuster An­na Catharina daarvoor compenseren. De pachter van Gammel Kjøgegaard – Christian Brasch – is niet gelukkig dat hij het contact met de 60-jarige gravin verliest. Het is mogelijk dat Carl Fredrik ook op het landgoed gaat wonen, want hij treedt dat jaar in Deense militaire dienst in de rang van overste.

IMG_0308Zweeds-Pommeren in 1761

De strijd in Pommeren laait weer op als de Zweden een winterveldtocht 1761-1762 ondernemen. Overste Johan August marcheert snel en verovert op 13 augustus 1761 met zijn bataljon aangevuld met versterkingen de stad Friedland op enkele Stettinse corpsen. Op 22 augustus neemt hij onder Stackelberg deel aan gevechten bij Neubrandenburg en op 7 september keert hij in Friedland terug. Tien dagen later weet Johan August de Zweedse troepen daar met een aanval vanuit de flanken en de rug te ontzetten. (4)

Carl Fredrik blijft zich roeren in de politiek. Bij brief van 6 oktober feliciteert hij Fredrik Axel von Fersen (1719-1794) met zijn benoeming tot Landmaarschalk (adellijke woordvoerder) in de Rijksdag: “Je vous felicité de grand cœur seigneur de l’honneur & du bonheur que vous allés avoire aujourd’hui à devenir Le premier Citoyen dans votre Patrie.” Hij verwijst duidelijk terug naar de tijden van de Romeinse Senaat. (5)

Aan het oorlogsfront steken de Pruisen in december onder hevige sneeuwstormen onder commandant Von Belling op enkele plaatsen de grens over, onder andere op 12 december bij Nehringen. De Zweedse commandanten trekken zich terug, maar niet Johan August. Hij slaat twee dagen later bij Anklam terug. Op 20 december vraagt de Zweedse opperbevelhebber hem zelfs de Peene over te trekken om de Hertog van Mecklenburg te hulp te schieten met bataljons, 3 squadrons en 200 huzaren.

Een laatste oorlogsbericht over Johan August is te vinden in een brief van luitenant-generaal Augustin Ehrensvärd aan de koning. Hij besluit niet op diens versterking te wachten, maar van Dargun naar Malchin op te trekken om zich te verenigen met andere Zweedse compagnieën voor de Slag bij Neukahlen.

Op 15 februari 1762 komt een einde aan de Zevenjarige Oorlog met de Vrede van Hubertsburg. De grondslag van de vrede is de status quo, zodat Voor-Pommeren opnieuw in Zweedse handen blijft. Voor zijn aandeel in de winterveldtocht wordt Johan August bevorderd tot kolonel in het leger, hetgeen in die tijd gezien zijn 37-jarige leeftijd een hoge rang is. Hij had op 21 januari een pensioen van 400 daalders per jaar toegekend gekregen. (6)

Op 12 september steekt Johan August over van Stralsund naar Ystad en ruim drie weken later varen zijn moeder en broer in omgekeerde richting. Dat blijkt de voorbode te zijn van een landgoedruil op 31 december. Johan August krijgt het Deense Gammel Kjøgegaard, dat zodoende maar twee jaar door Carl Fredrik bestuurd is. In ruil daarvoor krijgt de laatste Medrow, waardoor beide Pommerse landgoederen in één hand komen. Carl Fredrik bewoont in Stralsund het huis tegenover het Meijerfeldtska Palatset, dat zijn vader van de familie Rosenmund had gekocht. In dat huis houdt hij zich bezig met het opbouwen van een bibliotheek voor de familie Meijerfeldt en alle aangetrouwde adellijke families. Ter financiering van dit project verzoekt hij de betrokken families om donaties. (7)

Van Carl Fredrik wordt opgegeven, dat hij in Hessische dienst de kolonelsrang bekleedt. Van een verwisseling met de in die tijd levende Hessische luitenant Wilhelm Ludwig von Meyerfeld (1723-1804) zal wel geen sprake zijn. Het is waarschijnlijk, dat Carl Fredrik in deze tijd in dienst van de keurvorst van Hessen treedt.  (zie deel 3).

 

1. A.J. von Höpken, “Höpkens skrifter”, ed. Silfverstolpe, Stockholm 1890, deel 2, pag. 462.
2. D.H. Biederstedt, “Beyträge zur Geschichte der Kirchen und Prediger in Neuvorpomern”, deel 2, Greifswald 1818.
3. “Biografiskt Lexikon öfver Namnkunnige Svenska Män”, deel 9, pag. 66, zegt “med olyckliga ansigtet”, hetgeen ongelukkig gezicht betekent, maar ongelijk aangezicht is niet uit te sluiten. In het eerste geval zal het om Johan August, in tweede geval om Carl Fredrik gaan.
4. Posttidningar, 27-08-1761 en 05-10-1761. K.M. von Sulicki, “Der Siebenjährige Krieg in Pommeren”, Berlin 1867, pag. 190, 238, 614 e.v.
5. Riksarkivet Stockholm, Stafsundsarkivet, Axel von Fersen d.ä.:s Arkiv, Vol. 7, op.cit. C. Wolff, “Noble conceptions of politics in eighteenth-century Sweden (ca 1740-1790)”, Helsinki 2008, pag. 75 en “Artistocratic Notions  of Liberty and Patriotism in the Age of Liberty”, ïn “Scandinavia in the Age of Revolution, Nordic Political Cultures (1740-1820)”, Farnham/Burlington 2011, pag. 122.
6. Posttidningar, 21-10-1762.
7. Riksarkivet Stockholm, Biographica M 8 b, brief 15-02-1766 Carl Fredrik Meijerfeldt aan Carl Sparre.